Op 21 april 1943 werd ik in een langzame trein Duitsland binnengevoerd. Op 20
april 1945 werd ik in een groep van ongeveer vijftig man in een snelle
Amerikaanse vrachtwagen het land weer uitgevoerd, eerst naar Metz en vandaar per
trein in aarzelende veewagens en na allerlei tussenstops naar Eindhoven waar wij
27 april in een grauwe motregen 's ochtends aankwamen. Op 2 mei werd ik in
Noord-Brabant bij een alleraardigste familie ingekwartierd. Op 15 mei kreeg ik
een eerste bericht uit Rotterdam.

Ernst H. Kossmann (rechtsboven) met enkele vrolijke Fransen,
Rohrbach, november 1943.
Ik had al sinds maanden geen contact met Holland meer gehad en was opgelucht toen ik vernam dat mijn ouders en vrienden de hongerwinter redelijk hadden doorstaan. Op 7 juni keerde ik in Rotterdam terug, na een ballingschap van twee jaar en vier maanden. In de Duitse zakagenda die ik gebruikte, noteerde ik (die anderhalf jaar lang hoofdzakelijk met Franse lotgenoten had gewerkt) onder die datum in hoofdletters ‘ fin d'alerte’, einde van het alarm.
Over geen enkele periode in mijn bestaan bezit ik een zo enorme documentatie als over deze jaren. Dit is in feite de enige tijd uit mijn verleden die ik bijna dag voor dag kan overzien. In Vught hield ik geen dagboek bij, maar ik stelde er wel nogal geforceerde en bloedeloze beschouwingen over ons verblijf op, waarin geen emotie werd toegelaten, en zo nu en dan deed ik in levendiger trant verslag van concrete gebeurtenissen. Ik heb dat allemaal bewaard. In Duitsland voerde ik een immense correspondentie, met mijn ouders in de eerste plaats, maar ook met vrienden in Nederland en in Duitsland. Honderden van die brieven vond ik in 1945 keurig door mijn ouders geordend in mijn kamer in Rotterdam terug. Ikzelf bewaarde heel veel van de talloze brieven die ik ontving en bracht ze naar Holland terug. Meer dan een halve eeuw heb ik dit materiaal niet meer ingezien. Nu heb ik er dagen achtereen in zitten lezen. De jonge man die dit alles noteerde, herken ik zonder moeite. Als ik op basis van deze brieven een portret van hem zou schetsen, zou dat veel trekken met een zelfportret van nu gemeen hebben. Ook van de toestanden en gebeurtenissen die worden beschreven herinner ik me allerlei. Maar tot een geheel voegt zich dit alles niet. Ik weet me de werkelijkheid van deze jaren niet als een totaliteit meer voor te stellen en wanneer ik zou proberen haar in woorden terug te roepen, zou ik ongetwijfeld beseffen daarin pijnlijk tekort te schieten. Wat eens in al zijn grilligheid en verscheidenheid toch als een samenhangende ervaring werd beleefd, is zo verbrokkeld en gespleten geraakt dat ik er geen zicht op heb. Is het mijn onvermogen om vat te krijgen op mijn eigen verleden dat in mij een diepe
twijfel doet ontstaan als ik historici of romanciers zie proberen de geschiedenis in hun verhalen opnieuw tot leven te brengen?
In Straatsburg, waar ik eerst paden aanlegde in het nog in opbouw en wanorde verkerende kamp dat wij bewoonden, en later in de vliegtuigfabriek hulpeloos klungelde aan een revolverbank, ben ik niet lang gebleven. Al in juni werd de groep oud-Vughtenaren uiteengehaald en over een groot aantal locaties in Zuid-Duitsland verspreid. Ik kwam in de buurt van Heidelberg terecht, eerst, heel kort slechts, in een steengroeve, daarna een paar maanden in een cementfabriek in Leimen en vanaf september 1943 in een kleine metaalfabriek in Rohrbach. Daar waren naast mij geen andere Nederlanders, maar een tiental Fransen, enkele Walen, een Pool, een Roemeen, een stuk of wat Russen, arbeiders allemaal. Met mijn kameraden in Leimen, die ik in Vught had leren kennen, hield ik regelmatig contact, maar mijn dagelijkse voertalen werden nu dus Frans en Duits en de thema's die wij bespraken verschilden uiteraard van de stof waarover wij, studenten, kantoorbedienden en meer van dat slag, in Vught en Straatsburg hadden geconverseerd. Uit mijn (soms waarschijnlijk geruststellend getoonzette) brieven maak ik niet op dat dit isolement me benauwde. Integendeel, de nieuwe situatie interesseerde mij. In de jaren twintig en dertig waarin ik opgroeide, waren de mogelijkheden - ook de financiële - om te reizen zo onverge-lijkelijk veel kleiner dan nu, dat het moeilijk geworden is zich voor de geest te halen hoe beperkt de ruimte was waarin Nederlanders toen leefden. Voor mij vormde het dagelijkse contact met louter vreemdelingen daarom als het ware een kier waardoorheen ik een eerste blik kon werpen op een ander buitenland dan het vijandige.
Twee jaar lang heb ik tien, elf, twaalf uur per etmaal, overdag of 's nachts, zeer nederig werk gedaan, zonder verlof of vakantie, en ik heb al die tijd in deels nogal onherbergzame barakken gewoond, tussen luidruchtige jonge mannen, geen ogenblik alleen. Soms was ik zonder twijfel diep terneergeslagen, al verhult de vrij luchtige trant waarin mijn brieven werden gestileerd dat zoveel
mogelijk. Soms ook werd de meestal levendige en correcte stijl zo armoedig dat ik blijkbaar te uitgeput was om me pittig uit te drukken. Toch zijn zulke depressies uitzonderingen geweest. Over het algemeen hield ik wel enige vaart in dit leven van geestdodend en vaak zwaar geploeter en rommelige herrie. Hoe? Ik heb uren- en urenlang, soms door het lawaai van de machines heen, met luide stem flarden van gedichten en liederen opgezegd en gezongen - A. Roland Holst, Adwaita, Nijhoff, Rilke, Heine en zovelen meer - en mij's avonds gewijd aan het schrijven van brieven, het enige mij toen beschikbare middel om intellectueel enigszins in stand te blijven. Vandaar dat de breuk in de postverbinding met Holland van de herfst van 1944 af voor mij meer betekende dan het verlies van contact; hij bracht een toch al zeer bescheiden geestelijke activiteit waaruit ik kracht putte, vrijwel geheel tot stilstand. Zo goedgemutst als ik in april 1943 mijn dwangarbeid was begonnen, zo versuft was ik toen de geallieerden op 30 maart 1945 Heidelberg en omgeving binnentrokken en ik kort daarna, opgelucht maar zonder enig gevoel van triomf of behoefte aan wraak, de gehate Rohrbachse fabriek kon verlaten. Ik voelde mij totaal onzeker, al was ik van vernederde hulparbeider gepromoveerd tot displaced person. Pas toen ik op 20 april in de vrachtwagen stond die ons in stralend weer het land uitbracht, werd ik door uitbundige vreugde overrompeld.