terug  begin  verderprepost
[p. 80]

J. van Lennep 1802-1868

Door Marijke Stapert-Eggen



illustratie
J. van Lennep. Litho: J.B. Clermans.

Na een vroege promotie in de rechten trouwde de tweeëntwintigjarige Van Lennep, een ‘jonge man met [...] blonde wuivende haren, wiens oogen het in levendigheid wonnen van de flikkerendste op hem gericht’ (Potgieter), zeer tegen de zin van de wederzijdse vaders met de tien jaar oudere vriendin van zijn stiefmoeder. Het huwelijk heeft bijna vijfenveertig jaar mogen duren.

Maatschappelijk gezien was zijn leven even succesvol. Weliswaar beleefde ook Van Lennep zijn ‘zwarte tijd’ toen hij in Leiden hevig onder de bekoring kwam van de ideeën van Bilderdijk, en in dispuut met zijn medestudenten ten strijde trok ‘tegen alle liberalen en aristocraten’ om ‘à tort et à travers het beginsel van de legitimiteit en dat van de absolute regeringsvorm te verdedigen’. Maar de achttiende-eeuwse liberale familietraditie behaalde de overwinning en Van Lennep conformeerde zich snel, maakte een voorspoedige carrière als Rijks-advocaat (1829) en conservatief afgevaardigde in de Tweede Kamer (1853), en ontving tal van onderscheidingen en erelidmaatschappen. Slechts in zijn latere bemoeienissen met de uitgave van het werk van romantische revolutionaire geesten als De Schoolmeester (1859) en Multatuli (1860) is nog een spoor van de opstandige Van Lennep terug te vinden.

Ook in letterkundig opzicht bleek hij een zondagskind. ‘Literair gesproken, erfelijk belast’ (Knuvelder) - Van Lennep stamde uit een aanzienlijk Amsterdams Patriciërsgeslacht waaruit zijn grootvader Cornelis en zijn vader David Jacob hem al in de schone letteren waren voorgegaan - was hij als kleine jongen spelenderwijs het literaire leven binnengewandeld:

 
[...] op het groote spoor
 
Van Vondel, want hij strekt toch voor
 
Een leider tot gedichten

rijmde Jacob, negen jaren oud. Onder invloed van zijn vaders verhandeling over Het belangrijke van Hollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding (1827) trad Van Lennep in het romantische voetspoor van Walter Scott, wiens werk hij vertaald had. Tussen 1828 en 1831 schreef hij een viertal berijmde verhalen onder de titel Nederlandsche legenden: Het Huis ter Leede, 1828; Adegild, 1828; Jacoba en Bertha, 1829; De strijd met Vlaanderen, 1831. Daarna maakte hij met

illustratie
Illustratie uit Tafereelen uit de geschiedenis des vaderlands tot nut van groot en klein (1854) door J. van Lennep.

[p. 81]

een aantal historische romans dit genre in Nederland populair. In De pleegzoon (ontstaan 1827, verschenen 1833, 2 dln.), De Roos van Dekama (1836, 2 dln.) en Elizabeth Musch (1850-1851, 3 dln.) verwerkte hij geheel volgens zijn eigen opvattingen stof uit de vaderlandse geschiedenis van de middeleeuwen en de zeventiende eeuw. De romans genoten destijds grote populariteit en danken hun roem aan Van Lenneps grenzeloze fantasie, zijn vlotte verteltrant en de ingewikkelde en boeiende intrige. Met de Romantiek hebben zij slechts een aantal uiterlijke aspecten gemeen. Van Lennep, die veel meer dan romanticus in wezen een achttiende-eeuwer was, toont zich opzijn best in De lotgevallen van

