terug  begin  verderprepost
[p. 175]

Aart van der Leeuw 1876-1931

Door H.A. Wage



illustratie
Aart van der Leeuw, mei 1899.

Het aardsche paradijs (1927) is de laatste poëziebundel die Aart van der Leeuw gepubliceerd heeft. Het was tegelijkertijd zijn rijpste verzameling. Van vlucht in een gedroomde wereld was het tot een aanvaarding van de werkelijkheid gekomen zonder dat de dichter aan de droom verzaakt had. Het leed had hem langs die weg geleid zoals uit ‘De herdersstaf’ blijkt en de zo gewonnen vrede laat hem vragen:

 
Geef, dat de hof van Eden
 
In deze streek herbloeit.

De pure zintuiglijkheid had hij ook in zijn jongere jaren toen hij in 't spoor der Tachtigers het ‘l'art pour l'art’ verdedigde, nooit geprezen, maar de schoonheid van klank en kleur boeide hem in natuur en kunst. Ook hij met zijn verlangen naar harmonie en vrede, werd door de ‘storm der geslachtelijke rijping’ uit een nog ongestoord ‘Kinderland’ verdreven en in het conflict tussen geest en zinnen gestort. Heimwee bevangt hem zoals hij dit in ‘Faunus’ verbeeldt, die van zijn diergestalte gruwt en hunkert naar een harmonisch leven ‘voorbij de wolken’. Van het geluk in schoonheid is alleen te dromen blijkbaar. De behoefte daaraan beheer-

illustratie
Gedicht door Aart van der Leeuw, opgenomen in zijn debuutbundel Liederen en balladen (1911).

Slapend kind // Kom mijn kind, de dag gaat ook; / Zie haar afscheid wuift ze al ginder, / In den tuin zijn bloem en vlinder / Als de nachtlamp en haar rook. / Kom mijn kind, de dag gaat ook. // Stil hij is den dag al voor, / En hij sluimert volgedronken, / Moegedroomd en blindgeblonken, / In oneindig niets teloor, / Rustig bij mijn woorden door. // Wonder, wat wordt de avond zwart! / Langzaam, langzaam moet ik stijgen / Langs de trappen, zelfs niet hijgen / Met dit hoofdjen aan mijn hart, / Tot waar zacht de sponde mart. // Ach, want als hij wakkerschrikt / Uit dat land van klank en kleuren / En hij ziet den nacht hier treuren, / Weet ik dat hij uren snikt... / Stram mijn knie, dat gij niet knikt!
ste Van der Leeuws creativiteit en de voornaamste factor daarin: de verbeelding. Het verstand dat in dienst van deze laatste functioneerde en haar tevens kon beteugelen om tot evenwichtte geraken, mocht niet uitschieten tot een ‘verkillend overbewustzijn’ dat de begeerde harmonie even sterk bedreigde als de zinnelijke oververhitting.

De droom voert hem in verhalen en romans naar vroegere werelden

[p. 176]

