terug  begin  verderprepost

10 Moriz Sondheim (1860-1944), E.F. Kossmann (1861-1945) en Wouter Nijhoff (1866-1947)

Moriz Israel Sondheim werd in 1860 te Le Havre geboren als tweede kind van een Duits-joods echtpaar. Zijn zuster, Becky, werd later een verdienstelijke schilderes. De vader was koopman en het ging hem, schijnt het, niet slecht. Maar bij het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog in 1870 moest de familie Le Havre verlaten. Via Rotterdam - als oude heer meende Moriz zich nog te herinneren hoe melkmeiden met emmers aan het juk over de in die barre winter dichtgevroren Maas schaatsten - trok hij met vrouw en kinderen naar Karlsruhe. Daar woonde ook dr Heinrich Kossmann (1813-1898) met zijn gezin. Eerder in dit boek heb ik de levensgeschiedenis van deze in 1836 tot het christen-

[p. 102]



illustratie
Dr Heinrich Kossmann en jongste zoon Ernst Ferdinand, Heidelberg 1883.

dom bekeerde joodse mathematicus van zeer bescheiden afkomst proberen te schetsen. Hij was vanaf 1840 leraar aan een Duitse middelbare school in Sint-Petersburg geweest, maar keerde in 1863 naar Duitsland terug. Met twee van zijn zes kinderen kwam Moriz in nauw contact, met Maria (1857-1934), die hij in 1887 huwde, en met Ernst Ferdinand, die zijn levenslange vriend werd.

[p. 103]



illustratie
Moriz Sondheim en Maria Sondheim-Kossmann, ca. 1887.

Maria en Ernst concentreerden zich op wetenschappelijk onderzoek. Als getrouwde vrouw met twee jonge zoons werd Maria in Frankfort wetenschappelijk assistent bij het museum van de beroemde Senckenbergische Naturforschende Gesellschaft en publiceerde zij studies over zoölogische onderwerpen. Ernst Ferdinand, mijn grootvader, ging in het in 1871 Duits geworden

[p. 104]

Straatsburg germanistiek studeren en promoveerde daar, na ook in Berlijn en Heidelberg enkele semesters te hebben doorgebracht. In mijn Duitse jaren wist ik natuurlijk wel iets van deze feiten, maar ik was me zeker niet bewust van de belangrijke invloeden die zowel vader Heinrich als zoon Ernst in deze steden hadden ondergaan. De ervaringen van Heinrich tijdens zijn studie in Heidelberg in de jaren 1830 waren beslissend voor zijn levensloop. Nu vind ik het pikant me te realiseren dat ik als jonge, naar Duitsland gedeporteerde Nederlandse hulparbeider heb rondgelopen langs de lieux de mémoire uit de geleerde negentiende-eeuwse jeugd van mijn voorouders.

Moriz Sondheim kreeg geen gelegenheid om te studeren. Zijn vader stierf al enige jaren na zijn verhuizing naar Karlsruhe in financieel penibele omstandigheden. Moriz moest voor zichzelf gaan zorgen. In 1877 vond hij een betrekking als leerling bij het sinds 1785 in Frankfort gevestigde (joodse) antiquariaat Joseph Baer & Co. Hij maakte er een schitterende carrière. In 1890 werd hij procurator, in 1901 firmant van het bloeiende en hoog gerespecteerde bedrijf, dat als eerste boekhandel in de Duitse geschiedenis in 1899 een nieuw, geheel voor de eigen behoeften ontworpen gebouw betrok, waarin het voor zijn 600 000 boekdelen plaats had. Sondheim droeg aan het succes van de firma in ruime mate bij. Maar hij werd meer dan een gezien zakenman die op zijn vele reizen in Europa, Rusland en de Verenigde Staten particuliere bibliotheken bestudeerde, catalogiseerde en aankocht. Hij gold tevens als een deskundige geleerde op allerlei gebieden van de wetenschap - met uiteraard de boekwetenschap voorop - wiens oordeel ook in academische kring gezag had. In zijn Deutsche Juden als Bibliophilen und Antiquare (Tübingen 1963) schrijft Fritz Homeyer met grote bewondering zowel over de firma als over Sondheim. Wie bladert in de fraai gedrukte bundel Gesammelte Schriften, die Sondheim in 1927 werd aangeboden naar aanleiding van zijn vijftigjarig jubileum, krijgt uit de ruim tachtig daarin verzamelde merendeels zeer korte stukken een indruk van diens brede belangstelling.

