't Is vol van schatten hier...


auteur: Murk Salverda en Anton Korteweg


bron: Anton Korteweg en Murk Salverda (red.), 't Is vol van schatten hier... (2 delen). De Bezige Bij / Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Amsterdam / 's-Gravenhage 1986.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 165]

F. Springer 1932

Door Ad Zuiderent



illustratie

F. Springer op São Tomé, 1981.


Iedere maand in dit land is een jaar,’ zegt iemand in de roman Bougainville (1981) van F. Springer op de afscheidsparty van de hoofdpersoon, de Nederlandse diplomaat Bo, in Bangladesh. Het leven van de personages in het werk van Springer wordt door dit zinnetje meer getypeerd dan door het met veel gevoel voor het relativerende detail beschrijven van cocktailparty's: zij beleven in alle opzichten tropenjaren. Zo moeten de bewoners van de Baliemvallei op Nieuw-Guinea - die Springer als de bestuursambtenaar Carel Jan Schneider van nabij had leren kennen - in korte tijd de afstand van het Stenen Tijdperk naar de twintigste eeuw zien af te leggen. En dan mag Springer in het verhaal Zaken overzee (1977) beweren dat het meeste van wat blanken in dit soort landen deden niet meer was dan futiel gekrabbel in de kantlijn van de beschavingsgeschiedenis, juist het feit dat de mensen in zijn verhalen in twee verschillende tempo's tegelijkertijd moeten zien te leven, maakt zijn werk fascinerend: kansen op overmoed en mislukking zijn in zo'n dubbelleven in ruime mate voorhanden.

In zulke situaties krijgen gevoelens van macht en vrijheid een grote kans, en Springer schetst bij voorkeur figuren die hun macht of vrijheid forceren, zoals Robbie Frederiks in Pink Eldorado (1977), die Vietnamsoldaten hun geld laat beleggen in waardeloze stukjes paradijs in Florida en die publiekelijk een blauwtje durft te lopen bij de vrouw van een Vietnamgeneraal, of zoals Wister Hazeltor en brigadier Ohme in De gladde paal van macht (1969), die voor het oog van de wereld een redeloze machtsstrijd voeren in de wieg van de jonge staat d'Unia. Net als zijn grote voorbeeld F. Scott Fitzgerald schrijft Springer graag over zulke ‘crack-ups’, mannen die in hun overmoed alles lijken te kunnen bereiken, maar toch met lege handen eindigen. De bestuursambtenaar of diplomaat die Springers hoofdpersoon meestal is, weet van zichzelf

illustratie

Vroege versie van het begin van het verhaal ‘De verovering van Bandung’ uit Zaken overzee (1977) door F. Springer, geschreven op een envelop.


‘de verovering van Bandoeng’ // de enige schrijver, die ik ooit aan het werk zag, / was een zekere heer van der Meulen. / Hij verzorgde een feuilleton in / de scheepskrant van het KPM-schip ‘Ruys’ op / de reis van Bangkok naar Amsterdam / in juni 46 met achthonderd / repatrianten uit Indië aan boord. / Op het stampvolle tussendek zat hij /, tong tussen de lippen, type- / machientje op de knieën, dagelijks te / werken aan / ‘het geheim van de manke Chinees’. Af en toe / keek hij even uit over zee, / stak een nieuwe sigaret op, / boog / zich weer over zijn machientje en / tikte als een razende verder. Ademloos begluurde ik hem. [...]

[p. 166]



illustratie

Roman (1981). Omslag: Nico Richter.


dat ook hij zulke hybridische trekjes in zich heeft, maar hij beschikt over een te groot relativeringsvermogen om deze een kans te geven. Ook vertoont hij, door op de meest uiteenlopende plaatsen ter wereld op te duiken, trekken van overeenkomst met een ander Springer-personage: de escapist, de man die voorgoed uit zijn - al dan niet dubbel - leven stapt en van wie geen spoor meer gevonden wordt: Michael Rockefeller in ‘Zaken Overzee’, menig naar Amerika geëmigreerd Nederlander in Tabee, New York (1974) en de eersteklas geoefende escapist Tommie Vaulant in Bougainville.

Met name in Bougainville blijkt waarom Springers hoofdpersoon zelf geen escapist kan zijn: hij is de beschrijver van zijn eigen leven en van de wereld om hem heen, en schrijvers laten wel degelijk sporen na. Hun staat maar één middel ten dienste om zich mee af te schermen, namelijk: te zeggen dat alles gelogen is. Zelfs de melancholieke Bo beseft dat, wanneer hij zich afvraagt wat hij in een bepaalde uithoek van de wereld doet: ‘Wat breng je thuis van je reizen? Een handvol indianenverhalen, die bij ieder borreluur in de familiekring sterker worden door de erbij verzonnen levensechte details.’

Maar achter dit scherm van sterke en luchtige verhalen vertoont Springer zich als een betrokken waarnemer van de zwakke plekken in onze ruimte en onze tijd: het nauwelijks kunnen leven met een persoonlijk verleden en de gebrekkige omgang van volkeren onderling. Wie Springer leest, beseft in hoeveel opzichten wij nog in het Stenen Tijdperk leven.

‘Gif,’ zei Ohme, ‘één minuut bij een big, hoogstens tien bij... bij Jezus en Maria, als moet ik u... u kunt hier toch niet bij Bole op zo'n manier..., en dan nog uit vrije wil, Jezus! Ik zal gedwongen zijn u...’
‘Lul niet, Ohme, ik ben al opgewonden genoeg. Als ik er niet uitkom, schiet moedig voordat je aan de brug hangt, kom ik er wel uit, alla, dan zien we wel wat er met jou... dat laffe gelul van je. Je bent hier in d'Unia, Ohme, onze wereld.’
‘U verlaagt u tot...’
‘Lul niet! Lul niet!’
(Jij begrijpt niets, Ohme. Ik verdedig hier onze verworvenheden, een groot woord, voor grote begrippen, God Jezus Maria Laurie de republiek, idioot...)
Bole wenkte. De krijgers verdrongen zich rond de omheining.
‘Onze premier is niet meer in orde, hij is gek, laat hem maar zelfmoord plegen, wacht op mijn bevelen,’ zei Ohme tegen de sergeant.
‘We zijn omsingeld, ik wist dat het zou gebeuren, chef, ik wist het.’
‘Hou je smoel...’
‘Adieu Ohme,’ riep Wister, die met Bole de dans-plaats betrad. Bole was naakt en glad van orchideeënolie. Hij rook weeïg. Zijn krijgers stampten op de grond en loeiden hem toe. Wister zag er heel wat minder fraai uit, in zijn modderige kakiuniform, modderige laarzen, klef, doorzweet tourneepetje op het hoofd. Bole gaf een mooi solonummer weg door in razend tempo tussen de giftige staken door te dansen, af en toe hoog opspringend, vlak over de punten scherend, daarbij ook nog ijzige kreten uitstotend. Wister stond schutterig aan de kant. Zijn brooddronken opgewondenheid was nu gezakt, maar angst voelde hij toch nog niet, alleen nijd over zijn eigen traagheid. Kleren, schoenen, revolvertas, alles hinderde hem.
De spelregels waren eenvoudig. Wie het eerst zijn tegenstander tot bloedens toe tegen de staken kreeg had onmiddellijk gewonnen, dat was na het proefbiggetje wel duidelijk. Voorlopig ging Bole nog door met zijn solodans.
Fragment uit De gladde paal van macht (1969) door F. Springer.

Overig werk

Bericht uit Hollandia (1962), Schimmen rond de Parula (1966).