
Constant van Wessem.
‘De man van dit éne boek’ schreef Du Perron bij de verschijning van de door Marsman ingeleide herdruk (1937, Salamander-reeks) van Celly; lessen in charleston, ‘de geschiedenis van het meisje uit de provincie dat langzaam gesloopt wordt door het bederf der moderne stad’ (eerste druk onder de titel Lessen in charleston, 1931). In zijn briefwisseling met Van Wessem had Du Perron reeds bij de eerste druk van zijn waardering blijk gegeven, hoewel hij serieuze bezwaren had tegen de titel: ‘waarom nu weer dat “modernisme” (onderscheiden van “moderniteit”) van die rotdans erbij gehaald! Constant van Wessem: Lessen in Charleston - hoera! men ziet jou al bezig lessen te geven in die negercontorsies aan een paar mondaine, of dienstbare, jongedames!’
Constant van Wessem begon zijn loopbaan in de journalistiek als muziekrecensent. In 1916 maakte hij bij toeval kennis met het pas opgerichte Het Getij, Maandschrift voor jongeren, waarvan hij redacteur en weldra de stuwende kracht werd. Hij slaagde erin, naast talentvolle jongeren als Hendrik de Vries en Herman van den Bergh, ook de medewerking te verkrijgen van Slauerhoff, over wiens bijdrage ‘Maagden’ de geëxposeerde brief aan C.J. Kelk handelt. Met de tien jaar jongere Kelk, die hij in 1918 op een Kunstenaarsreünie in Amsterdam voor het eerst ontmoette, onstond een vriendschapsband, die resulteerde in een nauwe literaire samenwerking: Lampions in den wind (1921, gedichten van Kelk en korte proza's van Frederik Chasalle) en een achttal toneelstukken. Na de ‘paleisrevolutie’ van 1922 die het einde van Het Getij betekende, was hij één der initiatiefnemers voor de oprichting van De Vrije Bladen, waarvan hij van 1924 tot 1939, slechts met onderbreking van de tweede jaargang toen Houwink en Marsman de redactie vormden, redactie-lid c.q. redactie-secretaris is geweest. Van Wessem gebruikte het pseudoniem Frederik Chasalle, een naam ontleend aan een gesneuvelde Franse officier of poilu, voor zijn toneelwerk met Kelk en zijn korte schetsen, geschreven in de trant van Gaspard de la nuit (1842) van Aloysius Bertrand (1807-1841) of geïnspireerd op het werk van Jean Cocteau, waarvan ‘Het variété varieert zichzelf’ een goed voorbeeld is. Sleutelwoorden in deze speelse genre-stukjes, gebaseerd op de ‘moderne gevoeligheid’ zijn: cabaret, music-hall, dancing, koorddanser, clown, pierrot, circus, ballerina, acrobaat, mannequin, harlekijn, deernen, negers. Samen met Kelk en Vergé (pseudoniem van J.B. Greeve, genoemd in de brief aan Kelk) vertaalde hij de guignolade Ubu roi van Jarry (1922), welk stuk in deze vertaling op 21 maart 1933 te Utrecht werd opgevoerd, waarbij, behalve Van Wessem zelf en Bloem, ook Ter Braak aanwezig was (zie diens Verzameld werk, deel 4, p. 547-549). Naar deze vertalingsarbeid verwijst Van Wessem aan het slot van zijn brief aan Kelk: Cotice is één van de drie palotins (in de Nederlandse versie Knobbel, één van de drie bordenlikkers) en ‘merdre’ is een in het stuk voorkomende krachtterm (in de Nederlandse versie ‘verrèk’ en ‘turfmolm’, die door Du Perron werden verworpen, waarop hij zelf ‘verdrek’ als vertaling gaf, Verzameld werk, deel V, p. 119-120).
Van Wessem publiceerde enige vertalingen, vies romancées over Daendels, De Ruyter, Koning Willem III en Talleyrand, en enkele boeken over bekende componisten. Bij het schrijven van de novelle Gustaaf; een idylle (in 1932 afzonderlijk verschenen, maar geschreven in 1915-1918) had hij zich laten inspireren door de muziek van de componist aan wie hij ook zijn eerste boekje wijdde: Gustav Mahler en zijn kunst (1913). Zijn Slauerhoff; een levensbeschrijving (1941), dat enige inedita en curiosa bevat, verdient een aparte vermelding. In Mijn broeders in Apollo (1941) bundelde hij zijn literaire herinneringen. De meest Prote-

Eerste druk (1931).

