schouwen - hij schrijft spontaan en persoonlijk, de basis van zijn teksten is dezelfde als die van dagboekschrijvers. Vaak zijn zijn gedichten niet meer dan korte notities en invallen. Dat geeft ze een wat slordig aanzien, maar hun inhoud is daarentegen juist prikkelend en nooit steriel.
‘Schrijven is voor mij een manier om een eigen territorium uit te zetten,’ zei hij eens en ook noemde hij literatuur een proces van opvreten en omzetten-in-eigen-substantie.
Je zou Hillenius een literaire amateur kunnen noemen, maar dan een die dat doelbewust wil zijn om zichzelf niet de kans te ontnemen nog nieuwe dingen te ontdekken. Ook in zijn essays, bijvoorbeeld die hij verzamelde in De beestachtige bronnen van het geweld (1969) en Tegen het vegetarisme (1961), keert hij zich tegen alles wat naar het hooggezetene en onwrikbare zweemt. Tegelijkertijd laat hij zijn lezers weten wat hem wel of niet bevalt: dat hij meer van padden dan van kikkers houdt, insecten te surrealistisch vindt, dat hij zich opwindt omdat een pianist de vertolking van Satie's ‘Vexations’ (de muziekliefhebber Hillenius was een belangrijke stimulator van de Satie-welle aan het eind van de jaren zeventig in Nederland) zijn voordracht moest staken. Al deze kleine, persoonlijke mededelingen passen in zijn literaire territorium zoals ook de gedichten en polemieken dat doen.
Hillenius' teksten bestaan voor het grootste deel uit ideeën, die soms een weerbarstige moralistische strekking hebben, bijvoorbeeld dat je je niet in alles moet schikken. Maar intussen verpakt hij op die manier ook zijn eigen sentimenten en stemmingen. In ongedwongen praatstijl (maar sommige van zijn gedichten zijn door het notitieachtige karakter ook elliptisch zodat hij qua stijl niet makkelijk valt te plaatsen, tot zijn genoegen waarschijnlijk) noteert hij dan iets dat anekdote en idee met een mysterieuze, liefdevolle ontroering overtreft, zoals dit prachtige gedichtje:
twee lieve hoeren hielpen de oude boer
zij vroegen geld maar 't was met liefde
dat hij zo nog niet kende
Padden zijn de tanden van de tijd
nachtogen op zachte voeten
wakken in het marmer van de nacht
wat een blad is voor de plant
Gedicht door Dick Hillenius, gebundeld in Uit groeiende onwil om ooit nog ergens in veiligheid aan te komen (1966).