
M. Nijhoff rond 1949 in de tuin van zijn huis aan de Kleine Kazernestraat te Den Haag. Foto: W.S. Nijhoff.
‘Mijn eenzaam leven wandelt in de straten’: met deze openingsregel van Martinus Nijhoffs eerste bundel De wandelaar (1916) deed de depersonalisatie haar intrede in de Nederlandse literatuur. Deze vervreemding van het eigen Ik wordt door Nijhoff bestreden met een mengsel van decadentie en strakke ordening, en vooral dit laatste element maakt hem tot de meest vorm-bewuste dichter van de periode tussen beide wereldoorlogen.
Telg van een befaamd uitgeversgeslacht bezocht Martinus Nijhoff (‘Pom’ voor enkele vrienden) het Haagse gymnasium aan de Laan van Meerdervoort, waar Victor van Vriesland een maand of drie als toehoorder de schoolbank met hem deelde. Hij studeerde rechten in Leiden en later, in de jaren dertig, Nederlands in Utrecht. De Eerste Wereldoorlog bracht hij grotendeels gemobiliseerd als officier in Brabant door, tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte hij in de Meidagen licht gewond. Hij trouwde betrekkelijk jong, hertrouwde in 1952 met de bekende voordrachtskunstenares Georgette Hagedoorn (geb. 1916), maar stierf nog geen jaar later aan een hartaanval.
De ontreddering die in De wandelaar sprak uit zulke regels als: ‘De nacht is boven mij een geel gat, en de / Vloer is het stenen deksel van een graf’ werd in de macabere dialoog Pierrot aan de lantaarn (1919), die in het zelfde jaar dat de eerste bundel uitkwam in Goirle werd geschreven, nog scherper geaccentueerd. In deze eerste, opzienbarende, proeven van dichtkunst is de nawerking van de grote Franse ‘poètes maudits’ Verlaine en vooral Baudelaire soms duidelijk te bespeuren. Is nu Martinus Nijhoff bij uitstek vertegenwoordiger van het moderne levensgevoel, in zijn vormgeving is hij bepaald niet als modernist te bestempelen. Met de avant-garde van de Nederlandse letterkunde heeft hij weinig of geen contact gezocht. Aan Het Getij, het blad der jongeren, heeft hij eens, klaarblijkelijk met tegenzin, een paar gedichten afgestaan; zijn eigenlijk tehuis was echter eerst De Beweging van Albert Verwey en later De Gids, waarvan hij zelf een tijdlang redacteur was.
In Nijhoffs tweede bundel, die de veelzeggende titel Vormen (1924) draagt, stijgt zijn kunstvaardigheid tot grote hoogte. Het innerlijk conflict, zo sterk aanwezig in De wandelaar, heeft plaats gemaakt voor een

M. Nijhoff met zijn eerste vrouw A.H. Nijhoff-Wind (1897-1971), schrijfster van o.a. de roman Twee meisjes en ik (1931), te St. Moritz in 1933.

M. Nijhoff aan Constant van Wessem, redacteur van Het Getij. Nijhoff citeert in de brief regelmatig uit bijdragen van Herman van den Bergh aan het januari-nummer van het tijdschrift.
Laren 31 Jan. 1918. / motto: ‘...die in gemoede anders / denkt, vergeve ons deze / insinuatie.’ / (H.v.d. Bergh)bijna klassieke bezinning, althans in ieder gedicht afzonderlijk. Beziet men de bundel als geheel, dan wordt een grondschema herkenbaar waarin de gespletenheid overheerst. Aan de architectonische opbouw van zijn bundel heeft Nijhoff, ook hier in navolging van Baudelaire, grote aandacht geschonken. Over zijn idee van de eigen vormkracht van het gedicht spreekt de formalist Nijhoff zich uit in ‘Het stenen kindje’, waarin een stenen beeldje zich van zijn sokkel vrijmaakt en zelfstandig op de dichter toekomt, die het kindje als zijn zoon erkent, als een ‘woord ongeschreven’ dat dank zij de verloskundige dichter het levenslicht aanschouwen kan.
Geachte Heer- / U heeft mij verzocht een bijdrage te / geven voor het Februari-nummer van ‘Het / Getij’. Ik vond het echter geraden te wachten / tot ik het Januari-no onder oogen had gehad. / Vanmorgen ontving ik het. Geachte Heer van / Wessem, wat beteekent die band? Wàt beteekent / die band! // Geachte Heer v. Wessem, ik ben echtgenoot / en vader en niet pro-Duitsch. Als mijn / zoon (ik heb een jongen!) de jaren des / onderscheids bereikt en van de boom der kennis / gaat smullen - moet ik hem dan mijn verzen / voorleggen in een dergelijke ‘Zwiebelfisch’ische / band tusschen Magdaleentjes en Priapische / Verzen? En wie weet welke ‘aandachtige’ gruwelen / zich nog verschuilen voor mijn onnoozel oog / in dien bànd; dìen bànd, waarin men onmiddel- / lijkvoelt dat in schijnbaar-kinderlijke arge- / loosheid van rood en zwart en flensjeskleur.
