
A.L.G. Toussaint. Gravure door J.P. Lange naar N. Pieneman.
De kleine Alkmaarse, uit hugenootse families stammende Anna Louisa Geertruida (‘Truitje’) Toussaint moet onder de gemiddelde Nederlandse meisjes van haar dagen opgevallen zijn, niet alleen door haar ‘levendigheid’, maar vooral door haar zelfstandigheid, haar belezenheid en algemene ontwikkeling, die begonnen was met een onderwijsdiploma. Bovendien beschikte zij over een opmerkelijke scheppende fantasie, doorzettingskracht en een intuïtief inlevingsvermogen in de menselijke psyche. Door dit alles werd zij onze grootste negentiende-eeuwse auteur van verhalend proza, inzonderheid van de historische roman.
Ten minste drie cultuursferen hadden op haar ingewerkt: de Europese Romantiek door haar lectuur van Schiller, Byron en Scott; de evangelisch-christelijke door haar contacten met de Kring van Heilo (Hasebroek, Beets, De Clercq); de vrijzinnig-liberale, tevens op het wetenschappelijke gerichte van de Gidskring.
Deze invloeden verwerkte zij met de haar eigen zelfstandigheid. Wel bevatten haar goed opgebouwde romans de voor het genre gebruikelijke romantische en sensationele elementen (waarvan de onfortuinlijke liefdes wellicht op eigen ervaringen berustten), maar de avonturen en verwikkelingen waren niet de hoofdzaak. Wat dat betreft was De graaf van Devonshire (1838) nog wat conventioneel, in de trant van haar voorbeeld Walter Scott, maar Het huis Lauernesse (1840, 2 dln.) getuigde van een eigen visie op de eerste hervormingsjaren met de rampen in het persoonlijk leven en de uit onverdraagzaamheid en fanatisme voortkomende geweldplegingen. Hoofdmotief is de verlossende waarde van het (evangelische) christendom, en deze idee vinden we terug in haar volgende romans, onder andere in haar breed opgezette cyclus rondom Leycester (1845 e.v.).
De geschiedkundige achtergronden deed zij niet méér geweld aan dan voor de opbouw van haar ‘fiction’ strikt nodig was; dit was een niet helemaal onredelijke (maar niet altijd gevolgde) norm in die jaren van opbloeiende wetenschappelijke geschiedschrijving, en de methode voor grondig historisch onderzoek had zij goed geleerd tijdens haar (na enkele jaren verbroken) verloving met de briljante maar lichtzinnige Bakhuizen van den Brink. Zij ontwikkelde daarnaast een persoonlijke conceptie van de geschiedenis; zij zag deze opgebouwd uit een reeks tragische gebeurtenissen waarin een goddelijk ingrijpen zichtbaar was en de machten van het kwaad door het christelijk beginsel overwonnen werden. Ook in haar latere historische novellen en romans vinden we deze idee terug, o.a. in De Delftsche wonderdokter (1870-1871, 3 dln.) Na haar huwelijk (1851) met de kunstschilder Johannes Bosboom in Den Haag gevestigd bleef zij haar letterkundige arbeid voortzetten en, min of meer gedwongen door familieomstandigheden, verviel zij zelfs tot een bedenkelijke veelschrijverij, die voor geringere talenten funest zou zijn geweest. Met eigentijdse zowel als historische vertelkunst werkte zij mee aan almanakken en tijdschriften, en bij een omvangrijke produktie wist zij nog een redelijk niveau te handhaven.
Haar bekendste eigentijdse roman werd Majoor Frans (1875); deze geschiedenis van een in al te grote vrijheid opgroeiend meisje is zeker geen militante emancipatieroman en heeft zelfs een conventionele happy ending, maar het toen actuele probleem van de vrouwelijke zelfstandige persoonlijkheid wordt er wel in gesteld.