Ik houd er van, om in een bloemruiker een distel te steken, of op een fruitschaal tusschen de vruchten een schubbigen sparappel te leggen. Daarom had ik in het huis, waar voor de liefde betaald wordt, den gebochelden muzikant, die zooeven, als uit den hemel gevallen, voor mijn stilhoudenden draagstoel stond, en mij behulpzaam is geweest bij het uitstijgen, mee naar binnen genomen.
In de feestzaal waren alle kaarsen aangestoken, en deden hun lichtjes in het kristal van de spiegels, in de juweelen van kapsels, keurzen en de gevesten der degens weertintelen. Vijf vrienden, vijf vrouwen. De komst van mijn speelman werd met handgeklap en gejubel begroet. ‘Het is maar gemakkelijk,’ werd er geroepen, ‘om je vioolkist aan je vastgegroeid bij je te dragen, zoodat er geen kans is, dat je hem ooit zult vergeten,’ en een ander vroeg hem, of hij op het hoofd kon staan als de nar van den koning. Lachend zette hij zich op een lage taboeret in een hoek van de kamer, en stemde zijn gitaar.
Ik schudde de kaarten. Ik zou de bank houden. De winst moest ons, den bezoekers, in kussen worden uitgeteld, ons verlies zou betaald worden in gouden dukaten.
Wij lieten den muzikant van den wijn brengen, en wierpen hem, zooals je een hond een brok geeft van den maaltijd, af en toe een geldstuk voor de voeten. Daarvoor zong hij met een heesch geluid de gebruikelijke liedjes, ze op zijn instrument begeleidend. Sommigen neurieden het refrein mee, anderen riepen kwinkslagen, of namen schaterend de bestraffing in ontvangst voor hun vrijpostigheden. Somtijds, plotseling, viel een stilte in, zoo een, die je weemoedig maakt en verlegen, en waarbij vergeten dingen in je herinnering komen: een groene bank onder een linde, kinderen, en het jubelend roepen van je naam in de verte. Wij schertsten dit weg, of we een lastig insect van ons afsloegen.
Begin van ‘Hoofdstuk 1. Wat handelt over de vreugden van een edelman en over een gebochelden toovenaar’ uit Ik en mijn speelman door Aart van der Leeuw (zevende druk, 1933; eerste druk, 1927).
waarin de verbeelding meer speelruimte heeft. In Vluchtige begroetingen (1925) vertelt hij van het kind dat in de dierentuin alle hokken voorbij gaat om dat van de eenhoorn te vinden. En de verteller zelf haast zich elke morgen naar de verwaarloosde tuin van een oud buiten ‘waar de droomen tot werkelijkheid worden’. Dan gebeurt het wonder waarnaar ook dat kind verlangde, als hij de gestalten uit vergane eeuwen ontmoet en hen begroet als oude vertrouwden.

In hetzelfde jaar van zijn laatste bundel verscheen Ik en mijn speelman (1927) waarin de verbeelding nog eenmaal onbeperkt heerst. De achttiende-eeuwse jonge edelman, Claude de Lingendres trekt met de gitaarspeler Valentijn door het land. Hij is op de vlucht voor een hem opgelegd huwelijk, de speelman is een zwerver van nature. Waarheen? Naar een gedroomde stad, die zekere overeenkomsten toont met het boek der Openbaring, waarin de harmonie hersteld zal zijn. Valentijn herinnert ook aan die, welke zij verloren hebben: ‘...wij wonen korter dan de dieren in het paradijs’. Onder de vervoering van de muziek voltrekt zich het lot dat de twee voor elkaar bestemden als twee gelieven gelukkig maakt! Een laatste droom of een nadering tot de werkelijkheid?

De kleine Rudolf (1930) gaat in deze richting. Het is 't verhaal van een dwerg die zichzelf als realiteit leert aanvaarden, zonder die blik te verliezen die schoonheid schept om de dagelijkse dingen en gebeurtenissen. En deze winnen daarbij zonder hun werkelijkheid prijs te geven: ‘Ik wil toegeven, dat het mijne er rijp voor is om onbewoonbaar verklaard te worden’, moet Rudolf van het sous-terrain dat zijn huis wordt, zeggen, ‘maar toch is het een haven’. En in dit beeld zijn droom en realiteit toegedekt onder: ‘ach god, een verwachting’.

Overig werk

Liederen en balladen (1911), Kinderland (1914), Herscheppingen (1916), Sint-Veit en andere vertellingen (1919), De mythe van een jeugd (1921), Opvluchten (1922), De gezegenden (1923), De zwerftochten van Odysseus (1926), De opdracht (1930), Verspreid proza (1932), Die van hun leven vertelden (1934), Vertellingen (1935), Verhalende schetsen (1944; verzamelbundel), Momenten van schoonheid en bezinning (1947), Verzamelde gedichten (1950), Verhalen en verzen (1951, bloemlezing), De opdracht, Miniaturen, Vertumnus (1951), Bloemlezing uit zijn gedichten (1956), Betovering (1966, bloemlezing), Najaar (1973), De briefwisseling tussen P.N. van Eyck en Aart van der Leeuw (1973).

prepostterug  begin  verder