
E.J. Potgieter. Gravure: D.J. Sluyter.
Misschien vanwege zijn ondichterlijk beroep van solide en onkreukbare handelsagent, mogelijk ook door zijn haast dertigjarig leiderschap van de spreekbuis der negentiende-eeuwse liberale burgerij, het tijdschrift De Gids, waarvan hij in 1837 medeoprichter was, is de naam van E.J. Potgieter ten onrechte verbonden gebleven met de gedachte aan een zelfvoldaan liberalisme en een in zijn eigen tijd reeds achterhaald nationalisme. Zijn levensloop was in ieder geval te kalm en rimpelloos om waarlijk groots-romantisch te heten; zijn omvangrijk oeuvre is maar voor een klein deel herdrukt, maar wordt, voor zover verkrijgbaar, weinig toegankelijk, moeilijk leesbaar en gewrongen van stijl geacht en zijn politieke blik te veel op herleving van Nederlands oude macht gericht om zowel tijdgenoten van toen als de nazaat van nu meer in te boezemen dan respect en afstandelijke bewondering.
Toch moet de jonge dichter de indruk gewekt hebben van een begaafd jongmens, dwepend met Lamartine, Hugo en Byron, bewonderaar van zijn stadgenoot Feith; kortom lijdend aan modieuze literaire melancholie. Het dreigend faillissement van zijn vader had zijn moeder doen besluiten de leergierige knaap aan een tante in Amsterdam toe te vertrouwen. Dankbaarheid voor dit toevluchtsoord en zwijgzaamheid over zijn ‘verleden’ vergezelden de ongetrouwd gebleven dichter levenslang. Zakenreizen naar Antwerpen en Zweden brachten hem in aanraking met de literatuur en voltooiden een cosmopolitische vorming. Door zijn belezenheid, ook in de Engelse en Amerikaanse literatuur en door zijn rustige, vaste maar zeer scherpe oordeel werd hij van meet af aan de onbetwiste leider van De Gids. Spoedig wist hij Bakhuizen van den Brink als redacteur aan te trekken, de criticus en historicus aan wie hij later een onvoltooid gebleven biografie zou wijden.
De Zweedse reis kreeg een romantisch, met verhalen, legenden en vertaalde gedichten doorspekt verslag Het Noorden (1836/1840, 2 dln.), terwijl zijn gevormde smaak en onafhankelijk oordeel bleken uit veroordelingen van de poëzie van Beets, de navolgingen à la Byron, zijn eis van betrouwbaarheid en bronnenonderzoek aan de in zwang zijnde historische romans en zijn aanval op de te gemakzuchtige en weinig idealistische ‘Kopyeerlust des dagelijkschen levens’. Inmiddels schreef Potgie-

E.J. Potgieter aan H.J. Schimmel, redacteur van De Gids, zoals E.J. Potgieter vroeger.
Amicissime! / Hierby de beloofde boekskens / door Uwen grooten onbekenden. / Als ik in zyne plaats een Voorrede / der Vertaling schryven moest, ik / zou het publiek vertellen dat / de Autheur Oldenbarneveldt / in onduidelykheid van schrift / opzyde streeft, maar dat / hy by het nageslacht wel een / M.W. van Deventer zal vin- / den om het te ontcyferen. // Met myn respect aan Uw / vrouw / de Uwe / Ad 28 Aug 1869 E.J. Potgieter

Fragment van ‘Jan Compagnie’ uit Liedekens van Bontekoe (1840) door E.J. Potgieter. Gravure door D.J. Sluyter naar J.W. Kaiser.
ter ook gedichten en proza, deels bestemd voor zijn eigen almanak ‘Tesselschade’. Zijn naam als bezieler en ijveraar voor een nieuwe, frisse mentaliteit dankt Potgieter vooral aan zijn satirisch verhaal Jan, Jannetje en hun jongste kind (1841), ter bestrijding van de funeste Jan salie-geest, zijn Liedekens van Bontekoe (1840), die een episode uit het oude scheepsjournaal van schipper Bontekoe tot uitgangspunt hadden, en Het Rijksmuseum (1844), een rondgang door het Trippenhuis langs zeventiende-eeuwse historieschilderingen in fraai gebeeldhouwd proza: één grote les voor zijn ingeslapen medeburgers. Inmiddels had Potgieter kennis gemaakt met de jonge ex-predikant Conrad Busken Huet, die hij als mederedacteur aan De Gids wist te verbinden, in feite het begin van de vruchtbaarste tijd van het tijdschrift, die duurde tot 1865 toen een conflict rond enkele bijdragen van Huet een einde aan hun beider redacteurschap maakte. Met Huet maakte de dichter nog een reis naar Florence om de Dante-herdenking bij te wonen, welke reis hem inspireerde tot het monumentale strofische gedicht Florence (1867). Niet zozeer bij zijn tijdgenoten als wel bij het nageslacht vindt het werk uit zijn laatste jaren waardering, het omvangrijke gedicht De nalatenschap van den landjonker (1872/1875). Noch de verschijning van het tweede deel Poëzij (1875), noch een late koninklijke onderscheiding vermochten de stervende dichter het gevoel van miskenning en onbegrip te ontnemen.
Proza, 1837-1845 (1864), Poëzy, 1832-1868 (1868), Verspreide en nagelaten werken (1875-1879, 9 dln.), Een bundel Liederen en gedichten (1881), Personen en onderwerpen (1885, bloemlezing), Werken (1885-1890, 19 dln.), Brieven aan Cd. Busken Huet (1901-1902, 3 dln.), Gedichten (1905-1907, bloemlezing, 2 dln.), Gedroomd paardrijden (1905), E.J. Potgieter (1908, bloemlezing, 2 dln.), Keurbladzijden (1909), Bloemlezing uit zijn gedichten en prozawerk (1919-1920, 2 dln.), Lief en leed in het Gooi (1919), Droom en tucht (1944, bloemlezing), Onderweg in den regen (1958), Hoe het weeuwtje uit het Hof van Holland gevrijd werd (1967), De volledige briefwisseling van E.J. Potgieter en Cd. Busken Huet (1972, 2 dnl.), Eens minnaars hoop heeft adelaars wieken (1974, bloemlezing), Afrid ter valkenjacht, Het Rijksmuseum te Amsterdam (1981).