terug  begin  verderprepost
[p. 199]

Geerten Gossaert 1884-1958

Door Hans Werkman



illustratie
Geerten Gossaert op drieëndertigjarige leeftijd, 10 mei 1917.

Het had weinig gescheeld of Geerten Gossaert (ps. van F.C. Gerretson) had meer dan één bundel gedichten gepubliceerd. In 1905 wilde hij bij Van Dishoeck ruim honderd sonnetten uitgeven die onder invloed van de Tachtigers ontstaan waren. Het ging niet door; waarschijnlijk heeft de dichter ze zelf vernietigd. Gossaert blijft de dichter van de éne befaamde bundel Experimenten (1911). Hij verwierp het estheticisme en de neologismenmode van de Tachtigers en wendde zich naar het verleden, naar Bilderdijk, Da Costa, Gezelle, Swinburne (1837-1909). ‘Ook in de poëzie schijnt mij een welbegrepen en zuiver gebruik der klassieke beelden verre te verkiezen boven het thans in zwang zijnde tot elke prijs opjagen van nieuwe beelden.’ Hij hanteerde vele oude naamvalsvormen, schreef bijbelse taal: ‘Hij sprak en zeide’, en spelde: ‘sints’ en ‘ontfangen’. In deze experimenten (de titel van zijn bundel!) met de ‘bezielde retoriek’ wilde hij de felle hartstocht, die de grondslag van zijn poëzie vormt, bedwingen d.m.v. een beheerste techniek.

Gossaert behoorde, met o.m. A. Roland Holst en Bloem, tot de generatie van 1910, die behalve een traditionele vormgeving vooral het verlangen als kenmerk had. In ‘De Boulevardier’ vliegt een zwaluw zijn nest uit dat in een kerkje gebouwd is. De boulevardier reageert:

 
Hij merkt het en herkent, - o, raaklings langs zijn wangen! -
 
Den snellen vleugelslag van het gedroomd geluk...
 
En voelt in 't hart den klauw van 't ongetemd verlangen,
 
En kreunt, en balt zijn vuiste', en bijt zijn lippen stuk!

In ‘De verloren zoon’ keert de zoon verlangend terug naar het vaderhuis en zegt in zijn dankgebed:

 
Ja, 'k dank U. Omdat Gij, met 's levens lust en lijden,
 
(Tweesnijdend kouterzwaard van Uw volmaakten spot)
 
De steenrots van mijn hart ten akker woudt bereiden
 
Voor 't langsaam kiemend zaad van Uwe liefde, o God!

In het Verloren-Zoon-motief zit iets autobiografisch; het herinnert aan de conflictperiode en de geloofscrisis die Gossaert meemaakte tussen

illustratie
Briefkaart van Geerten Gossaert aan P.N. van Eyck, Rotterdam, 30 april 1931.

P.N. van Eyck / 49 Russell Gardens / Golden Green / London NW //
[p.1] Amice, Dezer dagen heb ik toezegging / kunnen bemachtigen van twee bijdragen van / twee jongen lui. // 1) van Slauerhoff: een drama / Jan Pietersz. Coen. // 2) van J. Engelman: een, omgewerkte, / rede, die hij hier tijdens Geyl's verblijf / in U[trecht] in de raadskelder heeft gehouden. // Ik acht het essentieel dat wij verband leggen / met de jongeren. Daarom heb ik, - geheel /
[p.2] afgezien van de inhoud, / zeer tegemoetkomend ge- / sproken en mij - met het / openhouden van een formeel / achterdeurtje, althans / tegenover Slauerhoff wel / reeds eenigzins gebonden. / Ik kon niet anders, omdat die jongere menschen / een vreeselijk gevoelig / ponteneur hebben in dien / zin dat ze tot geen prijs een / ‘weigering’ bij ‘aanbieding’ / van Leiding riskee- / ren willen. - Schrijf me hoe / of wat en of ik mag accepteeren / althans een bedrijf Coen // Gos.
[p. 200]
De bloeiende amandeltak
 
Ik sluimerde in den bloemenhof, in 't malsche gras gelegen;
 
Toen wekte mij een zwoele geur de heuchnis van weleer...
 
En op mijn' moeden wenkbrauwboog voelde ik, vertroostend, wegen
 
Een wichtelooze vrouwehand, zacht streelend, héén en wéér.
 
 
 
En 'k stamelde in mijn droom: Waarom? Gunt gij dan geen vergéten?
 
Dit weinige, o liefste mijn, is àl wat ik begeer:
 
Eén uur van ongestoorden slaap uw goedheid niet te wéten,
 
Eén stonde niet van ú te zijn, o liefde wreed en teer!
 
 
 
Maar als ik mijnen blik ontlook ontwaarde ik slechts een venkel
 
Bezwangrend met zijn zwoelen geur de broeiende atmosfeer,
 
En over mijne leedverwoeste trekken wiegelde enkel
 
Een bloeiende amandeltak zijn schaduw, héén en wéér.
 
 
 
Gedicht door Geerten Gossaert, gebundeld in Experimenten (1911).

zijn zeventiende en drieëntwintigste jaar. Zelf heeft hij een relatie tussen zijn leven en zijn poëzie verdoezeld door de gedichten in Experimenten in niet-chronologische volgorde te plaatsen. In volgorde van ontstaan bezien vertoont zijn poëzie echter een belangrijke wending, nl. van het ‘diepverdoemd bestaan’ naar het beminnen van het door God gegeven leven, zoals dit bijv. blijkt uit ‘Clematis’. De wending moet zich omstreeks 1906 hebben voltrokken. Na 1912 nam zijn dichterlijke produktiviteit sterk af, na 1916 zweeg hij als dichter bijna geheel, waarschijnlijk omdat hij vastliep in de klassieke traditie.

Als prozaïst zette Gerretson zijn literaire werk voort. Hij schreef de Geschiedenis der ‘Koninklijke’ (1932-1942, 3 dln.) en historische en politieke essays. Vanaf 1925 tot 1954 was hij hoogleraar in de geschiedenis, van 1951 tot 1956 lid van de Eerste Kamer voor de CHU. In 1950 ontving hij voor zijn totale oeuvre de Constantijn Huygensprijs.



illustratie
Geerten Gossaert bij een portret, dat Sierk Schröder van hem maakte.

Keuze uit het overig werk

Plato's Charomides (1906), Prolegomena der sociologie (1911), Swinburne (1911), Nederlandsche gedachten (1915-1919, 2 dln.), De historische vorming van den bestuursambtenaar (1925), Indië onder dictatuur (1946), Coens eerherstel (1944), Essays (1947), Om koninkrijk en constitutie (1948), De rijksgedachte (1954), Amsterdam hoofdstad (1955), Verzamelde werken (1973-1976, 6 dln.), Geerten Gossaert-F.C. Gerretson; experimenten in poëzie en proza (1979, bloemlezing), Briefwisseling Gerretson-Geyl (1979-1980, 5 dln.), Briefwisseling Gerretson-Van Eyck (1984).

prepostterug  begin  verder