terug  begin  verderprepost

16 Frankrijk

In Parijs, waar wij in 1950 en 1951 tien maanden woonden, verzamelde ik materiaal voor mijn proefschrift over de opstanden tegen kardinaal Mazarin, die de Fronde (1648-1653) worden genoemd. Kort na de oorlog was ik in het onderwerp geïnteresseerd geraakt, toen ik in een onooglijke, voor een paar dubbeltjes gekochte uitgave van La Rochefoucaulds Maximes met deze Frondeur kennismaakte. In 1946 hield ik voor het dispuut ‘Robert Fruin’ een zeer uitvoerige lezing over zijn leven en geschriften. Twee jaar later koos Locher de Fronde als onderwerp voor zijn doctoraalcollege. Dat was verrassend. Noch Frankrijk, noch de zeventiende eeuw vormde, voor zover ik weet, een gebied dat hem meer dan oppervlakkig vertrouwd was. Hij doceerde er pok niet lang over. Hij gaf ons opdrachten voor werkstukken en hield een korte inleiding. Daarna vulde hij de tijd die restte tot onze scripties voor bespreking binnenkwamen, met beschouwingen over de theorie van de geschiedenis in het algemeen. Ik kreeg een aspect te behandelen dat, leek mij toen, revisie behoefde en schreef daar een lange uiteenzetting over. Locher vond het verhaal zo aardig dat hij mij ried op een studie over de Fronde te promoveren, en hij putte uit enkele Leidse fondsen wat geld om een

[p. 133]



illustratie
Ernst H. Kossmann, Versailles, augustus 1948, met oud-kampgenoot uit Rohrbach, Jean-Marie Alouis.

verblijf in Frankrijk te financieren. Ik nam zijn voorstel graag aan. Drie jaar gaf ik mezelf om het boek te schrijven en ik heb me aan die termijn gehouden: in de herfst van 1953 kon het typoscript naar de drukker.

Wij beleefden in Parijs een schitterend jaar. We hadden weinig geld, maar liepen velerlei theaters af en gingen, als we het ons konden veroorloven, naar de opera of de revue. Wij maakten er

[p. 134]

geen eentonig bestaan van, al werkten wij dag na dag vele uren in de Bibliothèque Nationale, Mazarins oude paleis aan de Rue de Richelieu. Ik las daar de secundaire literatuur, de bronnenedities, het zeventiende-eeuwse gedrukte materiaal, de pamfletten waarvan ik wist dat ze niet in Nederlandse bibliotheken voorhanden waren. Ik zocht eigenlijk niets speciaals. Ik had geen vraagstelling. Daarom besloot ik dat ik op basis van zoveel mogelijk lectuur - die ik terug in Nederland zou voortzetten - een boek zou gaan schrijven waarin ik de hele reeks immens gecompliceerde strubbelingen in één grote samenvatting zou proberen te doorgronden, niets meer, niets minder.

Heden ten dage zou geen promotor of subsidiegever een zo ongestructureerd project aanvaarden. Terecht niet, meen ik. Maar ik geneer me er nauwelijks voor. Ten eerste heb ik zelden met zo veel concentratie aan een boek gewerkt als toen. Ten tweede is dit in essentie mijn werkwijze gebleven. Ik verbind er geen methodeleer aan, maar ben ervan overtuigd dat het heel wat historici vergaat zoals het mij meestal vergaan is: pas wanneer men al een flinke tijd met een onderwerp bezig is schiet het licht aan en weet men, om het zo uit te drukken, wat men te weten probeert te komen. "Werkte ik dan ten minste in een of andere duidelijke historiografische context? Nee, vrees ik. Wij zochten in Parijs enig contact met studenten en docenten aan de Sorbonne, maar daar kwam nauwelijks iets van. terecht. Wij waren zo verdiept in ons huwelijk, in de exploratie van de metropool en in ons werk dat we geen ernstige pogingen deden met jonge vakgenoten of oudere maîtres à penser kennis te maken.

Wij leefden dit jaar, wetenschappelijk, in een zeer gelukkig isolement. Wij hadden ook nog nooit gehoord van de in 1947 door Lucien Febvre opgerichte en geleide zesde afdeling van de Ecole Pratique des Hautes Etudes waar, zoals H.L. Wesseling schrijft (Onder historici, Amsterdam 1995, p. 186), de zogenaamde AnnaIes-school werkelijk een school werd, een tot grote proporties uitgroeiend instituut. Wij waren niet op de hoogte van wat vlak voor onze aankomst gebeurd was op het door veertienhonderd men-

