
Willem de Mérode (staande rechts) als leraar te Uithuizermeeden, 1911.
In 1939 organiseerde Klaas Heeroma een Reünie van Jong-Protestantse dichters op papier, een bloemlezing dus. Een kwart van de opgenomen gedichten was van Willem de Mérode. Hiermee werd hij terecht getypeerd als de grootste protestantse dichter tussen de twee wereldoorlogen.
Zijn debuut viel in 1911; hij kan gerekend worden tot de generatie van 1910, de dichters van het verlangen. Zijn verlangen werd gevoed door het conflict tussen geloof en erotiek. Zijn homo-erotiek was een ‘bitter-zoete overvloed’, meer bitter dan zoet, zoals in ‘Eenzamen’ uit 1911:
Vooral vanaf zijn tweede bundel De overgave (1919) schreef hij over de

Rijmprent (1937) met een gedicht door Willem de Mérode, gebundeld in De donkere bloei (1926). Houtsneden: Roeland Koning.

Gedicht door Willem de Mérode, gebundeld in De stille tuin (1933).
Mijn Zoon, geef Mij uw Hart. // De zomernacht werd zwart. / Toen, zacht en duidlijk klonk er / Een klare stem door 't donker: / Mijn zoon, geef Mij uw hart! // Ik aarzelde... verward... / Was het de wind die zoefde? / En weer zei, maar bedroefder, / De stem: geef Mij uw Hart! // Ik wrong mij op den grond, / Tot ik de woorden vond: / Heer, 't moet door U genomen! // En nog eens overviel / Die stille stem mijn ziel: / Daartoe ben Ik gekomen.verstilde aardse liefde en de overgave aan Christus. In ‘Dialogue mystique’ is de mens in gesprek met Christus:
‘Berouw’ is een kernwoord uit Hef kostbaar bloed (1922), waarvan Dirk Coster schreef: ‘Sinds Revius klinkt hier voor het eerst het geluid op eener elementaire Calvinistische poëzie.’
In 1924 (De Mérode was toen onderwijzer in Uithuizermeeden) werd hij gearresteerd wegens een pedoseksueel delict. In de gevangenis schreef hij de kwatrijnenbundel De rozenhof (1925) met gedichten vol berouw en vol verlangen naar de niet-zinnelijke liefde, de witte roos:
Na het catastrofale keerpunt trok De Mérode zich terug in Eerbeek. Erotisch leefde hij in ascese; nieuwe vriendschappen beleefde hij spiritueel. In zijn geloofspoëzie bleef de mystiek een rol spelen, zoals in ‘Mijn zoon geef mij uw hart’, maar zijn belijden werd belijnder en dogmatischer. In dit opzicht trok hij fel van leer tegen de Jong-Protestanten, zoals in ‘O tempora’:
De Mérode maakte niet alleen religieuze poëzie. Onder invloed van vooral Hans Bethge (1876-1945) schreef hij twee bundels Chinese gedichten; Vestdijk en Ter Braak prezen ze zeer. Omar Khayyam (1931) bevat oosterse kwatrijnen. In de laatste bundels Kaleidoscoop (1938) en Spiegelbeelden (1979) kwam hij met Rilkeaanse harde, hoekige gedichten, waarin hij ‘zich met den zwartsten Slauerhoff kan meten’ (Vestdijk). De grondtoon van overgave aan en bevrijding door het christelijk geloof bleef echter aanwezig, zoals in ‘Afgescheidenen’:
Onder ps. Willem de Mérode: Gestalten en stemmingen (1915), Het heilig licht (1922), Kwattrijnen (1923), Ganymedes (1924), De donkere bloei (1926), De verloren zoon (1928), De lichtstreep (1929), De steile tocht (1930), Esther (1930), Laudate Dominum (1931, bloemlezing), Langs den heirweg (1932), Chineesche gedichten (1933), De stille tuin (1933), Kruissonnetten (1934), Doodenboek (1934), XXX psalmen (1934), Eenvoudige gedichten (1935), De wilde wingerd (1936, bloemlezing), Kringloop (1936), Tusschen ploeg en sikkel (1936), Ruischende bamboe (1937), De levensgift (1938), Gedichten (1952, 3 dln., bloemlezing), De witte roos (1973, bloemlezing). Onder ps. Joost van Keppel: Aanroepingen (1917), Claghen (1927). Onder ps. Henri Hooglandt: Gewone jongens (1916), Jaap's portret (1917), Mondjegauw (1918). Onder ps. Jan Bos: Mooi volk (1929), 'n Poar dörpsgenooten (1931), Aaldoags geproat (1983). Onder ps. Beo Grinniker: Zes mooie liederen (1934).