over de lidwoorden
Het lidwoord (of ‘artikel’) is niet anders, als Prof. Brill te recht opmerkt, dan een aanwijzend of bepalend voornaamwoord, doch dat, even als iemand, die zich heeft laten trouwen, alle zelfstandigheid heeft opgegeven. Daarom komt het ook aan den ringvinger, die, als ieder weet, het zinnebeeld is der (echtelijke) slavernij.
De oude spraakkunstenaars geven twee soorten van lidwoorden op, t.w.:
Bepalend: de in 't mann. en vr.: - het in 't onz.
Onbepalend: een in 't mann. en onz.: - eene in 't vr.
Prof. Roorda heeft onwederlegbaar aangetoond dat het laatste (eene) niet bestaat of althans alleen thuis behoort in het voorzangers-Nederduitsch: en Prof. Brill merkt met niet minder recht op, dat een eigentlijk onder de telwoorden gerekend moest worden, en, waar 't als artikel gebezigd wordt, toch niet of bijna niet gehoord wordt - waarom dus ook dwaze verbuigingen als eenen en eener, die 't nog wel tot een twijfelachtig woord maken, gerust kunnen wegvallen.
Een minister, een weduwvrouw, een oliekoek laat hij, die beschaafd Nederduitsch spreekt, niet anders hooren, dan of er stond nminister, nweduwvrouw, noliekoek.
Wederom echter de Dordtenaars scheppen er een zonderling vermaak in, dit quasi- artikeltje niet alleen te laten hooren, maar het zelfs met een staart te voorzien, en zeggen: n'n'n' minister, n'n'n' weduwvrouw, n'n'n' oliekoek.
Als verder bewijs, hoe weinig dat zoogenaamd onbepalend lidwoord van ouds in tel is, diene, dat men zich, bij woorden, die in 't meerv, staan, er geheel van ontslaat, en maar slechtweg zegt: ministers, weduwvrouwen, oliekoeken.
De of het, en de in 't meerv., heeten bepalende lidwoorden, om dat zij bepalen, welke personen of zaken in 't bijzonder worden aangeduid. - Ter opheldering diene het navolgende roerende dichtstukje, waar alle drie de lidwoorden in voorkomen:
 
De molenaar stal het mout,
 
En de timmerman stal het hout,
 
En het snijertje stal het laken,
 
Om een rok voor het drietal te maken.
De en het wijzen hier aan, dat er van een zeer bepaalden (en wel van een zeer diefachtigen) molenaar, timmerman en snijer, alsmede van zeer bepaalde (hun ter bewerking toevertrouwde) mout, hout en laken gesproken wordt. Een daar-en-tegen wijst niets aan dan dat men het missen kan; want ik zet het den beste, uit den laatsten regel op te maken of de snijer voor elk van drieën 'n rok, of één rok voor hun drieën maken zou1.
Een zelfstandig naamwoord, waar geen lidwoord voor staat, wordt altijd in zeer algemeenen zin genomen. Als ik b.v. zeg: ‘water is goed voor kikkers’, dan bedoel ik geen bijzondere soort van water, niet bepaald duin-, regen-, sloot-, Heppinger-, Seltzer-, roze-, troebel of gefiltreerd water, maar water in 't algemeen; en, even zoo, allerlei soort van kikkers, 't zij die in slooten of moerassen, 't zij die op parades of bals rondhuppelen.
Fragment uit De vermakelijke spraakkunst (1865) door J. van Lennep.

[p. 82]



illustratie
Handschrift van J. van Lennep.

