terug  begin  verderprepost
[p. 104]

C. Vosmaer / Flanor 1826-1888

Door F.L. Bastet



illustratie
C. Vosmaer. Foto: M. Verveer.

Menigen ochtend zat ik aan den voet van een der groote kasten in de boeken te snuffelen, nu eens tot over de ooren verdiept in stoute daden of avontuurlijke reizen en ontdekkingen, dan weder als een vlinder op de bloemen, her- en derwaarts, van het eene boek op het andere vallende.’ Zo beschreef Carel Vosmaer zichzelf als kind. Veelzijdige belangstelling heeft hem altijd gekenmerkt. Zijn publikaties bestrijken vrijwel het gehele culturele en sociale leven van de negentiende eeuw, met duidelijke accenten op beeldende kunsten en literatuur.

Opgegroeid in een liberaal en anticlericaal vrijmetselaarsmilieu, had hij al vroeg belangstelling voor denkers als Strauss en Voltaire. Na de rechtenstudie te Leiden werd hij Substituut-griffier bij het Gerechtshof te Den Haag en schreef in dat zelfde jaar een beginselverklaring met Eene Studie over het Schoone in de Kunst (1856). Zijn stelregel ‘er is geen andere ware godsdienst dan de cultus van het schoone’ - een fundamentele studie over Rembrandt (1863) toont ons hem in een dienende functie daarvan - maakte hem tot voorloper van de Tachtigers. Van 1865 af was hij de onbetwiste leider van De Nederlandsche Spectator, waarin hij naast de rubriek Vlugmaren (door ‘Flanor’) vele andere opstellen publiceerde, ten dele gebundeld als Vogels van Diverse Pluimage (1872-1874, 3 dln.), graag gelezen artikelen van een flonkerende eruditie. Vosmaer, die zich weldra geheel aan de letteren kon wijden, heeft zich na een romantische jeugdperiode al spoedig tot het Klassicisme bekeerd. Voor Homerus en Horatius vooral had hij grote bewondering. Hij vertaalde de Ilias (1880) en de Odyssee (1888) en beschreef in hexameters een reis naar de Elgin Marbles te Londen (Londinias, 1873). Zijn hoogste streven was de zeer gelijkmoedige maar tevens vrijmoedige geestesgesteldheid van de stoïcijn. Het begrip ‘aequus animus’ staat centraal in de roman Amazone (1880), geschreven na een Italiaanse reis en waarin hij naast Horatius ook Lourens (vanaf 1873: Lawrence) Alma Tadema (1836-1912), de feministe Mina Kruseman (1839-1922) en zichzelf op moralistische wijze ten tonele voert. Daarnaast beleed hij in Een Zaaier (1874; eerder verschenen in Het Vaderland, waar hij ook aan meewerkte, zoals bovendien aan de Kunstkronijk) zijn bewondering voor zijn vriend Multatuli. Bij diens huwelijk met Mimi was Vosmaer getuige.

Als dichter is hij vrijwel vergeten (Gedichten, 1887). Zijn Nanno (1883) werd later door Van Deyssel vergeleken met ‘een wel aardig beschil-

illustratie
Honorarium voor een bijdrage van C. Vosmaer aan het tijdschrift Nederland, december 1856.

[p. 105]

vlugmaren
Er worden jaarlijks vele millioenen besteed om een wild, vreemd volk te dwingen tot de erkentenis dat de staat en het volk der Nederlanden hun heer is, en die krijg in Atjeh brengt aan onze geldzaken eenen gevoeligen knak toe. Er worden ook millioenen geschonken aan de diplomatie, aan het zeewezen, aan nationale feesten of herinneringen. Er worden tonnen gegeven om nationale gedenkteekens en kunst en nijverheid op te houden. Millioenen moeten worden bijeengebracht voor het leger dat ons volksbestaan zal verdedigen. In gebeden en toasten, in kerk en school, in recht- en raadzaal wordt geijverd voor onze dynastie, voor ons volk, ons land, en ‘Gods zegen’ wordt er in troonredenen voor gevraagd.
Men zou dus daaruit afleiden dat er volk, vertegen woordiging en regeering aan gelegen was, dat Nederland blijft bestaan in de wereld.
Hoe kan men dan zoo kortzichtig zijn van niet te bevroeden dat in de taal een van de hechtste, misschien de hechtste, waarborg ligt tegen het verzwakken en vergaan van de nationaliteit? Dat dit middel bestaat in het beoefenen, bestudeeren, bewaren, verzamelen van de schatten onzer taal? O, in abstracto geeft men dit ook geredelijk toe. Maar nauwelijks zal men na het gezegde het woord Woordenboek der nederlandsche taal lezen, of daar roept er al een
Parturiunt montes, nascitur ridiculus mus!
Neen, dit is niet belachelijk. Niet enkel de taal is gansch het volk, niet enkel onze taal het beste bolwerk tegen verlies van nationaliteit. Maar eene zuivere, echte, nederlandsche taal, eene wetenschappelijk doorgronde, historiesch verklaarde taal. En deze vindt gij in het woordenboek. Zeer juist verklaarde dan ook de duitsche rijksdag, dat het duitsche woordenboek, door de Grimm's gesticht, eene Reichsangelegenheit is. Bij ons daarentegen is het woordenboek met kinderachtigen spot van onkundigen of boozen vervolgd en ten vorigen jare heeft de regeering de toelage voor dat woordenboek geschrapt.
Wat, zei de minister, hebben wij nu voor ƒ26 000 ontvangen? Eenige afleveringen, en noch geen enkele letter voltooid.
Men is bij ons altijd zeer spoedig gereed bijval te betoonen, als eene groote zaak, waarvoor men wat idealisme en warmte moet hebben, bespot wordt. Moeilijk is het daarentegen wat warmte te wekken ten voordeele van eene zaak die niet onmiddellijk praktiesch is.
Intusschen wat beduidt dat ellendige sommetje! Voor eene saamgelapte, ter helft nieuwe, antieke kamerbetimmering, gaf men ƒ10,000; voor het verknoeien van de groote zaal op het Binnenhof tonnen; de prullerige ornamentjes van het justitiegebouw kosten tonnen; het aanstaande museum te Amsterdam sleept maar een millioen meer dan de raming mede; de poppen met nationale kleederdrachten op de parijsche tentoonstelling hebben 8 of 10 duizend gulden gekost. Ja, éen doode Atjinees kost meer dan de heele toelage aan het woordenboek.
Eén van de ‘Vlugmaren’ van Flanor (pseudoniem van C. Vosmaer), in De Nederlandsche Spectator, 4 oktober 1879.
derd porceleinen theekopje’. Belangrijker waren zijn artikelen over beeldende kunst, verzameld in bundels als Onze Hedendaagsche Schilders (1881-1882) en Moderne Kunst in Nederland (1883-1887). Ook voor jonge schrijvers heeft hij veel gedaan, onder andere door in de Spectator plaats af te staan voor Emants, Perk, Kloos, Paap, Verwey, Van Eeden, Prins en Couperus. Het grote talent van de laatste heeft hij vroegtijdig herkend. In 1885 verwelkomde Vosmaer de geboorte van De Nieuwe Gids met het door De Gids uitgesproken rijmpje: Welkom, lieve kleine zus, / Welkom in het leven; / Baker, mag ik niet een kus / Aan mijn zusje geven? De daarbij afgebeelde tekening was één uit vele die hij voor het tijdschrift telkens weer gemaakt heeft. Te lang is Vosmaer beschouwd door de ogen van de Tachtigers. Het is Vosmaer geweest die de jonge Jacques Perk gelanceerd heeft, al heeft Kloos deze later

