In de zomer van 1950, kort na mijn doctoraal, bezocht ik Duitsland, voor de eerste keer sinds de oorlog. Ik maakte deel uit van een groep van vier Leidse en vier Amsterdamse geschiedenisstudenten die, op Duits initiatief, in Bremen en Hamburg zouden praten met de studenten daar en nagaan of er weer normale contacten mogelijk waren. Ons achttal had uiteraard de bezetting meegemaakt; drie van ons waren er op een enigszins pijnlijker manier bij betrokken geweest dan de anderen. De Leidse studente Eleonore Bernheim, jaargenote van mij ook in leeftijd, was joods. In de jaren dertig was zij met haar ouders en broer uit Berlijn naar Nederland gevlucht. Het gezin had de oorlog overleefd en woonde in een behaaglijke Rotterdamse buitenwijk. Ivo
Schöffer, die ook van de partij was, had tijdens de oorlog in Amsterdam veel gedaan om joodse levens te redden. Ikzelf had in Duitsland gewerkt. Het lijkt misschien eigenaardig dat geen van ons drieën het bezoek, voor zover ik weet, als een bijzondere sensatie heeft beleefd. Met onze gastheren en -vrouwen gingen we gemakkelijk om. Ik herinner me niet in ons groepje enig spoor van haat, afkeer, reserve, bitterheid te hebben bespeurd. Van Duitse zijde ontbrak een beroep op sentiment. Wij werden niet uitgenodigd ons in universele mensenmin met de voormalige vijand te verbroederen. Het was feitelijk een gewone, ongecompliceerde excursie, al lagen in de steden die wij samen met de Duitse studenten onder leiding van enkele voortreffelijke hoogleraren bezochten, hele wijken nog in puin.
Hoe moet ik dit verklaren? In de geschiedschrijving wordt nogal eens vermeld dat de Nederlandse bevolking zich na 1945 zo intensief inspande voor de wederopbouw dat zij de herinnering aan de bezetting verdrong. Geldt dit ook voor ons? Nauwelijks, lijkt me. Ivo Schöffer verdiepte zich ten behoeve van zijn promotieonderzoek in de nationaal-socialistische leer en (drager van een Israëlische onderscheiding voor zijn verzetswerk) zette later grote projecten op over de geschiedenis van het Nederlandse jodendom. Eleonore Bernheim vestigde zich direct na haar doctoraal in Israël als lerares op moeilijke en zeer gemengde scholen in de woestijnstad Beer Sheba, een zwaar leven vol idealen voor een vrouw die, naar ik meen, zonder rebellie of protest tegen haar omgeving in Berlijn en Nederland was opgegroeid in keurige burgerlijke tuinsteden. Ikzelf volgde met spanning de totstandkoming van de roman over de arbeidsinzet die mijn broer Alfred aan het schrijven was en die in 1950 uitkwam. Toch werden wij niet bewogen door die banale en verontreinigende anti-Duitse sentimenten waarvan de Nederlandse schooljeugd volgens de ene enquête na de andere nog steeds blijk geeft - als gevolg, vrees ik, van de excessieve aandacht die de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in het onderwijs nu al tientallen jaren krijgt.
Op een schemeravond aan de Hamburgse Alster besloten Johanna Putto, die de Amsterdamse delegatie had bijeengebracht, en ik dat ik niet, zoals het plan was, alleen een jaar in Parijs zou doorbrengen, maar dat zij mee zou gaan, al had zij er voor haar studie niets te zoeken. Zo gebeurde het ook. Wij trouwden en vertrokken. Misschien beheerste dit vooruitzicht mij zodanig dat ik m mijn emotionele huishouding niet veel ruimte over had voor gevoeligheden met betrekking tot Duitsland, waar ik mijn belangstelling voor Frankrijk enkele jaren tevoren ontwikkeld had.