[p. 135]

sen uit drieëndertig landen bezochte, internationale congres van historici in Parijs (28 augustus-3 september 1950), waar de Franse deelnemers, velen van hen aanhangers van de Annales, sterk domineerden en een ware campagne voerden tegen de huns inziens verouderde geschiedenis van politieke feitelijkheden, de vermaledijde ‘histoire événementielle’ of ‘historisante’. Toch kende ik Lucien Febvres boek uit 1942, zijn beroemde Le problèvie de l'incroyance au 16e siècle, en ik was er diep van onder de indruk geraakt. In Parijs las ik de Trois essais sur histoire et culture (1948) van Charles Morazé, een zeer dynamische jonge medewerker van Febvre aan de Ecole Pratique, die enige tijd (1946-1950) algemeen secretaris van het internationale comité van historici was, duizelingwekkend ambitieuze plannen voor deze internationale samenwerking ontwierp, (geconcentreerd in Parijs, gefinancierd door de Rockefeller Foundation en de Unesco, waarin hij ook een rol speelde), maar zich terugtrok toen hij zag dat hij daar niet voldoende steun voor kreeg (cf. K.D. Erdmann, Die Oekumene der Historiker, Göttingen 1987, p. 260 e.v.). Ons leken de Trois essais, toen we ze in 1951 lazen, allerminst vernieuwend. Wij hadden het idee dat we bij de lectuur van Huizinga en op colleges van Romein en Locher al eerder met theoretische beschouwingen van deze aard hadden kennisgemaakt. Of wij daar nu gelijk in hadden of niet, doet er niet toe. Mijn onvoorwaardelijke afwijzing van het boekje maakte duidelijk dat ik het belang van de Annales niet inzag. Dat deed ik pas na afsluiting van mijn dissertatie. In 1955 abonneerden we ons op het tijdschrift.

In zijn grote, hierboven genoemde boek vat Erdmann de in de tweede helft van onze eeuw onder historici gevoerde algemene debatten op als een strijd tussen twee of drie principieel tegengestelde standpunten. Daar waren zij die, zoals de Annales, de geschiedenis tot een vooral op maatschappelijke en economische fenomenen betrokken, soms bijna nomothetische sociale wetenschap wilden transformeren. Daar waren aan de andere kant zij die streefden naar een idiografisch historisme, vooral geïnteresseerd in culturele en politieke verschijnselen. Daar waren ten

[p. 136]

slotte de marxisten die vaak neigden naar de positie van de Annalisten, maar zeker niet met hen verwisselbaar waren. Erdmann meent dat dit conflict in de loop van de jaren zijn scherpte heeft verloren en er een zekere synthese en verzoening tot stand is gekomen. Alen kan zich grosso modo vinden in een neohistorisme dat de studie van de sociale werkelijkheid, de economie en de mentaliteit van de massa minder verwaarloost dan de voorgangers uit de negentiende eeuw. Hij heeft, lijkt me, gelijk. De staatkundige en de beschavingsgeschiedenis is gerehabiliteerd. Meende men een jaar of twintig geleden nog tot de avant-garde te behoren wanneer men beweerde sociale en economische structuren te bestuderen, nu is het ook in Nederlandse onderzoeksprogramma's het woord ‘cultuur’ dat subsidiegevers tot vrijgevigheid bewegen moet. Hoe lang nog?

Indien ikzelf een plaats in deze discussie moest kiezen zou ik me zonder veel aarzeling onder de neohistoristen scharen. Maar als een conflict heb ik deze discussie niet ervaren. De lectuur van de Annales in hun volle veelzijdigheid en grilligheid, hun botheid en generositeit, heeft me gedurende de tien jaar dat ik erop was geabonneerd, vaak verrukt. Juist echter toen ik het tijdschrift intens begon te lezen, ging ik in Den Haag colleges in de geschiedenis geven aan de opleiding voor de buitenlandse dienst en gebruikte ik daarvoor een aantal boeken, waarvan ik twee vooral bewonderde: ten eerste de bijdrage van Pierre Renouvin over de negentiende eeuw aan de Histoire des relations internationales (delen v en vi, 1954-1955), voorbeeldige werken, leek me, zaakrijk, evenwichtig, en beter bruikbaar dan Charles Morazés, door Febvre en Fernand Braudel jubelend ingeleide Les bourgeois conqutérmits, xixe siècle (1957); ten tweede The Struggle for Mastery in Europe, 1848-1918 (1954) van AJ.P. Taylor, stampvol met diplomatieke feiten, eigenzinnig, sprankelend, een genot om te lezen dankzij de spirituele stijl en malicieuze spot. Braudels scepsis over de waarde van dit soort geschiedenis heeft mijn vertrouwen in de zin ervan geen ogenblik aan het wankelen gebracht.

prepostterug  begin  verder