
Jan Hanlo met zijn motor.
Jan Hanlo had zelf het idee dat hij ‘micro-produktief’ was. Zijn poëzie en proza bracht hij tijdens zijn leven in drie boeken bijeen:
Verzamelde gedichten (1958),
In een gewoon rijtuig (1966) en
Moelmer (1967). In de jaren zestig was men dan ook geneigd Hanlo een schrijver van een klein oeuvre te noemen. Na zijn dood is dat beeld veranderd. In zijn nalatenschap bevonden zich de manuscripten van
Go to the mosk (over zijn liefde voor een twaalfjarige Marokkaanse jongen) en
Zonder geluk valt niemand van het dak (het relaas over zijn verblijf in twee psychiatrische klinieken), boeken die respectievelijk in 1971 en 1972 werden uitgegeven. Daarna volgde nog
Mijn benul (1974), een keuze uit zijn nagelaten werk waarin
Moelmer werd opgenomen. Hij was bovendien een fervent briefschrijver.
Jan Hanlo vond dat zijn werk bij De Stijl hoorde. Misschien een merkwaardige uitspraak voor een dichter die en tot de Vijftigers en tot de dichters van het tijdschrift Barbarber wordt gerekend. Toch wilde Hanlo dichten zoals F. Vordemberge-Gildewart (1899-1962), zijn favoriete Stijl-kunstenaar, schilderde: ‘En ik zou willen dat ik daarin een enkele keer geslaagd was, dus ook met betrouwbaarheid de goede smaak had gediend, d.w.z. de ballast vermeden, de sentimentaliteit ontvlucht, om slechts enige negatieve aspecten te noemen.’ (uit het stuk ‘Friedrich Vordemberge-Gildewart’).
Hanlo's werk is inderdaad, net als de doeken van de Stijlschilders, nauwkeurig en elementair. In ‘De Mus’ gebruikt hij twintigmaal het woord ‘tjielp’ en in ‘Oote’ laat hij de taal van het kind horen voor het gangbare woorden kent. In zijn proza is hij vaak op zoek naar de grenzen van begrippen: ‘Waarom begrenzen we een hert bij zijn vel en maken we geen begrip van een “hert met een bol lucht van 1 m3 inhoud boven zijn schouders”?’ (‘Over het berusten van begrippenvorming en naamgeving op utiliteit’).
Waarom die nauwkeurigheid, meestal vermengd met een schuchtere humor?
In het verhaal ‘Publikatie van mijn ervaringen met wespen’ beschrijft Hanlo hoe vier wespen in zijn huis hun winterslaap houden. Ze maken bovendien zijn huis stofvrij: ‘De wesp heeft mijn kist schoongemaakt. Hij heeft het stof gedeponeerd. Ik ben z'n gescharrel nu wat moe want ik moet weten waar hij blijft opdat ik niet op 'm trap. Zal ik 'm buiten laten in

Gedicht door Jan Hanlo, gebundeld in The varnished - Het geverniste (1952).