terug  begin  verderprepost
[p. 91]

6 1941-1942

Zelden heb ik een gevoel van bevrijding gekend zo intens en zo verrast als bij de uitslag van mijn eindexamen in 1941: ik was geslaagd. Maar illusies over een gelukkige vrijheid had ik uiteraard niet. Wij leefden beklemd, geërgerd en verveeld onder een bezettingsregime dat zijn campagne tegen de joden was begonnen. De bioscopen die wij voor de oorlog week in week uit bezochten om er vooral Franse films te bekijken - het sombere genre van die tijd, en hoe zwarter ze waren hoe mooier we ze vonden - vertoonden ondraaglijke nieuwsjournaals en onaanvaardbare Duitse producties; de radio was genazificeerd, de kranten waren volkomen onbetrouwbaar, de letterkundigen waren tot zwijgen gebracht. Het publieke domein, met andere woorden, was vijandelijk gebied geworden en wij vermeden het. De illegale pers en de radio-uitzendingen uit Londen vulden de zo ontstane leegte niet. Het dagelijkse leven, materieel nog nauwelijks bedreigd, werd eerder door onbenulligheid gekenmerkt dan door drama. Dit waren geen omstandigheden die een jonge man uitnodigden zijn gewonnen zelfstandigheid feestelijk te vieren.

Het plan om in Leiden Nederlands te studeren ging wegens de sluiting van de universiteit in november 1940 niet door. Hoe lang zou de oorlog echter nog duren? Wij zijn er in mijn omgeving van de zomer van 1940 af van overtuigd gebleven dat de Duitsers de oorlog zouden verliezen, maar vergisten ons steeds weer hopeloos als we de datum van hun nederlaag probeerden te voorzien. Vandaar dat ik in 1941 besloot de tijd die restte tot de bezetter verslagen zou worden, thuis uit te zitten, werkend voor een mo-diploma aan de toenmalige Haagse School voor Taal- en Letterkunde. Die studie verliep voorspoedig. Ik berekende dat ik het diploma al in 1943, veel eerder dan geprogrammeerd, zou kunnen halen. Er was ook weinig afleiding en de stof interesseerde me. Zo ging het jaar 1942 voorbij, intellectueel misschien bevredigend, maar dor en arm aan vrolijkheid en overmoed. Met het

[p. 92]

verzet had ik geen contact. Ik wist dat enkele kennissen zich inspanden om joodse kinderen ergens in het land in veiligheid te brengen, mij werd echter nooit gevraagd daarbij behulpzaam te zijn. Terecht niet, denk ik. Indien men vermoedde dat ik de voor dit werk onmisbare stoutmoedigheid en doortastendheid niet bezat, dan heeft men waarschijnlijk gelijk gehad.

Maar met de gevolgen van het verzet kwam ik wel in aanraking. Op 5 februari 1943 schoot een jong lid van een kleine Amsterdamse verzetsgroep de zeventigjarige oud-generaal H.A. Seyffardt in diens Haagse woning neer. Op 6 februari overleed deze in het ziekenhuis. Seyffardt was een van degenen die een legioen van Nederlandse vrijwilligers voor het oostfront hadden opgericht. Hij speelde een rol in Musserts kring als defensiespecialist, maar werd, geloof ik, door de meeste Nederlanders niet als een persoonlijkheid van veel betekenis gevreesd. Dat juist hij door deze verzetslieden werd uitverkoren het slachtoffer te worden van een politieke moord uitgevoerd door landgenoten (het eerste slachtoffer sinds de lynching van de gebroeders De Witt in 1672) is verrassend; de door De Jong in zijn grote boek samengevatte redenering die hen ertoe bracht (deel vi, p. 613), is dat niet, want zij mankt de indruk orthodox-terroristisch te zijn: de liquidatie van deze collaborateur was legitiem en de wellicht bloedige Duitse represailles die men verwachten kon, zouden het Nederlandse publiek ertoe brengen de illegaliteit krachtiger te steunen.

Represailles volgden, maar bloed vloeide er niet. Seyffardt had gezien dat zijn moordenaar een jongeman was, mogelijk een student. In de ochtend van 6 februari arresteerden Duitse en Nederlandse politiemannen in enkele universiteiten ongeveer, zeshonderdvijfentwintig studenten en vervoerden hen naar het concentratiekamp in Vught. Maar dat was niet genoeg. Nog diezelfde dag werd besloten vijfduizend ‘Plutokratensöhne’ tussen de achttien en vijfentwintig jaar op te pakken. Zeer vroeg in de ochtend van 9 februari begon de actie. De lokale overheden hadden lijsten gemaakt van jongelui die in de ‘betere’ wijken woonden. Daar zochten ze hun buit en toen die niet voldoende bleek,

[p. 93]

vulden ze hem door middel van razzia's op straat, in scholen en kantoren aan. Toch kregen ze niet meer dan twaalfhonderd bij elkaar. Maar in ons huis drongen de Nederlandse politiemannen binnen. Zij wilden mijn twee broers en mij. Mijn tweelingbroer had zijn kamer echter afgestaan aan een vriend die om een andere reden vreesde opgepakt te zullen worden - de latere directeur van de Koninklijke Bibliotheek Kees Reedijk - en hij bracht elders de nacht door. Maar mijn jongere broer en mij arresteerden zij - Reedijk lieten zij met rust - en zij voerden ons af. Paniek? Ik hoorde later dat mijn vader die op een heel fatsoenlijke manier zijn Gemeentebibliotheek door de troebelen heen hielp, een paar uur na ons vertrek een of andere vergadering in Den Haag ging bijwonen, wonderlijke poging om te doen alsof het maatschappelijke leven nog steeds op een min of meer normale manier kon worden voortgezet.

prepostterug  begin  verder