
Affiche (1918) voor de opvoering van Arthur van Schendels toneelspel Pandorra. De opvoering vond geen doorgang. Pandorra verscheen in 1919 in boekvorm.
Ontwerp: Jan Toorop.

Rijmprent (1938) met een gedicht door P.N. van Eyck. Houtsnede: Nico Bulder.

Begin van De opdracht (1930) door Aart van der Leeuw. Bandontwerp en typografie: J.B. Heukelom.

A. Roland Holst, 1948. Door A.C. Willink. (Bruikleen Rijksdienst Beeldende Kunst)

Rijmprent (1926) met een gedicht door J. Greshoff. Houtsnede: J. Franken Pzn.

Begin van Deirdre en de zonen van Usnach (1920) door A. Roland Holst. Houtsnede: B. Essers. Titel en initiaal getekend door J. van Krimpen.

Begin van J.H. Leopolds gedicht Cheops (1916). Uitgegeven door P.N. van Eyck en gedrukt door J.F. van Royen in de bibliofiele reeks De Zilverdistel, als eerste boek voor de Vereeniging der Vijftig. Titel en initialen getekend door S.H. de Roos.

Frans Coenen Jr., 1894. Door F. Hart Nibbrig.

Voorzijde prentbriefkaart. Van l. naar r.: A.A.M. Stols (1900-1973), uitgever en typograaf, J.C. Bloem en E. du Perron.
den WelEdGeb. Heer A. Roland / Holst / RK Leekenverpleeging. / Hilversum / Nederland // Beste Jani, Het is heusch niet / zoo ernstig als we er op staan. / Maar het duurde zoo lang voor Jacques stilstond. Bovendien / moesten we alle drie een ontzet- / tende lachbui inhouden. Wat / ons natuurlijk een heel ernstig / aangelaat bezorgde. // Het verblijf van Jacques hier / was heel gezellig. Gisteren is / hij weer vertrokken, vol hoop / op de toekomst in De Lemmer. / Eddy verdeelt z'n tijd tusschen / Gistoux en Brussel. Binnen- / kort zal ik je antwoorden op / je laatste brief. // Hartelijke groeten / tt / Sander
Tekst op de achterzijde van de prentbriefkaart, door A.A.M. Stols toegezonden aan A. Roland Holst, mei 1928.

Begin van J.A. dèr Mouws 114 strofen tellende gedicht ‘Jehova's uitvaart’, opgenomen in de kort na de dood van de dichter verschenen bundel Brahman I (1919).
Brahman // I // Jehova's Uitvaart. // Mijn Brahman, Wereldvuur, waaruit mijn ziel / En Sirius opvonkt, verre lichtverwant, / O rustend' as van went'lend wereldwiel, // Van gouden wiel om as van diamant: / U zocht ik, neen, U vond ik reeds als kind, / Toen 'k stond, zalig, op nacht'lijk heideland, // En 'k zag den Melkweg, schemerlichtend lint, / Dat om de wereldbloemen van 't Heelal / In gratievolle majesteit zich windt; // En 'k zag, hoe soms uit donkerblauw Kristal / Een bloemkelk losgleed van onzichtb'ren steel, / Geritselloos, in zwevend lichten val. - // Toen zag ik 't rouwgordijn van zwart fluweel; / Statig dalend langs wand van wereldzaal / Aan somber trotsch' agrafen van juweel; // En, door den Koepel dreund' een vreemd choraal; / En 'k zag in hooge monnikspij den Nacht / Staan, reusachtig, van 't bidsnoer, kraal na kraal // Schuivend bij 't prev'len meteorenpracht. / Naast katafalk van toch gestorven God / Hield strakk' Oneindigheid de doodenwacht. [...]

Ina Boudier-Bakker.