[p. 105]



illustratie
Moriz Sondheim, portret: in de feestbundel van 1927.

Ook na 1927 bleef Sondheim actief. In lezingen voor de Frankfortse Bibliophilen-Gesellschaft, waarvan hij voorzitter was - de lezingen zijn in mooie druk als brochures voor ons bewaard gebleven-, besprak hij onder andere in 1932 de aard van de bibliofiel en Goethes ervaringen met zijn uitgevers. Dit soort werk, zaakrijk, concies, aangenaam gesteld, toont hem als een specialist in de boekwetenschap en tegelijk als een man die de door William Morris (hij leerde hem persoonlijk kennen) nagestreefde heivorming van de typografie van harte bevorderde.

Het jubileumboek verscheen op 25 augustus 1927. Sondheim trad dus op 25 augustus 1877 in de dienst van de firma Baer. Op

[p. 106]

1 september 1877 schreef hij zijn eerste brief aan zijn zestienjarige vriend Ernst Ferdinand Kossmarnn, die in Karlsruhe nog bij zijn ouders woonde. Er volgden honderden andere. Mijn groot-vader heeft ze alle bewaard. Voor mij liggen twee keurig gebonden bundels (Sondheim, Briefwechseli en ii) waarin brieven en briefkaarten van 1877 tot 1887 verzameld zijn. Uit de tijd daarna resten nog enkele dikke pakken met brieven van dezelfde aard: mededelingen over gezondheid en gezin, maar ook gedetailleerde informatie over oude boeken. Sondheim van zijn kant bewaarde de brieven van Ernst Ferdinand. Bij zijn dood in 1944 vonden zijn zoons er enige grote portefeuilles mee gevuld. Een van hen nam die mee naar zijn woning in München, waar ze na een bombardement met huis en al in de vlammen verloren gingen. Toen was in Frankfort zelf het, schijnt het, goed bijgehouden archief van de familie Kossmann al verbrand in het huis van door mij in de zomer van 1943 enkele keren bezochte verwanten, dat in maart 1944 door een voltreffer geheel werd verwoest.

In de late jaren 1880 werkte Wouter Nijhoff enige tijd in het antiquariaat van Baer. Sondheim waardeerde hem zeer en hielp hem zich nader in het vak te oriënteren. Wouter Nijhoff bouwde, zoals men weet, later de firma Martinus Nijhoff uit tot de grote boekhandel, antiquariaat en uitgeverij die, sinds 1910 gevestigd in het fraaie en (net als Baers nieuwe gebouw) voor het bedrijf zelf ontworpen pand aan het Haagse Lange Voorhout, een schatkamer van beschaving, bibliofïlie en wetenschappelijke publicaties werd, tot zij decenniën na Wouters dood het economisch niet goed meer kon redden en de oude vorm, en zelfs het mooie pand, moest opgeven. Sondheim en Nijhoff zijn bevriend gebleven. Al spoedig mengde zich een derde in deze relatie, de in 1885 in Straatsburg tot doctor gepromoveerde Ernst Kossmann. Op zoek naar een betrekking was deze in Nederland terechtgekomen, van 1885 tot 1887 als huisleraar bij Bosch van Drakesteyn, de commissaris des Konings in Noord-Brabant en - na een Nederlandse onderwijsbevoegdheid te hebben gehaald - als leraar Duits in Tiel (1888-1892) en vervolgens aan het stedelijk gymna-

[p. 107]

sium in Den Haag. Hij was in 1889 getrouwd met een jonge onderwijzeres uit Westfalen. Na 1892 groeide, voorbereid door Sondheims aanbevelingen, een vriendschap tussen Nïjhoff en Kossmann, die voor de wetenschappelijke ontwikkeling en productie van de laatste van de grootst mogelijke betekenis is geweest. Er is, voor zover ik weet, nooit een bibliografische en biografische notitie over E.F. Kossmann gepubliceerd. Hij overleed 30 mei 1945, toen er kennelijk nergens ruimte voor een enigszins substantiële necrologie van deze merkwaardige man was. Hij verdient meer aandacht. Dit is echter de plaats niet om meer dan wat summiere gegevens op te tekenen.

