
Guillaume van der Graft, omstreeks 1980. Foto: Hans Vermeulen.
Als Van der Graft in zijn bundel
Vogels en vissen (1955) schrijft:
Ik geloof / met de taal, dan raakt hij met die woorden de kern van zijn dichterschap. Dat niet alleen omdat geloof voor de theoloog en predikant W. Barnard (hij gebruikte zijn officiële naam voor zijn talrijke publikaties op theologisch en liturgisch gebied en een enkele keer voor een dichtbundel) vanzelfsprekend een essentiële zaak is. Vestdijk noemde overigens ongeloof een wezenlijk aspect van de poëzie van Van der Graft (in
Voor en na de explosie, 1960). Deze paradox raakt het hart van het werk aan, want het religieuze is bij Van der Graft doortrokken van gevoelens als twijfel en angst en de ervaring van ballingschap. Hij noemde zijn eerste bundel niet voor niets
In exilio (1946), niet alleen omdat een deel van deze gedichten tijdens een gedwongen verblijf in Berlijn in de oorlogsjaren is ontstaan.
Geloof heeft bij Van der Graft een existentialistische dimensie. Bij een dichter voor wie de taal een wijze van bestaan is, ligt dan de verschuiving van het woord naar het Woord (in de zin van de aanhef van het Johannes-evangelie) voor de hand. Zo kan hij een dichter zijn die zegt met de taal te geloven.
Vanaf zijn vroegste verzen is de taal voor Van der Graft bovendien een speelveld geweest waarop hij gretig zocht naar meerduidigheid, de ruimte die het woord krijgt om meer te betekenen dan in de code van de

Gedicht door Guillaume van der Graft, gebundeld in Het oude land (1958).