Veel liever nog leer ik van buiten / Een Ministerieelen brief, / Of laat my in een kelder sluiten / Met een geschavotteerden trief / 'k Betaal nog liever schot en tinsen / Aan elken Vorst in 't Waereldrond, / Of rij met een' der Fransche prinsen / In een calèche à la Daumont / 'k Vaar liever (schoon 't licht al te dol waar') / Als schipper van het Leydsche veer / Ofschoon altijd de Spoorweg vol waar' / Met leege schuiten op en neer. / 'k Eet liever s avonds twintig bolders / Met nog een schotel rijstenbrij, / Of vraag in de Aemstelveensche polders / Concessie voor een Veenderij. / 'k Word liever nachtwacht, gortetelder / Of wel suppoost in 't gekkenhuis, / Commies op Vlieland of de Helder / Of wachter aan de Nessersluis / 'k Verlies nog liever al mijn kiezen / Of leg een pleister op mijn keel / Of laat my tot een lid verkiezen / Van 't Franekersche personeel, / Eer loop ik rond met vogelkooien, / Of met een juffrouw met een baard / Of geef ik les aan nijvre vlooien / In 't vechten met pistool en zwaard. / Ik maak veel eerder een rapport op / Dat iedereen juweelig vindt / Of vreet een heelen schotel gort op, / Of maak een ouwe vrouw met kind, /
[p.2] 'k Wacht liever te Utrecht zeven uren / Den wagen van Van Gendt en Loos / Of laat me als opperman verhuren / Of maak my op een meisjen boos: / 'k Zie eerder kans om te expliceeren / Wat Bing hier eindlijk worden moet, / 'k Loop liever zonder onderkleeren / Gelijk een Schotsche herder doet: / In 't kort, 'k at liever persikpitten / En liet het ooft voor and'ren staan, / Dan dat ik langer hier bleef zitten, / Daar ik zoo aanstonds heen moet gaan. // 5 April
Ferdinand Huyck (1840, 2 dln), waarin hij met kennis van zaken een typische achttiende-eeuwer schildert. Onder invloed van het Franse Naturalisme schreef hij de schandaalverwekkende zedenroman in vijf delen De lotgevallen van Klaasje Zevenster (1865-1866), waarmee hij algemene geestdrift bij het lezend publiek verwekte en een hevige pennestrijd veroorzaakte bij zijn beoordelende collega's.

Van Lennep eindigde zijn literaire carrière met een hommage aan zijn leider van het eerste uur: van 1855-1869 verscheen de door hem verzorgde en toegelichte prachtuitgave van de Werken van Vondel.

Keuze uit het overig werk

Dissertatio juridica inauguralis ad Valentiniani constitutionem de mendicantibus validis (1824), Academische idyllen (1826), Gedichten (1827), Zestal liederen, opgedragen aan de schutterijen in Noord-Nederland (1830), Het dorp aan de grenzen (1830), Het dorp over de grenzen (1831), De roem van twintig eeuwen (1831), Een Amsterdamsche winteravond in 1632 (1832), Saffo; zangspel (1834), De ijzeren spoorweg van Amsterdam naar Haarlem; lierzang (1837), Vondels droom (1838), Onze voorouders in verschillende tafereelen geschetst (1838-1844, 5 dln.), De E-legende (1841), De bouwkunst; leerdicht (1842), De voornaamste geschiedenissen van Noord-Nederland aan zijne kinderen verhaald (1845-1849, 4 dln.), Ruwaardes Gertruida (1846), Eduard van Gelre (1847- 2 dln.), Rembrandt van Rijn (1848), De twee amiralen (1849), Een droom van Californië; kluchtspel (1849), De val van Jerusalem; treurspel (1850, met A.J. de Bull), Eene schaking in de 17de eeuw (1850), De betooverde viool of Het bloemenoproer (1851), Gedichten, zoo oude als nieuwe (1851), Zeemansliedtjens (1852), Dramatische werken (1852-1854, 3 dln.), Tafereelen uit de geschiedenis des vaderlands (1854), Romantische werken (1856-1859, dl. 1-14; 1867-1872, dl. 15-23), Zeemans-woordeboek (1856), Vertellingen en tafereelen van vroeger en later tijd (1856), De stichting van Batavia (1858), De vrouwe van Waardenburg (1859), Een Amsterdamsche jongen of Het buskruitverraad in 1622 (1859), Poëtische werken (1859-1862, dl. 1-11; 1867-1872, dl. 12-13), Het leven van Mr. Cornelis van Lennep en Mr. David Jacob van Lennep (1861-1862, 4 dln.), De vermakelijke spraakkunst (1865), De uithangteekens (1867-1868, 2 dln., met J. ter Gouw), Een dichter aan de bank van leening (1867), Het boek der opschriften (1869, met J. ter Gouw), Een bloemlezing uit zijn werken (1923), Nederland in den goeden ouden tijd (1942).

1Ik denk, een voor zich zelf, die hem niets kostte, en een voor ieder van de beide anderen, die hij hun betalen liet.
Gissing van den Zetter.

prepostterug  begin  verder