
J. van Oudshoorn (pseudoniem van J.K. Feijlbrief) en Marie Feijlbrief-Teichner aan de Oostzee bij Binz, op het Oostduitse eiland Rügen, augustus 1923.
Over de vervreemding als existentiële ervaring is in onze literatuur zelden zo indringend geschreven als door de lange tijd vergeten en thans herontdekte J. van Oudshoorn. Het is typerend voor zijn verhouding tot de samenleving, dat deze auteur jarenlang zijn pseudoniem wist te bewaren zonder dat zijn tijdgenoten tijdens en na de Eerste Wereldoorlog wisten wie hij was.
Opgegroeid in een klein Haags beambtengezin, werd hij zelf ambtenaar bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Sedert februari 1905 werkte hij bij het gezantschap in Berlijn op de kanselarij, vanaf 1911 als eerste kanselier, later als directeur, tot hij per 1 maart 1933 voortijdig werd ontslagen en terugkeerde naar zijn geboortestad Den Haag. Met zijn Duitse vrouw leefde hij daar, ondanks de grote waardering die zijn romans en verhalen in de kritiek van de jaren '10 en '20 hadden gekregen, in volslagen anonimiteit.
Dat de jonge W.F. Hermans hem, kort voor zijn dood in 1951, bezocht, was geen toeval: Hermans meende in het werk van deze auteur veel te herkennen van de genadeloze eerlijkheid waarmee ook hijzelf de niet zo rooskleurige werkelijkheid beschreef.
Er zijn redenen om aan te nemen dat Van Oudshoorns schrijverschap zich ontwikkelde tijdens de eerste jaren van zijn Berlijnse periode, toen hij correspondeerde met zijn vriend Janus Schmitt, kanselier in Stockholm. Van het postuum uitgegeven Het Onuitsprekelijke (1968) verschenen in 1920-1923 delen in Groot Nederland.
Toen had hij al zijn romans Willem Mertens' levensspiegel (1914), Louteringen (1916), het toneelstuk Zondag (1919) en verschillende van de Verhalen (1921) gepubliceerd. Zouden nog volgen: de romans Tobias en de dood (1925), In memoriam (1930) en Achter groene horren (1943) en de novellen Laatste dagen (1927), Pinksteren (1929), De fantast
Hooggeachte Heer Coenen,
Met de meeste belangstelling heb ik Uw studie over de 80er beweging gevolgd. Vooral deed het me goed, dat U Aletrino nog eens behandelde. Hoe moeten de menschen van toen toch anders zijn geweest, dat zij een schrijver als hij was nog ‘überhaupt’ lazen. Want de tegenwoordige menschen zouden er toch geen vinger naar uitsteken. Dat was toch wel litteratuur, wat hij gaf, doorvoeld tot in het bloed. Ik heb maar weinig van hem gelezen en nooit meer, voor zoover ik weet, herlezen. Maar een schets van een Duitsche liefde-zuster, die in Holland heimwee krijgt is me onvergetelijk gebleven. Zoo zelf levend, dat - evenals op een hoogtepunt in Uw zwakke - men niet weet of uit genot of verdriet de tranen naar de oogen komen. Maar vooral voor mij interessant was Uwe beschouwing, omdat daar een punt in ter sprake komt, waar ik de laatste tijd bij voortduring mijn aandacht op gevestigd had. Nl. dat het eenzaamheids- en ellendigheidsgevoel van een die alleen tusschen raadselen gaat ten slotte voor het begrip wijken moet en den eenling zich op den duur als zoodanig wel handhaven kan zonder ongelukkig te zijn. Dat de hater van het leven in een minnaar ervan over kan slaan, zoodra hij niet meer woedend is, omdat het leven, op zich zelf een totale onbegrijpelijkheid, op de koop toe nog in den dood verloopt. Maar dan pas alleen kan hij daarom niet meer woedend zijn, wanneer hij den dood als levens-factum onderkend heeft. Maar daartoe moet men zich wat moeite met de studie van logica eerst gegeven hebben, hoewel men ‘gefühlsmässig’ den dood ook wel benaderen kon bv. zeggen we als het hoogste spanningsmoment in een verhaal, waarbij dan ook het gevoel van den medevoelenden lezer breekt. Zoo ongeveer. Om niet te veel af te dwalen, ook ik geloof, dat die onlust, moge zij ook tot goede expressie voeren, een beginstadium van het leven is, waar men dus uit dient te komen en liefst zonder litterair impotent te worden.
J. van Oudshoorn aan Frans Coenen Jr., Berlijn, 13 juni 1923.

Begin van het eerste hoofdstuk van de roman Willem Mertens' levensspiegel (1914), door J. van Oudshoorn.
Inleiding // I. Voorboden. // Hij draalde aan de glazen-als- / winkeldeur. De winkel zelf was / opzij en in het pas-geschrobde / marmeren voorportaaltje met / den vermanenden voetveeg, / was aan een blank-gepoetste fonkelende [(?)] kraan vooral het behoedzame / koperen emmertje van eene / afschrikkende degelijkheid. / Maar achter in den langen / half-donkeren gang lokte een / kier huiskamerlicht, ook / waarde een schaduw aan en / schaamtig zoo besluiteloos / betrapt te worden, opende hij / de deur. De dochter, die hem / al herkend had, liep terug, / beduidend hem de huiskamer / in te gaan. Hij klopte, trad /(1948) en het postume Bezwaarlijk verblijf (1965).
[p.3] naar binnen en trof niemand / aan. [...]
Al deze werken zijn variaties op hetzelfde thema van Van Oudshoorn die in feite telkens, zoals de biografie die in 1982 verscheen laat zien, getuigen van de frustraties in het leven van Jan Koos Feijlbrief. Diens verlangen naar het geliefde nichtje uit zijn jeugdjaren, diens schuldgevoelens vanwege de zelfbevrediging en de vervreemding die daarmee steeds opnieuw gepaard ging, diens ervaringen van de eenzaamheid, dikwijls ongewenst verkregen, soms en tenslotte zelf verkozen in samenhang met a-seksualiteit, dat zijn de impulsen voor dit in bedwongen emotionaliteit geschreven werk.
Hij verachtte zichzelf. Van zijn eerste roman tot zijn postuum verschenen novelle ging hij telkens opnieuw na hoe het zo gekomen was - deze teleurstelling, deze nederlaag, de afwezigheid van een stimulerende menselijke relatie. Hij speurde daarbij - zie zijn natuurbeschrijvingen, zie de beschrijving van enkele sterke vrouwenfiguren in Het onuitsprekelijke, Pinksteren, Laatste dagen en ander werk - naar het licht aan het einde van de tunnel. Hij vond hier en daar de toegang tot de mystiek van de leegte: in Laatste dagen, in Bezwaarlijk verblijf.
Al heeft Van Oudshoorn tijdens zijn leven voor zijn bijzondere stijl en de inhoud van zijn romans, verhalen en een toneelstuk Zondag (1919) veel waardering in de literaire kritiek gekregen, pas na zijn dood is zijn werk gaan behoren tot de canon van literaire werken die het beeld van het proza van deze eeuw bepalen. Hierin wordt hem door sommigen een plaats op Europees niveau toegekend. De opvoering van zijn toneelstuk Zondag door Globe in 1979 was een toneeldaad van de eerste orde.
Doolhof der zinnen (1950, verzamelbundel), Verzamelde werken (1968-1974; 2 dln.), Paraphrase (1973), Galant avontuur (1979), Jeugd (1982, bloemlezing).