
Cd. Busken Huet. Gravure.
Het gezegde over het negentiende-eeuwse Nederland dat te klein geweest zou zijn voor zijn grote geesten, lijkt vooral op te gaan voor zijn twee in het buitenland gestorven zonen: Multatuli en Conrad Busken Huet. Beiden waren in ieder geval slechts in kleine kring gewaardeerd, beiden ook waren hunnerzijds teleurgesteld in het Nederland van hun dagen.
Als afstammeling van een oude Hugenoten-familie was Conrad als vierde kind in een groot gezin geboren en kreeg hij van huis uit een sterk op de Franse cultuur gerichte belangstelling. Na een theologische studie te Leiden werd hij beroepen te Haarlem waar hij tot zijn afscheid in 1862 de Waalse gemeente voorging. Vertalingen, novellistische schetsen naar de trant van die tijd, maar vooral theologiserend werk vormen zijn voornaamste pennevruchten in deze tijd. Een scherp analyserend en kritisch intellect typeren de jonge predikant meer dan vurige bekeringsdrift en een onwankelbaar dogmatisch geloof. Na zijn uittreden - hij is inmiddels getrouwd en vader van een zoon Gideon geworden - blijft hij in de Haarlemse concertzaal buiten kerkelijk verband nog bijeenkomsten houden. Hij leeft van journalistieke arbeid voor de Opregte Haarlemse Courant en houdt 's winters lezingen over oudere Nederlandse letterkunde. In 1859 begint de levenslange vriendschap met de achttien jaar oudere Potgieter, die hem eerst als medewerker, sinds 1863 als redacteur aan De Gids weet te verbinden. In dat leidinggevende tijdschrift verschijnen zijn kronieken die later gebundeld als Litterarische fantasiën en kritieken (1881-1888, 25 dln.) zijn naam zullen vesti-

Cd. Busken Huet uit Buitenzorg (Java), 26 december 1870, aan J. Kruseman. Van 1868 tot 1876 was Cd. Busken Huet journalist op Java.
Buitenzorg, 26 December '70. // Amice, - Een week of drie geleden / zond ons de jongste luitenant Bosboom, / pas uit Holland gekomen, op één na de / laatste pennevrucht zijner Tante: Frits / Millioen. Bij dit boek was een briefje gevoegd van mevr. Bosboom zelve, waarin / zij verzocht, haar geschenk, als wij het / voor onszelven zouden genoten of niet / genoten hebben (al naar verkiezing), door / te zenden aan U. Bij dezen voldoe ik / aan dat verzoek, met de bijvoeging, dat / ik mij door mevr. Bosboom's halve waar- / schuwing niet van de lezing van Frits / Millioen heb laten afbrengen. Wat meer / is, - hoewel déze soort van romans / blijkbaar hare specialiteit niet zijn, en / zij bovendien ook ditmaal geen weerstand / heeft kunnen bieden aan de verzoeking / om bovenal een dik en niet in de eerste / plaats een keurig boek te schrijven, - heb / ik Frits Millioen toch over het geheel / met /
[p.2] genoegen gelezen, en houd mij overtuigd / dat gij er even zoo over denken zult als / ik. In de inkleding van het verhaal, -/ ik bedoel de tegenstelling der twee Fritsen / Millioen, den ingebeelden en den echten, - / is iets, waaraan men in weerwil van / vele soeperige détails en van den slor- / digen stijl, aanstonds de ongemeene schrijf- / ster en de begaafde vrouw herkent. // Sedert zes maanden woon ik met / vrouw en kind, zoo als gij misschien ver- / nomen zult hebben, te Buitenzorg, in / een huis van den heer Alex. Fraser, die / in ruil het mijne te Kramat bewoont. / Ik weet niet hoe lang die ruilhandel / duren zal, - misschien een jaar, mis- / schien langer; maar in elk geval bevalt / het verblijf alhier mij uitmuntend en / genieten de mijnen en ik zelf eene uit- / muntende gezondheid. // Mijn broeder Charles, van Amsterdam, / is dunklijk op dit oogenblik, vergezeld /
[p.3] van mijne zuster Charlotte, op reis naar / Paramaribo, waar hij de betrekking van / president der Surinaamsche Bank aan- / vaarden zal. Paramaribo is niet alles; / maar de hem aangeboden positie, hoewel / niet schitterend, biedt toch sommige posi- / tieve voordeelen aan. Dat zijn dus al / weder twee leden mijner familie, die het / moederland vaarwel gezegd hebben. // In het geheel niet schitterend is de / positie van mijn broeder Jan, in de Vorsten- / landen, die den 15den dezer maand eens- / klaps berigt ontvangen heeft, dat men / op Delangoe (eene aan A.H. Meissner / toebehoorende suikerfabriek) van zijne / diensten niet langer gebruik zou maken / en tegen 15 Januarij ek. over het door / hem bewoonde huis wenschte te beschikken. / Daar zit nu die arme jongen klakkelings / met vrouw en drie kinderen zonder / betrekking. [...]
