Toen ik in Rotterdam in de zomer van 1967 de flat opruimde die mijn ouders wegens ziekte hadden moeten verlaten - zij stierven kort daarna - trof ik in de boedel een zeer uitgebreid dagboek aan. Het was van mijn vader, Friedrich Karl Heinrich Kossmann (10 maart 1893-31 maart 1968). Ik wist van het bestaan ervan voordien niet af, heb het meegenomen en opgeborgen. Pas een paar jaar geleden ben ik begonnen erin te bladeren en te lezen. Was het alleen tijdgebrek dat mij zo lang belette het in te zien, of vooral gêne? Mijn vader was een aimabele maar koele en gesloten man, die ook in het huiselijke verkeer niet naar vertrouwelijkheid zocht. Ik heb hem steeds gerespecteerd en voel mij aan hem en zijn nagedachtenis gehecht. Mocht ik mij na zijn dood veroorloven dankzij de lectuur van zijn dagboek in zijn intimiteit door te dringen? Deze schroom bleek overbodig. Het dagboek bevat geen onbehaaglijke verrassingen. Maar het geeft wel een aardig beeld van een intellectueel en artistiek begaafde jongeman vroeg in deze eeuw. Het doet verslag van zijn studies, zijn inspanningen op het gebied van de muziek en de dichtkunst en van de merkwaardige peripetieën van een liefde die tot zijn huwelijk leidde. De auteur begon het als zeventienjarige gymnasiast in Den Haag,

Frits Kossmann als Leids student, 1913.
op 7 december 1910, in jongensachtige trant: ‘Gij zijt vervloekt,
vreemde lezer want gij neemt dat niet uw is en gij ontwijdt dat heilig is.’ In
de loop van 1923, bijna 2000 bladzijden verder, verandert het - trouw enkele
keren per week of maand in een toegankelijk en hoogst elegant handschrift
geschreven - dagboek van aard. Er volgt een soort van annalen, min of meer
regelmatig bijgehouden kronieken van de gebeurtenissen uit de voorgaande maanden
of jaren. Hij heeft dat tot 6 januari 1965 voortgezet.
Van 1911 afstudeerde Frits Kossmann in Leiden Nederlandse taal- en letterkunde.
Hij woonde soms bij zijn ouders in Den Haag, soms in Leiden. De vele lange
passages die op deze periode betrekking hebben, zijn het interessantst voor de
latere lezer, al leveren zij geen informatie over zaken van algemeen belang. Men
vindt er allerlei in over zijn contacten met de hoogleraren van toen, de
neerlandici J.W. Muller en Kalff, de historicus P.J. Blok, de sanskritist J.S.
Speyer -toen deze in Groningen doceerde, promoveerde Huizinga bij hem - voor wie
hij, tweetalig opgegroeid, een van diens boeken in het Duits vertaalde. In april
1913 leverde hij bij Speyer het manuscript in, in september betaalde deze hem
daar rond driehonderd gulden voor, op 1 no-

Doortje Touw, 1918.
vember stierf de bewonderde man. ‘Uw leerling denkt dat hij een vriend verloor,’ dichtte Frits Kossmann in een diep ontstelde passage in zijn dagboek. Het vertaalde boek verscheen na Speyers dood. Ook met Speyers in 1914 benoemde opvolger, J.Ph. Vogel, had hij contact. In 1917 deed hij tentamen bij hem en hij maakte, graag muziek met diens vrouw. En Huizinga, Speyers promotus, Vogels oude bekende, die in 1914 in Leiden werd benoemd? Op 27 januari 1915 sprak Huizinga zijn oratie over historische levensidealen uit. Frits, die toen enige tijd in Den Haag woonde, bezocht de plechtigheid en reisde daarna door naar Amsterdam, waar zijn meisje - tweeëntwintig jaar, net als hij - verbleef. Die avond besloten de twee dat zij eens zouden gaan trouwen ondanks de grote moeilijkheden die zij verwachtten: het meisje, mijn zeer dierbare moeder, kwam uit een Haags arbeidersmilieu,. had uitsluitend de lagere school doorlopen en zou voor Frits' ouders waarschijnlijk onaanvaardbaar zijn. De moeilijkheden kwamen er inderdaad, maar zij Welden vol. In 1919 konden zij zich verloven, in 1920 had het huwelijk plaats. Vandaar dat later in het dagboek soms naar Huizinga's Leidse oratie als een kerndatum uit hun persoonlijke leven verwezen wordt.
