Geyl had in 1919 de leerstoel moeten vormen en er ruimte voor moeten vinden. Renier - die in 1945 tot hoogleraar werd bevorderd - had hem nog steviger vastgetimmerd. Ik vond mijn opdracht duidelijk omschreven, mijn positie verzekerd en kreeg van iedereen volle steun. De cursus over de Opstand trok nogal wat studenten; er waren jaren dat wij in de kamer waarin ik lesgaf nauwelijks plaats meer hadden. (De colleges werden altijd gehouden in de kamer van de docent: Geyl had haar voor het eerst betrokken, Renier, ik, mijn opvolger Koen Swart namen haar over, en nu zetelt Jonathan Israel er.) Ambtelijk was mijn Londense periode veruit de gemakkelijkste uit mijn loopbaan. Ik had geen verantwoordelijkheid dan die voor mijn eigen stekje en daar droeg ik bepaald niet zwaar aan. Zodoende kon ik mij opgewekt en evenwichtig bewegen door de doolhof van de universitaire gemeenschap, van niemand sterk afhankelijk, niet bevoegd of geneigd tot kritiek op anderen, zonder veel bestuurstaken, zelfs bij de grote vergaderingen die men geacht werd bij te wonen eerder een geïnteresseerde waarnemer van buiten dan een deelnemer. Maar natuurlijk had de titularis voor de Nederlandse geschiedenis meer te doen dan een uur of drie per week lessen over zijn eigen onderwerp verzorgen. Hij behoorde tot de groep docenten die algemene hoorcolleges over het Europese ancien régime gaven, hij had elk trimester een ‘essay class’ - van zes studenten uit University College, die ieder om de twee weken een essay van een bladzijde of zes over een opgegeven thema uit de Europese
vroegmoderne geschiedenis schreven en hun stellingen mondeling verdedigden: een prachtig gebruik! - en hij doceerde vaak en regelmatig in allerlei lossere verbanden met de collega's mee.
En dan was er het seminar voor postgraduates, de hoogste vorm van onderwijs die er was. Het was voor een docent een eer zo'n eigen seminar te leiden. Ik had er een van Renier geërfd en wist totaal niet wat ik ermee aan moest. Renier had immers slechts twee undergraduates en geen enkele postgraduate nagelaten, opzettelijk, want hij had al enige tijd geen studenten meer aangenomen aangezien hij, zei hij, er niet zeker van kon zijn dat dezen bij zijn opvolger in even goede handen zouden zijn als in de zijne. In feite kwamen naar dit seminar in het begin dan ook uitsluitend collega's die een of andere connectie hadden gehad met Geyl, Renier, Nederland en de Nederlandse geschiedenis. Daar waren vrouwen en mannen van kwaliteit onder, creatieve mensen met bekende oeuvres op hun naam of bezig die te schrijven, ervaren onderzoekers die veel talen kenden, lang in allerlei buitenlanden hadden gewoond en er in de archieven hadden gewerkt: de levendige en originele Charles Boxer, de jonge Graham Gibbs, Alice Carter, die aan de London School of Economics doceerde, de Noorse historica Ragnhild Hatton, die bij Renier was gepromoveerd, de Spaanse Isabel de Madariaga en allerlei anderen, een gezelschap dat om de week bijeenkwam, verwachtte dat er iets gebeuren zou en zelf met een mij in het begin volkomen overdonderende spraakzaamheid het woord voerde. Vooral de vrouwen maakten indruk. Ik heb beslist nooit een groep historicae gekend die m zo'n adembenemend tempo hun inzichten met zoveel eruditie, zo'n beheersing van de kleinste details van de soms nogal exotische onderwerpen waarin zij geïnteresseerd waren, op zo krachtige toon uitwisselden. Wat had ik, een Leidse provinciaal, deze mensen te bieden?
