terug  begin  verderprepost
[p. 71]

J. Kneppelhout / Klikspaan 1814-1885

Door Marijke Stapert-Eggen



illustratie
J. Kneppelhout. Foto: R. Severin.

Stammend uit een aanzienlijke Leidse familie beschikte Kneppelhout over een groot vermogen. Hierdoor kon hij, niet gehinderd door de lasten van een maatschappelijke functie, afzijdig blijvend van iedere letterkundige côterie, en zonder concessie te hoeven doen aan enig publiek, zich geheel wijden aan de literatuurliefhebberij pur sang. Bovendien stelde zijn rijkdom hem in staat de door hem zo zeer begeerde rol van mecenas te vervullen voor tal van jonge schilders, musici en studenten.

Via zijn oom De Gijselaar en de directeur van zijn kostschool, De Raadt, raakte hij onder invloed van de achttiende-eeuwse ideeën over opvoeding als middel ter verbetering van de mens. In Leiden kwam Kneppelhout als student terecht in de kring van Beets en Hasebroek, de Romantische Club. Hij droomde van een internationale carrière als Frans auteur en ging zich te buiten aan zwaar romantische verhalen en gedichten en dwepende beschouwingen, die echter noch bij de vaderlandse, noch bij de Franse toonaangevende literatoren, en evenmin zelfs bij zijn generatiegenoten genade vonden. ‘God beware ons voor een Joannes den Dooper die het veld onzer letterkunde alleen en uitsluitend voor V[ictor] H[ugo] vlak maakt’ schreef Bakhuizen van den Brink aan Beets. Kneppelhout moest zijn ambitieuze plannen opgeven en afscheid nemen van zijn ‘zwarte tijd! O die goede dagen van voorheen, toen wij lange haren droegen en zoo diep rampzalig waren’.

Deze teleurstelling werd zijn redding: Kneppelhout startte opnieuw als schrijver in zijn moedertaal, en behaalde als Klikspaan zijn eerste grote succes met Studenten-typen (1839-1841), Studentenleven (1841-1844) en De studenten en hun bijloop (1844), een succes dat hem in later jaren met later werk (meest korte verhalen en reisbeschrijvingen) nooit meer ten deel is gevallen. Potgieter oordeelde gunstig over deze schetsen, die hij vanwege hun moralistische tendens uitgetild zag boven de zijns inziens verfoeilijke ‘Kopyeerlust des dagelijkschen levens’ van de Camera.

Met de studentenschetsen begaf Kneppelhout zich op een terrein waar hij zich duidelijk thuis voelde. Als tekenaar van het studentenleven in al zijn facetten gaf hij zijn medeburgers een leidraad voor de opvoeding van de Spes Patriae. Zijn vlotte pen, zijn levendige stijl, zijn zin voor humor en zijn realistische verteltrant kon hij hier in dienst stellen van het

illustratie
Illustraties bij Studenten-typen, door J. Kneppelhout. Door O. Veralby (pseudoniem van Alexander Ver Huell).

[p. 72]

