terug  begin  verderprepost

19 Londen: een notitie over Geyls leermeesterschap

Direct nadat ik in Londen was verschenen, ontmoette ik daar een aantal oud-leerlingen van Geyl, die mij in hun college een lunch aanboden en hielpen me in de universiteit te oriënteren. Een van hen was Bindoff, die zich overigens in de Engelse geschiedenis was gaan specialiseren - in 1959 verscheen zijn bekende boek over Tudor England in de Pelican-reeks over de geschiedenis van Engeland - een ander was mevrouw Alice C. Carter, die een aantal boeken over aspecten van de Nederlandse geschiedenis publiceerde. Op beiden had Geyl een onuitwisbare indruk gemaakt en nog steeds vereerden zij hem met een trouw die ik bijna als aanhankelijkheid zou willen definiëren wanneer dat niet zo vreemd klonk. Jaren later heb ik daarvan nog eens een voorbeeld gezien bij een zaak die ook mij betrof. De anekdote is misschien het vermelden waard.

In 1964 verscheen bij Ernest Benn in Londen het tweede deel van Geyls The Netherlands in the Seventeenth Century. Het behan-

[p. 146]

delde de periode 1648-1715. In 1961 was het eerste deel daarvan uitgekomen, in 1958 voorafgegaan door een stilistisch verbeterde editie van de uit 1932 daterende The Revolt of the Netherlands. Deze drie boeken waren vertalingen uit de Geschiedenis van de Nederlandse stam, die Geyl gedurende zijn Londense periode in het Nederlands had geschreven. De redacteur van de Times Literary Supplement verzocht mij in 1964 het boekte recenseren en gaf mij daar flink wat ruimte voor. Ik probeerde in mijn artikel de positie van Geyls Stam in de Nederlandse en Belgische geschiedschrijving te bepalen (Engelsen wisten daarvan vrijwel niets) en constateerde dat het werk in tegenstelling tot dat van Pirenne en Blok wel nooit af zou komen, in 1798 was blijven steken en geheel uit balans was geraakt. De suggestie was natuurlijk dat de opzet, de inspiratie, de kern van de Stam. dateerden uit Geyls Londense jaren en na zijn terugkeer naar Nederland in 1936 sterk aan kracht hadden ingeboet. Bovendien wees ik erop dat Geyls behandeling van de stof afweek van de normen die in de jaren zestig gangbaar waren, en dan niet zozeer omdat hij de economische geschiedenis verwaarloosde (dat was, leek me, zijn goede recht), als wel omdat hij zijn personages maakte tot dragers niet van hun eigen zeventiende-eeuwse voorstellingen, maar van latere, negentiende-eeuwse principes over natie en dynasticisme. Ook stelde ik dat, al was Geyls these over de fundamentele eenheid van de Nederlandstalige landstreken bijzonder vruchtbaar geweest en had zij heel wat gegevens in een nieuw licht geplaatst, het hele boek toch in zekere zin als ‘ouderwets’ moest worden beschouwd, erfgenaam van een negentiende-eeuwse preoccupatie met natie en staat. Ik bedoelde dit niet als kritiek, maar als nuchtere constatering en ik beklemtoonde de eminente kwaliteiten van het boek met een zo rijke keur van complimenten dat ik er nu om glimlach.

Het stuk verscheen op 28 mei 1964, anoniem zoals toen in de TLS gebruikelijk was. Kort daarna werd ik óf door Bindoff óf door Alice Carter (ik weet het niet meer) opgebeld: had ik het artikel gelezen, was het niet een schandelijke en volkomen onoordeel-

[p. 147]

kundige aanval op Geyl, het product, dachten zij, van een of andere arrogante Britse jongeman die niets van Nederlandse geschiedenis wist, nooit iets anders van Geyl had gelezen dan dit ene boek en waarschijnlijk de taal niet eens kende, moesten wij, Bindoff, Carter en ik, daar geen scherp protest tegen schrijven en in de tls publiceren en konden zij op mijn handtekening rekenen? Oh dear! Ach nee, antwoordde ik zo ongeveer, ik had wel bezwaren tegen het stuk - en die had ik, ik heb altijd bezwaren tegen al mijn stukken - maar ik kon toch niet zeggen dat ik het er fundamenteel mee oneens was. En zo verscheen op 25 juni 1964 een brief aan de redactie getekend door Bindoff en Carter waarin zij als oud-studenten van Geyl verklaarden dat de recensie misplaatst was. Ik kreeg de gelegenheid daar nog - alweer anoniem - iets bij aan te tekenen: ik bedankte hen voor hun blijk van respect voor Geyl, herhaalde dat ik dit geheel en al deelde en nam niets terug. Ik vond dit een buitengewoon boeiend incident en was oprecht geroerd door de trouw waarmee zij zich met hun leermeester van dertig, veertig jaar tevoren verbonden voelden. Het enige misverstand was dat ik Geyls werk, door het als het ware te ‘historiseren’ en niet, zoals toen in Engeland nogal eens gebeurde, alleen maar op exuberante wijze te prijzen, zou hebben willen aanvallen, want dat was in het geheel mijn bedoeling niet geweest. Ik heb echter tot mijn spijt begrepen dat Geyl zelf, die zich graag door ongereserveerde lof liet bedwelmen, er ook zo'n interpretatie aan gaf.

De beste delen van de Stam schreef Geyl toen hij aan University College de leerstoel voor Nederlandse geschiedenis bekleedde. In 1995 publiceerde de tegenwoordige hoogleraar in dat vak - de vijfde - Jonathan I. Israel, zijn The Dutch Republic 1477-1806. Ongeveer duizend bladzijden van dit belangrijke en indrukwekkende boek behandelen de periode die Geyl in ongeveer evenveel pagina's in zijn drie in het Engels verschenen delen uit de Stam bestudeerde. In zijn bibliografie vermeldt Israel wel enig werk van Geyl, onder andere de Geschiedenis van de Nederlandse stam en The Revolt of the Netherlands, maar de twee hierboven genoemde

[p. 148]

delen over de zeventiende eeuw ontbreken. Uit Israels handboek blijkt niet dat veruit het grootste stuk van zijn onderwerp door Geyl al met vergelijkbare uitvoerigheid in het Engels toegankelijk was gemankt. Hoe vergankelijk is roem, zegt men dan.

prepostterug  begin  verder