[p. 106]

vrijwel voor zich opgeëist. De aard der ontwikkeling van De Nieuwe Gids heeft Vosmaer niet gewaardeerd. Maar met zijn dood (1888 te Territet, Zwitserland) was zijn eigen tijd tevens ook een afgesloten cultuurperiode.



illustratie
C. Vosmaer aan S. van Witsen, uit Napels, 26 mei 1873. De illustratie is van C. Vosmaer zelf.

Napels, 26 Mei 73 // Waarde vriend ik zou u uit / Rome schrijven, volgens belofte, maar / de tijd is altijd zoo zeer bezet, of / als er tijd is, heeft men rust noodig, / en zoo was er geene gelegenheid voor. / Maar nu wil ik u toch iets laten / hooren uit het heerlijke land, waar / wij zijn. Wij waren 14 dagen in / Rome en zyn morgen al 14 dagen / in Napels - zoo vliegt de tijd. Hier / genieten wij zeer van het gezelschap / van mijn zoon, die dagelyks bij ons is / en eet en met ons uitgaat. Wij doen / prachtige tochten; gisteren o.a. naar / Salerno, Amalfi en Paestum; het / weder is heerlijk, lekker warm, zonder / dat de hitte te sterk is; dikwijls / spreken wij over u en hoe gy hier / genieten zoudt en hoe oneindig veel / schoons gy zoudt opmerken. Ik heb / het een en ander geteekend en een studie / geschilderd, maar meest erbarmelijk /
[p.2] geknoeid; alleen / gister in Paestum / heb ik een paar ordentelyke / schetsen geteekend met potlood, waar / mede ik het best te recht kan. Wij / wonen hier in het Hotel Brittannique / boven den berg, met een uitzicht... / waarvan u deze schets een flauw idee / kan geven; en dan wisselt dat alles /
[p.3] elk uur in kleur en toon, beurte- / lings fijn, beurtelings sterk en / kleurig, - maar altyd harmoniesch. / Alles is hier in Italië harmoniesch, / dat maakt het schoone, het onvergelijkelyke / ervan uit. - Soms schynt de maan /
[p.4] over dit alles; rood komt hij op / en is later goudgeel. Als ik in myn / bed leg, zie ik hem juist over de / golf van Napels schijnen! / Vraag aan Nyhoff een Spect: met / de Vlugmaren, die u noch het een en / ander zullen berichten van wat ik / deed en zag. Het is ongeloofelijk / zooveel schoons van allerlei aard / wij zien; nu eens in landschap, dan / in kunst; dit land is onuit- / puttelyk en overgelijkelijk. / Veel zal ik te vertellen hebben / als wij weer eens samen bij een / kopje thee zitten. Ons aller / gezondheid is goed; vrouw en / dochter genieten ook zeer veel. / Weet wel mevrouw en dochter / hartelyk gegroet, ook van mijne / vrouw en dochter en zoon en / geloof mij steeds // Uw toegenegen vriend / C. Vosmaer

Overig werk

Jongensrampen (1852), Het stadhuis te 's-Hage (1859), Eenige schetsen (1860), Het nationaal gedenkteeken van Neerlands herstelling (1864), Vlugmaren (1879-1883, 3 dln.), Over kunst (1882), Inwijding; nagelaten werk (1888), De briefwisseling Vosmaer-Perk (1938), De briefwisseling Vosmaer-Kloos (1939).

prepostterug  begin  verder