Op 21 mei 1915 deed Frits Kossmann bij Huizinga tentamen in de algemene geschiedenis, de laatste prestatie die hij voor zijn kandidaats moest leveren. In zijn dagboek geeft hij er het volgende verslag van:
Vanochtend hield ik mij verder met geweld van de 19e eeuw af, zooals ik mij dat gisterenavond had voorgenomen, bladerde wat in mijn aanteekeningetjes over de andere gedeelten, [...] speelde nog wat piano. (Ik schreef'n motiefje op, dat misschien ook als variatie op 't wiegelied-thema kan dienen, dat mij door 't hoofd spookte sinds ik opgestaan was, en met zijn viermalig herhalen van een onheilzwangere kwartsprong in leege octaven werkelijk tot de gemoedstoestand van vanmorgen hoort.) [...] Ik was om 2 uur bij Huizinga. Zijn loome manier van vragen en heelemaal geen leiding aan het gesprek geven en de voortdurende angst van weer in de 19e
eeuw te raken maakte het tot 'n verschrikkelijk uur. Hij heeft van tijd tot tijd een balletje opgegooid en bedoelde blijkbaar dat de patiënt naar aanleiding daarvan telkens volgens eigen liefhebberij zijn wijsheid zou zien te luchten. Doordat hij dan ook de leidingvan 't betoog heelemaal uit handen gaf, ontstonden er telkens hoogst pijnlijke interregna, soms nog erger gemaald: als hij scheen te willen voorthelpen, door de manier waarop hij dat deed. Dadelijk bij het eerste bracht hij mij naar 1806, waarbij duidelijk uitkwam dat ik de Napoleontische tijd niet volslagen in mijn macht had, ik wist het gesprek dan naar de vroegere tijden te brengen en per slot toch nog allerlei goeds te zeggen. Een ander punt was de heerschappij over de Oostzee, waarbij ik wel 't een en ander te luchten wist. Iets heel gelukkigs was de ontwikkeling van de pauselijke macht, wat mij in de gelegenheid bracht de ontstaanstijd en een en ander over de volksverhuizing te vertellen. Toen hij den naam Turgot ter tafel bracht wist ik mij te redden voor 'n expeditie in de fransche revolutie die mij waarschijnlijk weer bloed gekost zou hebben door 'n betoog over physiocraten en mercantilisme, waarvan ik door Ger [een studievriend] en 'n economisch handboekje dat ik van hem had ingekeken (van Gide) wel iets aardigs wist, en daarna maakte ik 'n sierlijke bocht naar de koloniale geschiedenis en oorlogen der 18e eeuw. Die pausen en dat mercantilisme waren ongetwijfeld mijn hoogste troef. Naar aanleiding van 't punt Italië en baatzuchtige politiek bleek weer zwakte wat betreft 19e eeuw, maar ook hier wist ik 'n roemvol slot in de 18e eeuw voor te vinden. - Wij hebben natuurlijk nog meer behandeld, en ik wist heel veel niet. Een vermakelijk moment was toen ik 't had over Pseudo-isidorische decre ‘menten’. Na 'n vijf kwartier zei hij geen bezwaar tegen mijn examen te hebben. We bepaalden als speciaal gedeelte voor 't examen na lang zoeken: de kerkgeschiedenis onder het merovingisch frankenrijk, dat is 'n 300 bladzijden te lezen in Hauck Kirchengeschichte Deutschlands. Ik lier mij in de bibliotheek dien Hauck brengen. Mijn stemming was in 'n volmaakte inzinking: 't tentamen zelf was 'n verschrikkelijk uur geweest, de zenuwspanning ervoor, nu 't vooruitzicht van weer in iets heef anders net zoo geweldig te moeten verderstoomen [...].