In het algemeen is het werk van mevrouw Bosboom-Toussaint doorleefd, knap en degelijk, psychologisch verantwoord, maar niet vlot leesbaar. Haar taalgebruik kan slordig zijn, haar uitwerking wijdlopig, haar tempo traag door uitweidingen en auteursopmerkingen. Het voor-
[...]naamste van haar oeuvre werd aan het eind van haar leven in 25 delen bijeengebracht en daarna nog herdrukt, maar in onze eeuw nam de belangstelling bij de ‘common reader’ af. Toch is het tekenend dat zij bij haar overlijden zelfs door de toenmalige nieuwlichters met waardering herdacht werd in De Nieuwe Gids.
de eigenschappen van geest en hart, van humeur en karakter, die het wezen zou moeten bezitten, waarmee ik voor het leven zou willen verbonden zijn, die de verbintenis iets meer zijn dan een uiterlijke band, heb ik wel eens bij mij zelven bediscussieerd, en ik was het gansch niet met van Lennep eens, dat de grootste verdienste eener vrouw juist daarin bestaat, dat er niets van haar te zeggen valt dan dat zij met volharding kousen maast en de teerste zorg koestert voor de groote wasch. Als mevrouw de Witt zekeren zachten invloed had weten te oefenen op haar gemaal, zou de gerechtelijke moord van Buat vermoedelijk zijn voorkomen, en deze vlek niet hebben gerust op het karakter van den eminenten leider der oligarchische republiek, ik wil daarmee niet gezegd hebben, dat iedere vrouw, of zij er aanleg voor heeft of niet, zich zou moeten mengen in de zaken van staat; ik meen alleen, dat die absolute onbeduidendheid voor mij zelven als vis-à-vis voor het leven iets vreeselijk vervelends en ledigs zou toeschijnen, en dat ik het oordeel van Jean Paul over de blijdschap der mannen, als de kortstondige dichteres, die hunne bruid was, spoedig na het huwelijk in eene spinnende huispoes verandert, niet deelen kan. Als er geest en hart is, kan dat uitkomen in alle détails van het leven, om dat te sieren en te verheffen. De vrouw die dat wist te vatten, wie zij dan ook overigens ware, musicienne of kousenstopster, bezield met liefde voor de kunst en literatuur, of simpellijk haar lust vindend in 't volbrengen harer huiselijke plichten, zou zeker kunnen zijn van mijne duurzame genegenheid. Alleen heb ik mij nooit verveeld, maar de verveling à deux moet, dunkt mij, de afschuwelijkste kwelling zijn, die tot uitspattingen zou voeren.
En nu, ik moet het u eerlijk opbiechten, Willem! al hadt gij het misschien niet uit ons vroeger gesprek geraden, - in al de zonderlingheden die mij van Francis ter oore komen, zie ik niets van dat ideaal. Zij heeft karakter, zij schijnt geest te bezitten, al wordt haar hart ontzegd. Zij durft zich zelve zijn, en juist dit faalt onze meeste jonge dames, die allen op iets anders willen gelijken, dat zij eigenlijk niet zijn; die geene eigene opinie hebben, maar als zekere insecten de kleur aannemen van het blad waarop zij rusten. Dit geeft iets onwaars, iets onbestemds aan geheel haar bestaan, dat ik niet betrouwbaar acht. In die allerliefste modepoppetjes, op alles afgericht, behalve steun te zoeken in eigen vaste beginselen, schuilen soms kuren en grillen, die niet te voorschijn komen dan te laat om er nog wat tegen te doen. Ze zijn niets, maar als hare pluimen en linten worden zij door iederen wind meegevoerd. Vandaag willen ze dit, morgen weer wat anders; in den regel weten zij zelven niet wat ze eigenlijk willen, en men zou zich in duizend bochten kunnen wringen zonder haar eigenlijk nog te voldoen, als men zich daartoe wilde zetten.
Fragment uit Majoor Frans (1875) door A.L.G. Bosboom-Toussaint.