Kossmann, die om louter economische redenen naar Nederland was gekomen, liet zich pas in 1923 naturaliseren. In hetzelfde jaar, toen de herziening van de Hoger-onderwijswet van 1921 dat mogelijk maakte, haalde hij in Groningen naast zijn Straats-burgse doctoraat in de Duitse taal- en letterkunde van 1885 ook een Nederlandse titel - alweer om economische redenen, denk ik, want een in Nederland gedoctoreerde leraar kreeg toen een hoger salaris. (Wat een vertoning trouwens: de dissertatie was in feite het zesde wetenschappelijke boek dat de tweeënzestigjarige jonge doctor op zijn naam schreef!) Over zijn bestaan in Nederland is hij nooit volkomen tevreden geweest. Hij was, schijnt het, een voortreffelijke leraar. Toen ik later met uit het oude Den Haag stammende notabelen kennismaakte, vertelden zij mij, bij het horen van mijn naam, vaak over de indruk die hij op hen als gymnasiasten had gemaakt. Hij deed ook veel voor hen, zette toneelvoorstellingen op, stichtte een koor, gaf een privatissimum over Goethes Faust. Maar voor zijn wetenschapsbeoefening vond hij, naar zijn mening, te weinig waardering. Zeker, hij was vanaf 1901 privaatdocent en vanaf 1906 lector (een slecht betaalde deeltijdfunctie naast zijn leraarschap) in Leiden. Hij speelde bovendien als docent en examinator een grote rol bij de opleidingen tot leraar Duits in het middelbare onderwijs, toentertijd de enige mogelijkheid om de bevoegdheid daartoe te verwerven, aangeziens de universiteiten tot 1921 geen graden in de moderne

[p. 108]



illustratie
Wouter Nijhoff, foto in M.E. Kronenberg, Over mensen en boeken, Den Haag, 1961.

vreemde talen konden verlenen. Zijn hart ging echter uit naar wetenschappelijk onderzoek en het heeft hem diep gegriefd dat hij door de weigering van de wetenschappelijke gemeenschap hem een volwaardige plaats in haar rangen te geven, dit soort werk met moeite en nood in zijn vrije tijd moest trachten voort te zetten. Deze teleurstelling verhinderde de gehele vernederlandsing van zijn nageslacht overigens niet. Met zijn vier kinderen sprak hij tot het einde toe Duits. Zijn kleinkinderen echter spraken uitsluitend Nederlands met hun grootvader, die deze taal. perfect en volkomen accentloos beheerste.

[p. 109]



illustratie
Ernst F. Kossmann, Den Haag, 1939.

Het oeuvre dat hij naliet is groot: negen boeken in het Duits en het Nederlands, twee tot brochures uitgebreide voordrachten, artikelen, recensies, wetenschappelijke mededelingen in tijdschriften, week- en dagbladen, op een enkele uitzondering na strikt wetenschappelijk werk. Zeven van zijn boeken en de beide brochures verschenen bij zijn vriend Wouter Nijhoff. Ik vond het aardig toen ik tussen zijn papieren zijn eerste bijdrage aan een

[p. 110]

Nederlandse periodiek aantrof: een mededeling over Hollandse handschriften in de bibliotheek te Karlsruhe, verschenen ïn het door de firma Nijhoff uitgegeven weekblad De Nederlandsche Spectator. Zij dateert van 1888, toen Kossmann leraar in Tiel werd. Zonder twijfel was Sondheim hier de bemiddelaar. Kossmann bleef in dit blad zo nu en dan publiceren en nam na zijn benoeming in Den Haag in 1892 al spoedig deel aan het gezellige overleg van de anonieme redactie. In de jaren 1890 schreef hij ook regelmatig recensies in Museum, een in 1893 in Groningen opgericht maandblad voor filologie en geschiedenis, uitsluitend bedoeld voor kritieken van wetenschappelijke boeken op die gebieden. Zijn teksten waren soms zo krachtig dat zijn lezer waadt door het bloed van de slachtoffers. Voor sommige van de Duitse boeken die hij besprak, voelde hij wegens hun aanstellerij en filologische slordigheid blijkbaar slechts woede en verachting. Ook als bewonderaar kon hij zich niet altijd bedwingen. Op 6 augustus 1898 schreef hij in De Nederlandsche Spectator een stuk bij de dood van Bismarck dat op cothurnen voortschrijdt van loftuiting naar loftuiting en toch op een of andere manier aantrekkelijk blijft. Hoe wonderlijk een ontboezeming als deze ons ook schijnt, ik erken met iets van roering te lezen dat mijn grootvader, naar wie ik vernoemd ben, precies een eeuw geleden het door Bismarck geschapen rijk bejubelde als een (ik citeer) ‘zelfvoldaan en daarom vredelievend, krachtig Duitschland’, waarmee Europa in de twintigste eeuw tevreden zou kunnen zijn.