Een van de korte schetsen die Constant van Wessem, onder de naam Frederik Chasalle, publiceerde in De clowns en de fantasten (1924).
II. Het variété varieert zich zelf // In de circusruimte staat een Kerstklokken-toren opgesteld. / De klokken beieren. De klepels worden opeens kleine clowns, / die, drijvend op hun wijde broeken bol als gasballons, wegzweven, / zich sturend met vlerkjes groot als kinderhandjes. // Beneden staat August de Domme en slaat zich op de heupen, / en bij iederen lachgil vliegt zijn punthoed omhoog, en dan keilt hij / ten slotte zijn eigen schedeldak af, en een danseres te paard springt / er uit. Het paard rent in de rondte en de danseres balanceert op / de punt van een teen en werpt onnoozele kushandjes. En zij / gooit vloeipapieren hoepeltjes op, waardoorheen de clowntjes / zichzelf dartel als amouretten mikken en dan, buitelend, / naar omlaag zakken door de lucht. //
Maar opeens, als de laatste clown zijn mooisten / ‘doodval’ door het laatste vloeipapieren hoepeltje heeft / volbracht, als de geheele variété-wereld als volgespannen is / met de draden, waarlangs de wonderen der acrobatiek de / gestes eener geheele gemeenschap zijn geworden en de stand met / de neus op het koord de juiste stand schijnt, springt daar /
[p.2] de waanzin der fantasie de circusruimte binnen, zwiert als een / kinderballonnetje omhoog (o! o!) en strooit verwarring / onder deze menigten, die hun kunsten wegwerpen en hun / doel vergeten, zoodat het Amerikaansche film-meisje, / bezig in nacht-toilet en met een revolver een dief na te / zitten over de daken van New-York, plotseling in de / armen vliegt van dien loenschen Chinees, die zoo juist een / giftpil liet glippen in het thee-glas van de oude / Markiezin, ‘die van zijn geheim weet’. En alles wat / kan en niet kan, wil en niet wil, stoelen, tafels, / bierglazen, hoeden, klompen, pluimen, handschoenen, / couranten, sigaren, hoost, door een dans-orkaan gegrepen, de / lucht in, een wijle rondwentelend als gebonden aan een / razend snel rad en vliegt vervolgens, losgelaten, de / richting der vier windstreken uit.

Hoe moeten wij Paul's ontwaken van Frederik van Eeden eigenlijk lezen? (1914), Claude Debussy (1920), Gustav Mahler (1920), Een inleiding tot de moderne muziek (1921), De muzikale reis (1921), Een herziening der muzikale termen en hun omschrijving in verband met de ontwikkeling van het moderne muziekleven (1921), Uren met musici (1922), Charlie Chaplin (1927), Liszt (1927), Moderne Fransche musici (1928), Het musiceeren en concerteeren in den loop der tijden (1929), De komische film (1931), De ijzeren maarschalk; het leven van Daendels (1932), De vuistslag (1933), Twee verhalen (1935), 300 negerslaven (1935), Margreet vervult de wet (1936), De Ruyter (1937), Slauerhoff-herinneringen (1938), Koning stadhouder Willem III (1939), Jacht op Bonaparte (1940), Beethoven (1947), Galop- chromatique (1948).
Onder ps. Frederik Chasalle: De terugkeer van Don Juan of de Alcalà'sche moordverwarring (1924, met Kelk), De clowns en de fantasten (1924), Harlekijn (1932, met Kelk), Een huwelijk dat af- en aanging (1933, met Kelk), De fantasie-stukken van Frederik Chasalle (1932), Het kanon of de jaardag van den landvoogd (1934).