't Is vol van schatten hier...


auteur: Murk Salverda en Anton Korteweg


bron: Anton Korteweg en Murk Salverda (red.), 't Is vol van schatten hier... (2 delen). De Bezige Bij / Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Amsterdam / 's-Gravenhage 1986.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 90]

Anne Frank 1929-1945

Door A. Middeldorp



illustratie

Anne Frank.


Als de ondergang niet haar lot was geweest, zou in dit museum waarschijnlijk meer werk van Anne Frank gelegen hebben dan Het achterhuis; dagboekbrieven 12 juni 1942-1 augustus 1944 (1947). Op 4 april 1944, enkele maanden voor haar arrestatie schrijft zij: ‘Met schrijven word ik alles kwijt, mijn verdriet verdwijnt, mijn moed herleeft. Maar, en dat is de grote vraag, zal ik ooit nog iets groots kunnen schrijven, zal ik ooit eens journaliste en schrijfster worden? Ik hoop het, o ik hoop het zo, want in mijn schrijven kan ik alles vastleggen, mijn gedachten, mijn idealen, mijn fantasieën.’ ‘Ik weet wat ik wil, ik heb een doel, een mening, ik heb een geloof en een liefde. [...] ik zal niet onbetekenend blijven, ik zal in de wereld voor de mensen werken!’

Anne Franks dagboek bestaat uit brieven aan een fictieve vriendin, Kitty. Binnen de kleine wereld van de twee Joodse families die in het achterhuis zijn ondergedoken, kan zij met Kitty vertrouwelijker praten dan met de mensen om haar heen. Haar dagboekvriendin kan zij deelgenoot maken van haar gevoelens, haar dromen, haar reacties op de buitenwereld, haar spanningen in de relatie met haar ouders. Schrijvend kan zij stand houden.

Anne Frank heeft van het begin af geweten, welk lot haar bedreigde. ‘Westerbork moet vreselijk zijn.’ ‘Als het in Holland al zo erg is, hoe zullen ze dan in verre barbaarse streken leven, waar ze heen gezonden worden? We nemen aan dat de meesten vermoord worden. De Engelse radio spreekt van vergassing. Misschien is dat wel de vlugste sterfmethode. Ik ben helemaal van streek.’ Anne Frank ervaart het zelf als een wonder, dat ze niet al haar verwachtingen opgeeft, maar het is haar niet mogelijk ‘alles op de bouwen op basis van dood, ellende en verwarring’.

Er zit iets tegenstrijdigs in, Anne Frank en haar werken op te nemen in de collectie van een letterkundig museum, zeker wanneer men - overigens niet ten onrechte - literatuur beschouwt als een zelfstandige creatie, die los gekomen is van de aanleiding. Het achterhuis is geen arrangement van de werkelijkheid, waarin het eigenlijk van geen belang is te weten wat de auteur zelf heeft meegemaakt. Het is een document humain dat moet blijven verontrusten, dat een aanklacht moet blijven.

Anne Frank heeft zelf het verschil tussen haar dagboek en literatuur aangevoeld. Als ze over haar toekomstig schrijverschap droomt, schrijft ze: ‘Na de oorlog wil ik in ieder geval een boek getiteld “Het Achterhuis” uitgeven, of dat lukt blijft nog de vraag, maar mijn dagboek zal hiervoor kunnen dienen.’ Het dagboek heeft nooit de bouwstoffen kunnen leveren voor literair werk; het document humain dat Anne Frank ons heeft nagelaten, blijft direct verbonden met de werkelijkheid waarin het werd geschreven en met de werkelijkheid van nu. ‘Ik hoop maar één ding, namelijk dat deze Jodenhaat van voorbijgaande aard zal zijn, dat de Nederlanders zullen laten zien wie zij zijn, dat zij nu niet en nooit zullen wankelen in hun rechtsgevoel. Want antisemitisme is onrechtvaardig.’

Overig werk

Weet je nog? (1949), Verhalen rondom het Achterhuis (1960), Verhaaltjes en gebeurtenissen uit het Achterhuis (1982).

[p. 91]
Lieve Kitty,
Gisteravond sprak minister Bolkestein voor de Oranjezender er over, dat er na de oorlog een inzameling van dagboeken en brieven van deze oorlog zou worden gehouden. Natuurlijk stormden ze allemaal direct op mijn dagboek af. Stel je eens voor hoe interessant het zou zijn, als ik een roman van het Achterhuis zou uitgeven. Aan de titel alleen zouden de mensen denken, dat het een detectiveroman was.
Maar nu in ernst. Het moet ongeveer tien jaar na de oorlog al grappig aandoen, als wij vertellen hoe we als Joden hier geleefd, gegeten en gesproken hebben. Al vertel ik je veel van ons, toch weet je nog maar een heel klein beetje van ons leven af. Hoeveel angst de dames hebben als ze bombarderen, bijvoorbeeld Zondag, toen 350 Engelse machines een half millioen kilo bommen op IJmuiden gegooid hebben, hoe dan de huizen trillen als een grassprietje in de wind, hoeveel epidemieën hier heersen. Van al deze dingen weet jij niets af en ik zou de hele dag aan het schrijven moeten blijven als ik alles in de finesses zou moeten navertellen. De mensen staan in de rij voor groenten en alle mogelijke andere dingen, de dokters kunnen niet bij de zieken komen, omdat om de haverklap hun voertuig wordt gestolen, inbraken en diefstallen zijn er plenty, zo zelfs dat je je gaat afvragen wat de Nederlanders bezielt dat ze opeens zo stelerig geworden zijn. Kleine kinderen van acht en elf jaar slaan de ruiten van woningen in en stelen wat los en vast zit. Niemand durft voor vijf minuten zijn huis te verlaten, want als je weg bent is je boel ook weg. Iedere dag staan advertenties in de krant met beloningen voor het terugbezorgen van gestolen schrijfmachines, perzische kleden, electrische klokken, stoffen, enz. enz. Electrische straatklokken worden gedemonteerd, de telefoons in de cellen tot op de laatste draad uit elkaar gehaald. De stemming onder de bevolking kan niet goed zijn: iedereen heeft honger, met het weekrantsoen kan je nog geen twee dagen uitkomen, behalve met koffiesurrogaat. De invasie laat lang op zich wachten, de mannen moeten naar Duitsland. De kinderen worden ziek of zijn ondervoed, iedereen heeft slechte kleren en slechte schoenen.
Fragment van een dagboekbrief van 29 maart 1944 uit Het achterhuis (1947) door Anne Frank.



illustratie

Programma bij de Nederlandse versie van de Amerikaanse speelfilm The diary of Anne Frank (1959), gebaseerd op het dagboek van Anne Frank. Omslag: H. Scheublein.