‘Ik moet bekennen,’ zeide de Koningin, ‘wanneer ik denk aan de lyrische strofen waarmede men verleden winter het jaarboekje aan mij opgedragen en mij herinnerd heeft aan het klimmen van mijnen leeftijd, kan ik niet nalaten de hollandsche dichters somwijlen voor eene poos naar Dante's Purgatorio te wenschen. Niet dat ik ze behandeld zou willen zien gelijk mijne goede Zwaben indertijd door Heinrich Heine toegetakeld zijn; doch er bestaan andere, minzamer, en echter even nuttige teregtwijzingen. Tot mij te zeggen:gen als de grootste, scherpste en briljantste Nederlandse criticus van de negentiende eeuw. Zijn grote voorbeeld is de Franse criticus Sainte Beuve (1804-1869), aan wie hij enkele opstellen wijdt waarin hij onwillekeurig trekken van zichzelf portretteert.dit zweemde toch inderdaad al te zeer naar eene nieuwjaarsfelicitatie uit de achterbuurt. In Duitschland, al leeft Rückert nog, staat de poësie tegenwoordig niet hoog; doch zulke platheden, nog daarenboven zoo gebrekkig uitgedrukt, zou men er niet dulden.Druk' nog tal van jarenNeêrlands kroon U zacht:'t Volk smeekt hen te sparenDie het lieft en acht -
- ‘Misschien’, zeide Freule van Heeckeren, ‘misschien heeft de dichter met die twee laatste regels eene woordspeling bedoeld, en moet sparen opgevat worden in den zin van zuinig wezen. Het zou dan zijn alsof er stond: Uwe Majesteit gelieve op de kleintjes te passen; in welk geval zij zal kunnen rekenen op de liefde en, wat meer is, op de hoogachting van het nederlandsche volk.’
- ‘Neen,’ zeide Freule van Zuylen, die zich tot hiertoe niet in het gesprek gemengd had, ‘zulke uitleggingen zijn te ver gezocht. Drukken onze dichters, wanneer zij het woord rigten tot de Koningin, zich onnaauwkeurig uit, dit komt omdat zij weten dat uwe Majesteit, zoo bedreven in de nederlandsche taal, hen met een half woord verstaat.‘
- ‘Om die reden’, hernam de Koningin, ‘zal de dichter van Fantazij en Leven, toen hij mij een jaar of vier geleden zijnen bundel wijdde, mij toegezongen hebben:- ‘Sprake, take, blake,’ zeide Freule Van Heeckeren onder het genot van een teugje thee, ‘die rijmen getuigen vast niet dat men een hoogen dunk koestert van uwer Majesteits goeden smake.’De taal van Nederland is U een dierbre sprake;Vaak schonkt Ge een gunstig oor aan 't vaderlandsche lied;Dies acht mijn Muze 't zich een hoog verheven take,Vorstin! wier edel hart nog lang voor 't Schoone blake,Haar liedren U te biên.’
- ‘Smake, Freule? Nu geloof ik,’ zeide de Koningin, ‘dat men mij beter hollandsch geleerd heeft dan u. Gelijk menige andere goede zake waarvan het geheim meestentijds bij de vrouwen berust, is smaak mannelijk; en mijn taalmeester heeft mij weleer ingeprent dat mannelijke zelfstandige naamwoorden van dien vorm...
Doch gij hebt gelijk. Dat men eene gunstige meening koestert van mijn goeden smaak, daarvan getuigen ook de metrische verzen niet waarin nu weder Aurora den 17den November des vorigen jaars herdenkt. De titel van Vader des Vaderlands, in dat gedicht aan den Koning gegeven, is een dier verbijsterende komplimenten die men voor ongepaste spotternij zou aanzien, indien men niet wist dat sommige welmeenende maar kwalijk opgevoede lieden te geener tijd de ware maat van lof of blaam hebben weten te houden.