Om enige structuur aan dit seminar te geven stelde ik voor dat mijn vrouw en ik enkele keren per jaar een uitvoerige kritische beschouwing zouden wijden aan de Nederlandse historische studies die er verschenen. Dit bleek een nuttige en welkome sugges-
tie. Wij hebben dit tot ons vertrek volgehouden en er, omdat er nogal eens belangwekkende discussies uit ontstonden, zelf ook veel profijt van gehad. Onze uiteenzettingen waren gebaseerd op het ‘Bulletin critique de l'historiographie néerlandaise’, dat wij van 1954 af tot en met 1965 jaarlijks schreven in het door de universiteit van Rijssel (Lille) gepubliceerde en goed geleide geschiedenistijdschrift Revue du Nord. De elf artikelen tellen te zamen tegen de 300 bladzijden. Er is veel werk in geïnvesteerd. Wij verdeelden het materiaal zoveel mogelijk in gelijke porties; meestal kwam het erop neer dat Johanna de prehistorie, de Middeleeuwen, de economische en de kerkgeschiedenis voor haar rekening nam en ik me over de rest ontfermde en het hele geval in het Frans redigeerde. Aangezien we dit bulletin beschouwden als een middel om in het buitenland belangstelling voor de Nederlandse historiografie te weideen, stelden we onze oordelen in welwillend proza zonder ons overigens tot lof te forceren als wij geen aardigheid in een bepaalde publicatie hadden. Al met al heeft deze bezigheid mij in hoge mate geholpen om mijn kennis van de Nederlandse geschiedenis te vergroten en te verdiepen. En wat een vermakelijke situatie was het eigenlijk! Daar zat ik in Londen, soms met mijn vrouw naast mij, in het Engels Nederlandstalige boeken te bespreken waarover ik in het Frans recensies schreef. In 1966 zijn wij met dit bulletin opgehouden. De productie groeide zo sterk dat wij hulp nodig hadden, echter niemand in Nederland bereid vonden zich in het Frans uit te drukken. Maar, hoe dat zij, het moeilijke seminar dat ik had geërfd hebben wij onder andere dankzij ons ijverig missionariswerk zo nu en dan een zekere inhoud kunnen geven.
Natuurlijk was ik ook verantwoordelijk voor examenwerk, zowel met betrekking tot mijn eigen ‘papers’ als tot die over algemene Europese geschiedenis van de vroegmoderne tijd. Ik heb honderden ‘papers’ beoordeeld, wekenlang soms, en daar eigenlijk enig plezier in gehad. Dat was erg onconventioneel. Een echte geleerde behoorde te steunen onder de last van dit dorre, pedante routinewerk, trappelend van ongeduld om in de archieven
fundamenteel onderzoek te gaan doen. Ik zag echter, wanneer ik die stapels examenwerk doorliep, de jonge mannen en vrouwen als het ware voor me, in de grote zalen waar ze zaten te pennen, soms bijna geïnspireerd bezig hun kennis en inzicht op papier te zetten. Maar het merkwaardigst waren niet de door de Londense universiteit aan haar eigen studenten afgenomen examens. Het merkwaardigst waren de ‘papers’ die de universiteit ontving uit colleges in Afrika en Azië waar zij als examinator voor een Londens ‘BA General in history’ fungeerde. Aan de beoordeling ook daarvan heb ik jaren meegedaan. Vele honderden werkjes heb ik gelezen en vaak genoot ik van hoogst verrassende inzichten. Het is een oud gebruik onder docenten anekdotes uit te wisselen over blunders van studenten. De laatste jaren neemt deze praktijk pijnlijke vormen aan en dient zij om de snelle aftakeling van onze beschaving te illustreren. Mijn ervaring uit de jaren vijftig en zestig met de examinering van Afrikaanse en Aziatische studenten heeft me echter zo gehard dat ik geen glimlach of zucht kan opbrengen wanneer mijn collega's me over de stommiteiten van hun huidige leerlingen in Nederland vertellen. Op een vraag over de verspreiding van de Hervorming in het zestiende- en zeventiende-eeuwse Europa kwam het antwoord uit Hongkong: die ging snel in haar werk toen de woeste strijder Maarten Luther met zijn Germaanse horden vanuit de oerwouden plunderend Frankrijk binnenrukte. Een Afrikaanse student leverde eens een bijdrage tot de verklaring van de industriële revolutie: zij werd veroorzaakt door de beslissing van de Engelsen om op paarden in plaats van kamelen te gaan rijden. Ik dacht bij het lezen van dit soort observaties overigens wel: wat zou ik na het volgen van een vluchtige cursus zelf voor onzin hebben geschreven over aspecten van de Afrikaanse of de Aziatische geschiedenis?