terug  begin  verderprepost
[p. 73]

Kleine geschiedenissen

[p. 75]

I Biografie en autobiografie

Er zijn niet veel historici die een biografie verdienen. Ook de grootsten onder ons hebben hun bestaan meestal zo ingericht dat het verstreek in archieven, bibliotheken, studeerkamers, leslokalen en de huiselijke kring, en daar is slechts zelden iets belangwekkends over te vertellen. Er is dan ook bepaald geen reden ons te verbazen over het feit dat niemand er tot nu toe in is geslaagd een biografie van Fruin, Blok, Colenbrander, Geyl, Romein, Rogier te schrijven, ook al hebben die hoogst interessant en invloedrijk werk nagelaten. En van de biografieën van Huizinga, G.W. Kernkamp en Presser die wij wel hebben, ziet de lezer het nut waarschijnlijk in, maar is hij onrechtvaardig wanneer hij zich afvraagt of het bijeengebrachte materiaal in een andere dan biografische vorm misschien beter tot zijn recht was gekomen? De bij hun dood verschenen necrologieën en notities in een biografisch woordenboek zijn voor de studie van veruit de meeste historici voldoende om inzicht te krijgen in de aard van hun bestaan en het verband van leven en werk. Wie meer wil weten, moet hun publicaties lezen.

Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Er zijn historici die door hun politieke activiteiten of door het succes van hun geschriften in het publieke leven zo op de voorgrond zijn getreden dat hun levensloop kan boeien - om er willekeurig een paar te noemen: Theodor Mommsen, Treitschke, Michelet, Toynbee, A.J.P. Taylor. Er zijn anderen van wie de persoonlijke lotgevallen en de werken zo karakteristiek zijn voor een bepaalde tijd en tijdsproblematiek dat men hun bestaan graag tot in details wil kennen, ook al bleven zij principieel kamergeleerden en bleef hun publiek tot een intellectuele elite beperkt. Zouden Ranke, Burckhardt,

[p. 76]

Meinecke, Namier, Lovejoy als voorbeelden voor deze categorie kunnen worden opgevoerd? In elk geval zijn ook over hen biografieën geschreven die niet vervelen.

Zelf hechten historici meestal niet voldoende belang aan hun carrières en hun innerlijke roerselen om daar in autobiografieën of memoires verslag van te doen en verantwoording voor af te leggen. Toch zijn er natuurlijk ook hier voorbeelden genoeg van, soms van mensen die later tevens in een biografie werden vereeuwigd. Nederlandse historici hebben het genre echter nauwelijks beoefend. Annie Romein-Verschoor schreef indertijd twee delen memoires vol in briljant proza uitgedrukte onvrede en zij had er bovendien veel succes mee. Later kreeg zij een grote biografie, waarin essentieel hetzelfde verhaal met verve werd verteld. L. de Jong publiceerde tot nu toe twee delen met levensherinneringen die, anders dan in het geval van Annie Romein, niet tot de hoogtepunten van zijn oeuvre worden gerekend. Onlangs beschreef Ger Harmsen zijn eigen leven met uitzonderlijk gedetailleerde precisie. Is er verder veel te vermelden? Natuurlijk, wij kennen Huizinga's ‘Mijn weg tot de historie’ en Geyls ‘Terugblik’. Misschien mag ik, zonder me aan dit illuster gezelschap te willen opdringen, een stuk van mijzelf aanhalen, het in Ons Erfdeel (1996, p. 517-530) verschenen ‘Zelfportret als historicus’. Deze schetsen waren echter niet bedoeld als serieuze pogingen tot autobiografie.

Ikzelf zal nooit memoires kunnen schrijven. Ik heb er geen behoefte aan, ik heb er te weinig voor beleefd en ik bezit er het benodigde materiaal niet voor. Dagboeken heb ik nooit gehouden, uitgaande brieven bijna nooit bewaard en slechts zelden ontvangen brieven in een schoenendoos opgeborgen. En mijn geheugen is slecht ontwikkeld. Alle reden dus om te erkennen dat het genre boven mijn macht is. Om twee redenen vind ik dat jammer. Soms voel ik mij een man zonder verleden en naarmate mijn verleden toeneemt, groeit de leegte. Maar vooral betreur ik het dat ik bepaalde curieuze en wel behoorlijk gedocumenteerde gegevens uit de geschiedenis van sommige van mijn voorouders en

[p. 77]

van mijzelf niet tot een goed lopend verhaal kan samenbrengen. Die gegevens behoren voor een groot deel tot de ‘petite histoire’ uit enkele generaties intellectuelen, die heel behoorlijke publicaties op hun naam hebben staan, maar door anderen noch zichzelf als boven de goede middelmaat verheven prominenten worden beschouwd. Welnu, toen mij werd gevraagd enkele episodes uit deze ‘petite histoire’ op te tekenen en mij een mogelijkheid werd geboden deze notities te publiceren, heb ik me aan het werk gezet.

prepostterug  begin  verder