Bij de Sint-Lodewijkskerk stonden drie gedrochten in grijze lompen gehuld. Zij schurkten zich. Van ongeduld of van ongemak?
- Pst, pst!
Verder stond er weer een; zij kwam achter een boom vandaan, als eene spookverschijning.
- Dag, lieve meid! zei de spotzieke Flanor, doch zette sneller door, opdat zij hem niet naderde. Maar de rampzalige schim zuchtte met scherpe wroeging in haar vertwijfelend gemoed:
- Ik ben geen lieve meid, ik ben eene hoer.
Die toon sneed Flanor door de ziel, maar aan de brug, die naar de Koepoortsgracht leidt, was de indruk al voorbij. Het was zeer levendig op straat. Flanor kwam een Academiebroeder tegen, die een meisken opgedaan en zijne hooge winterjas had aangetrokken, om niet herkend te worden; maar Flanor herkende de jas, en zei schertsend:
- Bonsoir, jas van Slot!
Wat verder repte een jong Studentje zijne dunne beentjes zoo haastigjes voort, alsof Amor hem gespoord op den rug zat. Hij trachtte een klein gestaltetje te bereiken, dat even pijlsnel voortschoof als hij. Dezen zei Flanor, deftig, maar ondeugend, bonsoir. Het karmijn van des jonkmans ongerepte wangen loste zich op in den valen avond, maar Flanor liep vlugger dan beiden, en toen hij het vlindertje had ingehaald, greep hij haar bij het vlerkje en beet haar in het oor:
- Waarom zoo schuw? mijnheer wou reis probeeren!
Het maagdelijn keerde het hoofdje om, deed alsof zij er niets van weten wilde en scheurde zich los, maar door deze stribbeling had de lichtzinnige Flanor haar in handen van het aardige Studentje gespeeld. Weg vloog Flanor, maar wie vloog in de kaars? Zoo'n mooi, lief Studentje! Nietwaar, Catootje!
Op het plein voor de Anatomie zag Flanor een neepjeskapje op schildwacht staan, eene dienstmeid, die aan hare Mevrouw gevraagd had eene boodschap te mogen gaan doen. Flanor maakte een bocht in zijn weg, en toen hij zag, dat het een aardig snoetje was, dat onder het kapje uitstak, en dat het kapje achter op haar hoofd stond, en er van voren zoveel plat haar te voorschijn kwam, wist hij al wat voor soort zij was en trok haar aan de franje van haren zeegroenen omslagdoek.
- Ben jij het, Mietje?
- Nei, Mietje staat wat virder.
- Nou, maar al ben je Mietje niet, je bent toch eene lekkere meid. Hoe heet je?
- Betje.
- Nou, Betje dan, laat me eens proeven, hoe je kust, lichte vogel!
- Wel zeiker, waarom niet?
- Kom, geene gekheid, we weten het immers wel! Waar is je vrijer?
- Die komt.
- Dat 's vast die tamboer?...
- Bin je mal?
- Nou, wie dan? zeg 't maar eens in mijn oor! Wie is het?
En meteen keek hij om, want hij was niet zonder vrees den vrijer onverwacht op den aangang te zien komen.
- Die korreperaal met die blonde snorren.
- Je moet van avond dan maar denken, dat ik je korporaal ben.
Telkens als hij de knappe meid te lijf wilde, trachtte zij zich, slaande of knijpende, los te rukken en draaide zich, dan rechts dan links, zooveel haar dit Flanors armen toelieten, maar nu pakte hij haar toch zoo stevig beet en drukte haar zoo krachtig tegen zich aan, dat het niet ver van eene worsteling bleef en hij op het punt was haar onder het schreeuwen van: - Ai, ai! Bin je gik? Zoo'n spoelhond! Gemeine kerel! Wat bliksem! - en meer andere vloeken, zuchten, uitroepen - even zoovele aanmoedigingen - een flinken zoen te ontweldigen; toen, zoodra hij haar hoofd met geweld naar zich toekeert en haar, bij de aanraking harer lippen, van nabij onder de oogen ziet - o jemenie joosje! - het de derde meid van Mevrouw de weduwe Van der Erkelen was, bij wie hij nog geene week geleden gedineerd had, hetgeen Flanor, hoewel in schaterenden lach over het zotte geval, zoo snel mogelijk de vlucht deed nemen, om zich echter een poosje daarna, spijtig over zijne overijling, te bezinnen, in hoever hij van dat huis voor eene zoodanige verstandhouding als fatsoenlijk man partij zou mogen trekken.
Fragment uit ‘Flanor’, één van de schetsen uit Studenten-typen, door J. Kneppelhout.

[p. 73]

ideaal dat zijn leven heeft beheerst, en waarover hij reeds in 1835 het werkje l'Éducation par l'amitié had geschreven, een verheerlijking van de vriendschap die als taak had ieder mens zijn juiste plaats in de maatschappij te wijzen: opvoeding door vriendschap.

Zelf heeft Kneppelhout getracht dit ideaal in praktijk te brengen in zijn vriendschappen met A.W.M.C. Ver Huell, (1822-1897), De Génestet, A.G. Bilders (1838-1865), en de vele jonge mannen die hij als mecenas heeft gesteund. Een van hen, Jan de Graan (1852-1874), een violist die als wonderkind getriomfeerd had, heeft hij na diens vroege dood vereeuwigd in Een beroemde knaap (1875). In deze door Huet zeer geroemde levensbeschrijving heeft Kneppelhout zijn door de Romantiek beïnvloede belangstelling voor het bijzondere en afwijkende weten te combineren met een klassieke zucht naar het vinden van de waarheid over zijn geheimzinnige pupil. Deze synthese heeft hem zijn meesterstuk geleverd.



illustratie
J. Kneppelhout, 8 oktober 1861, aan J.P. Heije.

Oosterbeek, 8 Oct. 61 / Waarde Heer en Vriend, / Het zy my geoorloofd uwe vrien- / delijke hulp eens in te roepen. Ik zit / aan een Engelschen roman, waarin / ingeslotene twee versjes voorkomen, / die ik geen kans zie in het / Hollandsch over te brengen - en / toch dienen ze er in. Wees zoo goed en / schenk my voor eenige oogenblik- / ken den bystand van uw talent. / Vindt u myne vraag niet onbeschei- / den en is u dus niet ongenegen aan / myn verzoek te voldoen, dan weet / ik aan wien ik de vertaling toe- / vertrouw en dat het boeker in / waarde om zal stygen. Wees ver- / zekerd, dat u my zeer aan u verpligt / door iets wat voor u eene kleine / moeite is en geloof my hoogachtend / en vriendschappelijk, / geheel de uwe, / J. Kneppelhout

Keuze uit het overig werk

Mes loisirs (1832), La Violette (1833), Fragments de correspondance (1835, anoniem), Souvenir (1835, anoniem), Hommage à l'hospitalité (1836), Nouveaux fragments de correspondance (1836, anoniem), L'ère critique ou l'art et le culte (1837), Copeaux (1837), Prose et vers (1838), In den vreemde (1840), Verhalen (1846), Opuscules de jeunesse (1848, 2 dln.), Schetsen en verhalen uit Zwitserland (1850), Stijl, kunst (1855), Politiek, kritiek (1855), Mijne zondagen in het Vereenigde Koningrijk (1859), Geschriften (1860-1865, 1875, 12 dln.), Waanzinnige Truken en andere verhalen (1980).

prepostterug  begin  verder