terug  begin  verderprepost

7 Kamp Vught

Bussen van de Rotterdamse trammaatschappij brachten de opgepakte jonge mannen naar een loods aan de Stieltjeskade. In de late middag vervoerde een volgepropt armzalig stoomtreintje hen onder de bewaking van excessief veel mensen van de politie en de marechaussee naar het stationnetje Vught, waar ze om acht uur arriveerden. Het was er ijzig koud en stikdonker. Na een uur werden ze opgehaald en toen strompelden ze, begeleid door onbegrijpelijk gebrul en geschreeuw van Duitse commando's, naar het concentratiekamp. In de barakken waarin ze werden gehuisvest, was gelukkig enig licht. Ze. werden er ontvangen door een of andere Duitse kampautoriteit in leren jas, die op voor hen ongewoon barse toon uiteenzette wat er allemaal verboden was. Op de lichtste vergrijpen stond volgens hem de doodstraf. Ik noteerde toen dat wij daar lacherig op reageerden. Waarschijnlijk voelden

[p. 94]

wij ons de volgende dagen iets meer bedreigd. Het voedsel was erbarmelijk en de dagelijkse ochtendappèls van vier of vijf uur in de kou waren uitputtend. Maar al na een week, op 17 februari, ontvingen wij de eerste pakjes van huis. Er volgden veel andere en spoedig hadden de achttienhonderd man die in onze barakken woonden, aan niets meer gebrek. Ouders, vrienden, zelfs verre kennissen wisten alle mogelijke voedings- en genotmiddelen te verzamelen en ze kwamen keurig bij ons aan. En zo zaten wij daar, in onze eigen kleren, zonder iets van belang te doen te hebben, geheel onzeker over de status die wij als gevangenen hadden en over wat ons te wachten stond, maar materieel waarschijnlijk niet slechter verzorgd dan de mensen in de gewone maatschappij en al spoedig bewaakt door een gemoedelijke Duitse onderofficier van rijpere leeftijd.

Deze gijzeling werd geen drama. Zij werd een bizar incident. Al spoedig begonnen de Duitse autoriteiten allerlei inderhaast opgepakte mannen vrij te laten. In maart gebeurde dat bij honderden tegelijk. Op 25 maart werd mijn jongere broer ontslagen. Ik, negen dagen voor mijn arrestatie eenentwintig jaar, en dus meerderjarig geworden, bleef. Ten slotte waren er van de achttienhonderd mannen nog slechts honderdtachtig over. Deze kregen op 21 april te horen dat ook zij vertrekken zouden, niet naar huis echter, maar naar Duitsland om daar te gaan werken. Om twee uur 's middags werden we in Vught op de trein gezet. Met horten en stoten en na eindeloos overstappen arriveerden we op 22 april om een uur of één in de buurt van Stuttgart, waar we werden opgeborgen in een weerzinwekkend kampement vol haveloze mensen uit vele landen; we wisten niet wie dat waren en wat ze er deden. Maar het was prachtig lenteweer; we konden ons in een waslokaal in de buitenlucht opknappen en sliepen in de zon. Pas in de avond van 23 april werden we verder vervoerd, ditmaal in veewagens. 's Ochtends om zes uur kwamen we in Straatsburg aan. Dit bleek onze bestemming. Ik was volstrekt gelukkig. Diezelfde dag nog schreef ik een zeer lang, blijmoedig reisverslag aan familie en vrienden in Holland. Het was sinds 9 februari de eer-

[p. 95]

ste keer dat ik een normale brief kon verzenden. In Vught moesten we volstaan met zo nu en dan een kort, nietszeggend berichtje. Nog geen week later zag ik vanuit de engelenbak van de Straatsburgse opera Glucks Orfeus en Euridice. Het was het eerste operabezoek in mijn leven. Zo vierde ik na bijna drie maanden gevangenschap mijn vrijheid als dwangarbeider.

prepostterug  begin  verder