Zijn boeken hebben een andere toon. Het zijn studies over Duitse letterkunde, over het Nederlandse toneel in de zeventiende en achttiende eeuw, over boekverkopers op het Haagse Binnenhof en over de Haagse boekverkopers, uitgevers, drukkers en binders tot het einde van de achttiende eeuw in het algemeen. Het zijn ook edities. Zijn eerste boek, uit 1886, was de uitgave en analyse van een twaalfde-eeuws Duits gedicht - hij was toen vijfentwintig jaar. Het laatste, in 1940, was de editie en transscriptie van de zogenaamde Hanger Liederhandschrift uit de late Middeleeuwen - hij was toen negenenzeventig.

[p. 111]

Geschiedschrijving vormt dit veelzijdige oeuvre niet. Het bestaat voor het grootste deel uit geduldige documentatie en zorgvuldige tekstverzorging, streng, gereserveerd vakwerk van een kunstzinnige erudiet die waarschijnlijk zuinig op sentimenten en oordelen was, omdat hij, snel gekwetst, moeite had die te bedwingen. Hij is beslist nooit een milde grijsaard geworden, maar met zijn mooie geconcentreerde kop en zijn in onze ogen fenomenale geleerdheid was hij in de familie een uiterst gerespecteerde persoonlijkheid.

De vriendschapsbetrekkingen tussen deze drie mannen bleven tot hun dood in stand, al waren er perioden van verkoeling en zelfs conflict. In de jaren dertig kregen zij een eigenaardige betekenis. Tijdens de oorlog ging de correspondentie, zij het moeizaam, voort. Op 10 oktober 1943 schreef Sondheim aan E.F. Kossmann: ‘Dank voor je verjaarswens, maar sinds 1877 is dit de eerste keer dat de post de jaarlijkse felicitatiebrief te laat bij mij heeft bezorgd.’ De toestand waarin Sondheim toen verkeerde - mijn broer en ik kenden er bij ons bezoek op S augustus 1943 de details niet van - was treurig. Hier woonde in een armzalige huurkamer een joodse man die dankzij zijn huwelijk met Maria Kossmann, een christelijke (zij het halfjoodse) vrouw, wel in leven mocht blijven, maar door zijn vroegere joodse compagnons en zijn vroegere niet-joodse collega's was bedrogen en geruïneerd, en voor een deel afhankelijk was geworden van de financiële steun die zijn Haagse vrienden hem tien jaar lang verschaften tot zijn dood op 10 april 1944. Dit zijn de feiten, kort samengevat uit brieven van de drie correspondenten.

Met ingang van 1 januari 1933 ging Sondheim, toen in zijn drieënzeventigste levensjaar, met pensioen, volgens een kort tevoren gesloten contract met de broeders dr Leo en Edwin Baer, sinds 1911 zijn medefirmanten, zoons van de Baer bij wie Sondheim in 1877 in dienst was gekomen. In 1927 hadden deze beiden Sondheims Gesammelte Schijten verzorgd en voorzien van een buitengewoon hooggestemd voorwoord. Bij het contract deed Sondheim afstand van alle aanspraken op de firma en in ruil daar-

