
Ellen Warmond. Foto: Hans Roest.
In de bundel
Vragen stellen aan de stilte (1984) noemt Ellen Warmond een van de gedichten ‘Taakomschrijving’. Zij zegt daar, dat men iets zou moeten maken wat niets aantoont, iets als
glas / waar niets doorheen schijnt. Dit is een van de vele plaatsen in haar latere werk die weerspiegelen, dat ze zoekt naar verstilling, evenwicht, het opheffen van doelbewust streven. Deze levensinstelling, die oosters aandoet, tekent zich echter in de vroegere bundels al af. In
Weerszij van een wereld (1957) staat:
je ogen waren wit van zwijgen / je lippen kusten elkaar. Maar hier gaat het over de ander, die in zichzelf besloten en onbereikbaar is.
In Proeftuin (1953), de debuutbundel van Ellen Warmond, valt op dat steeds metaforen worden gekozen uit de wereld van communicatiemiddelen: brief, telefoon, zendstation. Hier spreekt een wanhoop uit om verbroken communicatie, maar ook angst om tekort en vervreemding nemen in dit vroege werk een opvallende plaats in, verbonden met de verschrikking van een concreet ervaren tijd, de dreiging van het niets. Dit maakte Warmond tot een van de schrijvers die stem gaven aan een existentialistisch levensgevoel.
Men kan de ontwikkeling in de poëzie van Ellen Warmond opvatten als een poging door middel van scepsis de sterke emoties als angst en wanhoop te neutraliseren. Dat geeft onvermijdelijk aan haar werk een wat beschouwelijk karakter en meer dan eens verwerkt zij filosofische begrippen of verwijst zij daarnaar. Daarmee is allerminst bedoeld dat in haar poëzie de abstractie een grote rol zou spelen.
Haar mooiste liefdesgedichten staan in Warmte, een woonplaats

Gedicht door Ellen Warmond, gebundeld in Weerszij van een wereld (1957).