[p.2] een krioelende wereld van dreigende allegorieën / en gierende arabesken krijgertje en blindeman- / netje speelt- // En wie verzekert mij dat niet hier en / daar des duivels zwarte huid door het / omslag breekt, die in het binnenste / allesbehalve ‘teelkrachtig’ spektakelt, / al neemt hij vooralsnog geen grooter / vervaarlijkheid aan dan (een) Lucifer? // Nee meneer van Wessem, nee mr. van Wessem, / nee meneer van Wessem! Ik moet eerst / dezekerheid hebben dat deze band / goed gemeend is, dat deze ‘virtuozen’ / ‘kobold’ niet behoort tot de ‘overtolligheden / deslands’. Anders wordt Het Getij niet / ‘deeg voor mijne vormen’. // Met de meeste hoogachting / M. Nijhoff.
Het beeldje dat zich losmaakt van zijn omgeving - dat kan ook als symbool gelden voorgedachten die Nijhoff in die tijd koestert over de functie van de taal. ‘Losgezongen van hun betekenissen,’ zo karakteriseert hij de woorden van het Wilhelmus, en daarmee eigenlijk van ieder gedicht. ‘Lees maar, er staat niet wat er staat,’ is een andere formule, die Nijhoff met name door de Forum-auteurs niet in dank werd afgenomen. Zij zagen al die losse vormen als even zo vele excuses van de dichter om zich achter fraaie arabesken te verbergen. De ‘formalistische’ Nijhoff is voor hen, dikwijls onuitgesproken, het zwarte schaap van de dichtersfamilie. Dat het tussen Nijhoff en Du Perron zelfs eens tot slaande ruzie in Améri-
cain kwam is in dit licht bezien niet alleen maar een literaire roddel. Dit alles heeft Nijhoff niet verhinderd om in Nieuwe gedichten (1934) een zeer persoonlijk evenwicht te vinden. In deze bundel staat het beroemde lied der dwaze bijen, die door ‘een geur van hoger honing’ uit hun aardse woning werden weggelOkt en daardoor in een sneeuwstorm omkomen. Nijhoff bekeert zich tot het alledaagse leven en doet afstand van bovenaardse aspiraties. In het veel-geïnterpreteerde sonnet ‘De moeder de vrouw’ komt het religieuze motief met het moeder-motief in volkomen harmonie samen:
De kritiek heeft misschien de meeste aandacht besteed aan twee langere gedichten, die eveneens in de jaren dertig verschenen, Awater (in: Nieuwe gedichten, 1934) en Het uur U (1941). Awater is het verhaal van iemand die in de banale hel van de moderne grote stad op zoek is naar een reisgenoot. Religieuze verwijzingen ontbreken ook hier niet, maar de gebeurtenissen zijn zo alledaags en de taal zo gewoon dat de spanning tussen concrete werkelijkheid en onuitgesproken streven naar hogere waarden culmineert in een visie van grandioze geheimzinnigheid. Het uur U lijkt nog eenvoudiger van uitdrukking, is misschien ook iets helderder van intentie. Een man loopt door een villawijk en confronteert de gezeten burgers met hun falend leven. Hun kinderen gaan echter vrij uit. De dode zielen steken aan het slot scherp af tegen de schoonheid van de natuur, ook al zullen wij hier op aarde dit contrast niet echt doorgronden, en wie weet ook in het hiernamaals niet: Hoe mooi anders, ach hoe mooi / zijn bloesems en bladertooi.- / Hoe mooi? De hemel weet hoe. / Maar dat is tot daaraantoe.
Als vertaler heeft Nijhoff prachtig werk geleverd. De jaarlijkse vertalers-prijzen zijn naar hem vernoemd. Euripides, Shakespeare, T.S. Eliot (bovenal diens Cocktailparty, oorspr. uitgave 1950, vert. 1951) zijn door hem met groot inlevingsvermogen vertaald.
Nijhoff, de dichter van het concrete beeld en de transcendente problematiek, groeit met de jaren nog aan gewicht.
De pen op papier (1927), De vliegende Hollander (1930), Gedachten op Dinsdag (1931), In Holland staat een huis (1936, met Anton van Duinkerken), Het uur U, gevolgd door Een idylle (1941 [i.e. 1942]), De ster van Bethlehem (1942), Het heilige hout (1950), De dag des Heren (1951), Des Heilands tuin (1951), Verzameld werk (1954-1961, 4 dln.), Lees maar, er staat niet wat er staat (1959, bloemlezing), De veelkantige criticus (1965, bloemlezing), Voor dag en dauw (1968), Een stoet van beelden zag ik langs mij gaan (1970), Ik heb vannacht zoo'n vreemden droom gehad (1976, bloemlezing).