Engelschen te Rome (1839, 2 dln.), Eene kroon voor Karel den Stouten (1842), Verspreide verhalen (1843), Ximènes, Alba, Orsini (1844), Negen novellen (1845), Mejonkvrouwe de Mauléon (1848), Het huis Honselaarsdijk in 1638 (1849, 2 dln.), De vrouwen van het Leycestersche tijdvak (1849-1850, 3 dln.), Eenige schetsen (1850), Moedervreugde en moederlijden (1851), De Alkmaarsche wees en eenige andere novellen (1854), Gideon Florensz. (1854-1855, 4 dln.), Historische novellen (1856), Graaf Pepoli (1860, 3 dln.), De verrassing van Hoey in 1595 (1866, 2 dln.), Romantische werken (1869-1883, 7 dln.), Langs een omweg (1878, 2 dln.). Het kasteel Westhoven op Walcheren in Zeeland (1882), Volledige romantische werken (1885-1888, 25 dln.), Verspreide novellen en geschriften (1912).

Fragment van het manuscript van de historische roman Toen er te Honselaarsdijk nog een lusthuis was (1849) door A.L.G. Bosboom-Toussaint.
[vorige pagina] De l'Espine was verre van / te zijn hetgeen men ge- / woonlijk noemt een goed / mensch maar / de natuurlijke edelmoe- / digheid van zijn hart was ge- / troffen door de edele eenvoudig- / heid, waarmee Diederik zijn / leven had geveiligd te midden van / den heftigsten strijd, en hij / sprak nu, terwijl hij zijnen arm zacht- / kens losmaakte / Ik heb niet dan u te dan- / ken en vergeef gij veeleer mij, / en hij stak hem zijne / hand toe. / - neen ik heb ook schuld - / mijne rouwe halstarrig- / heid moest uw toorn wek- / ken - alleen gedoog nu mijn / rustig blijven - en gij zult / mij geregtvaardigd zien. / - Ik heb u niets toe te / staan, en niets te verbieden / bekende de l'Espine met / neergeslagen oogen, en met een / weinig schaamrood op het / voorhoofd - want hij voel- /
[p.1] de zich in tweeerleij zin, de over- / wonnene. / - Gij hebt gelijk Réné ook zijt gij / aan mijnheer wie hij ook we[ze] te zijner / tijd volle genoegdoening schuldig! / Het was de Landgraaf / van Hessen die deze woorden / zeide - en die sinds eeni- / ge minuuten getuige was van / het geen er voor viel - / maar hij was niet als de eenige / getuige dààr. De prinses / Louise aan wien niemand / intusschen had gedacht - / zelfs niet haar broeder, die / veel te veel oplettendheid gaf / aan den strijd, zelfs niet / eene mijner lezeressen en / zelfs niet ik die toch wat / zorg behoorde te geven aan / mijne heldinnen - maar het / toeval - de deus ex Machina / van alle roman avontu- / ren, is vriendelijker voor / haar geweest dan /
[p.2] een van ons allen, en heeft haar / eene zachte meewarige vrou- / wenhand aangevoerd die zich lief- / derijk met haar bezig hield, / want had de angst over dit / gevecht haar reeds tot bezwij- / mens geschokt - de kreet van / Robert en 't gevaar dat Réné / dreigde - bragt haar werkelijk in / dien toestand - maar op dat / zelfde oogenblik - waren / Lucienne d'Ar- / cij en de Landgraaf Willem / op de plaats der algemeene / zamenkomst aangekomen, en de / eerste had zich deelne / -mend tot hulpe der prinses be- / vlijtigd - vlug zout, en wel- / riekend water - waren toen / als nu de eerste hulpmid- / delen die ook werkelijk baat / gaven. Terwijl Louise bezig was, zoo / goed zij kon, de oorzaak van / haren toestand te verklaren / was er nog een persoon /
[p.3] gekomen, die zeker een minder goed- / willige, en evenwel een meer / scherpe opmerkster moest / zijn - de Markiezin de / Sourdiac! [...]