Het satirische artikel van Cd. Busken Huet in De Gids van 1865 betreffende de almanak Aurora, dat oorzaak was van een conflict in de redactie en van het opstappen van Potgieter en Busken Huet.
Niet minder gering is zeker de invloed van zijn oudere vriend die dikwijls de onderwerpen aandraagt voor zijn grote essays. Maar hoopte Potgieter nog op herleving in de letterkunde, Huet was onbevangener en pessimistischer in zijn oordeel: in de generatie na hem waardeerde hij het nieuwe nauwelijks.
Een conflict binnen de Gids-redactie over een tweetal bijdragen van zijn hand (‘Een avond aan het hof’ en ‘De Tweede Kamer en de Staatsbegrooting voor 1865’) wordt oorzaak van een breuk: zowel Potgieter als Huet treden af, waarmee, naar het woord van Stuiveling, De Gids op-

Illustratie bij ‘Langs het kerkhof’, een verhaal van Cd. Busken Huet dat in 1858 onder het pseudoniem Thrasybulus in de almanak Aurora verscheen. Gravure door W. Steelink naar J. Israëls.
hield langer gids te zijn. Huets negatieve kritiek op de literaire produkten van zijn tijdgenoten en hun onmiddellijke, maar nog steeds vereerde voorgangers (Da Costa, Ter Haar, A. Bogaers (1795-1870), C.G. Withuys (1794-1865), Ten Kate, Beets, Van Lennep en Schimmel, de laatste nota bene een mede-redacteur) vormt een dankbare reden de criticus op zijn beurt à faire te nemen als hij met een eigen roman Lidewyde (1868) de Nederlandse Flaubert tracht te worden. Een eveneens onverkwikkelijke episode vormt Huets door de regering bekostigde reis naar Indië, waar hij geacht wordt ‘de bandeloze drukpers te helpen breidelen.’ De felle Nationale vertoogen (1876, 2 dln.) worden hem in Nederland al evenmin in dank afgenomen. Na de Indische tijd (Java-Bode en zijn eigen Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indië) vestigt hij zich met vrouw en kind voorgoed te Parijs van waaruit hij voortgaat te publiceren, artikelen te bundelen, reisherinneringen te schrijven en waar hij na Het Land van Rubens (1879) het monumentale twee-delige Het land van Rembrand (1882-1884) schrijft. Werkzaam tot het laatst treft de dood hem ‘met de pen in de hand’ op 1 mei 1886. ‘Een te vurige liefde voor de eer der nationale letteren’ noemde hij de hoofdtrek van zijn karakter. Met zijn lotgenoot Multatuli is hij de leesbaarste auteur uit de negentiende eeuw gebleven.
Groen en rijp (1854, onder ps. Thrasybulus), Jacques Saurin en Théodore Huet (1855), Brieven van een Klein-Stedeling (1856-1857), Vragen en antwoorden; brieven over den Bijbel (1857-1858, 2 dln.), Kanselredenen (1861), Schetsen en verhalen (1863), Toespraken, gehouden in de Concertzaal te Haarlem (1864), Verspreide polemische fragmenten (1864), Ada van Holland (1866), Multatuli (1868), De Van Harens (1875), Novellen (1873-1874), Nederlandsche Belletrie; kritieken (1876, 3 dln.), Van Napels naar Amsterdam (1877), George Sand (1877), Oude romans (1877, 2dln.), Potgieter; persoonlijke herinneringen (1877), Parijs en omstreken (1878), Europesche brieven (1878, onder ps. Fantasio, 2 dln.), Brieven (1890, 2 dln.), Robert Bruce's leerjaren (1898), Historische en romantische werken (1899-1900, 13 dln.), Nalezing (1903), Verzamelde werken (1912, 40 dln.), Brieven aan E.J. Potgieter (1925, 3 dln.), Uit de litterarische fantasiën en kritieken (1931, 2 dln.), Portretten van Nederlanders (1940, bloemlezing), Hugo de Groot (1941), Vernuft ontzondigt (1956, bloemlezing), Brieven aan de uitgever van het tijdschrift Nederland (1964), Met de humor van een haai (1969, bloemlezing), Erasmus (1970), De volledige briefwisseling met E.J. Potgieter (1972, 2 dln.).