[p. 112]

voor zou hij een levenslang pensioen van honderdnegentig mark per week ontvangen voor zichzelf, zijn vrouw en inwonende zuster. In de loop van 1933 weken de broeders uit naar Zwitserland. Ze namen het ‘Seltenheitengeschäft’ mee en zetten de in Frankfort blijvende wetenschappelijke boekhandel om in een naamloze vennootschap, waarin zij Sondheim vroegen als directeur op te treden. Het pensioen zou dan als salaris dienen. Uit loyaliteit aan de firma en de broeders Baer aanvaardde Sondheim deze rampzalige regeling. Het Frankfortse bedrijf, ook belast met de schulden en financiële verplichtingen van het naar Zwitserland verplaatste antiquariaat, moest al in mei 1934 alle betalingen staken, ook Sondheims salaris dus. De broeders Baer weigerden hulp. Zij hadden in Zwitserland wel de kostbaarste stukken uit de firma, maar konden, schreven zij, die in deze zware tijd niet tegen goede prijzen verkopen. Zij hebben Sondheim nooit een penning betaald.

In 1934 werd Wouter Nijhoff door een vertrouwd personeelslid van de boekhandel over de situatie ingelicht. Hij was ontsteld over de - in zijn woorden - schandelijke behandeling van Sondheim door de broeders Baer, benaderde E.F. Kossmann en zette met deze een hulpactie op. Het ging niet om grote bedragen, maar het was voldoende om Sondheim in leven te houden. Deze ontving de steun met evenveel dankbaarheid als waardigheid. Hij Haagde in zijn brieven slechts heel zelden over zijn steeds penibeler omstandigheden. Van de mooie positie die hij in de Frankfortse elite had verworven was al zeer spoedig niets meer over. Het voorzitterschap van culturele verenigingen gaf hij op, en daarna, gedwongen uiteraard, ook het lidmaatschap. In de bibliotheek werd hij sinds 1939 niet meer toegelaten. Zijn vrouw stierf in 1934, zijn zuster in 1940. Vanaf 1933 verhuisde hij vijfmaal naar steeds kleinere woningen, tot hij geheel alleen was achtergebleven in de simpele kamer waar mijn broer en ik hem leerden kennen. Maar hij studeerde ondanks alles met toewijding verder aan zijn wetenschappelijke onderzoeken.

Een grote plaats daarin had de Elzasser franciscaan Thomas Munzer (1475-1537), die aan vele universiteiten in diverse lan-

[p. 113]

den allerlei vakken studeerde, een groot aantal geschriften in het Latijn en het Duits publiceerde, in proza en rijm, vaak bedoeld om aan ongeletterden te worden voorgelezen en daarom van verduidelijkende houtsneden voorzien, een polemicus, satiricus en vooral didacticus, vanaf 1519 een van de bitterste bestrijders van Luther. Al in 1911 opende Sondheim een reeks studies over verschillende aspecten van Munzers werkzaamheid. In 1938 kwam in het Franse Straatsburg Sondheims Duitstalige boek Thomas Munzer ah Astrologe uit. Ook aan andere publicaties werkte hij. Zij verschenen in het Journal van het Londense Warburg Institute of in Nijhoffs Het Boek. Zijn laatste gedrukte studie dateert, voor zover ik weet, uit 1939. Sondheim was toen negenenzeventig jaar. Hij stierf op 10 april 1944. In maart werd de wijk waarin hij woonde, het Westend, zwaar gebombardeerd.

Op 9 augustus 1943 schreef ik in een verslag van ons bezoek: ‘Mij trof het dat hij zo helemaal niet melancholiek was. Wel enigszins somber in de nuchterheid van zijn intelligentie, maar zonder die zuchtende berusting die men zo vaak ziet. [...] Hij praat heel langzaam en bedachtzaam zijn ernstige, een klein tikje ironische zinnen.’ Ik herinner mij dat hij verontwaardigd was over de geallieerde vliegeniers die in Keulen de lelijke Dom hadden laten staan, maar een sieraad van de Romaanse bouwkunst als St. Maria im Kapitol in de as hadden gelegd.

Hebben de gebroeders Baer vanuit het veilige Zwitserland werkelijk nooit voor Sondheim kunnen doen wat Nijhoff en Kossmann zelfs onder de Duitse bezetting wel konden? Na de oorlog opende Edwin Baer een antiquariaat in Londen.

prepostterug  begin  verder