terug  begin  verderprepost

22 Londen: Cobban en Momigliano

In 1957 had Leiden geen instituut voor geschiedenis, geen docentenkamers, geen koffiekamer of restaurant. De Sorbonne, waar ik in 1950-1951 een enkele keer rondhing, was kaal, versleten en oncomfortabel. Pas in Londen leerde ik de universiteit kennen als een organisatie die niet alleen ideëel maar ook fysiek meer is dan een onderwijsinstelling met lesroosters, leslokalen en wat kantoren. Wat nu ook in Nederland gebruikelijk is, bestond in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, zoals men weet, al heel lang. Uit biografieën en romans leert men dat de senior common room van de grote universiteiten een functie vervulde in het intellectuele leven van de natie, positief gewaardeerd als een plaats waar geleerden uit verschillende disciplines een kop koffie drinken en ontspannen een kwartiertje over hun werk converse-

[p. 154]

ren, bekritiseerd als broeikas van intriges en roddel. Ik ging er graag naar toe als ik er tijd voor had en mijn vrije uren niet doorbracht in de prachtige leeszaal van het British Museum (de legendarische Round Room), nu zoals alle leeszalen waar ik vroeger veel en vaak werkte - die van de Gemeentebibliotheek in Rotterdam, van de Koninklijke Bibliotheek aan de Kazernestraat, van de Bibliothèque Nationale, van de Leidse bibliotheek aan het Rapenburg, van de Groningse universiteitsbibliotheek in de Kijk in 't Jatstraat - opgeruimd en naar een andere locatie verplaatst. Het was in deze zeer behaaglijke senior common room van University College dat men ook met de collega's van zijn eigen afdeling het gemakkelijkst in gesprek kwam.

Ik heb veel gepraat met de toenmalige hoogleraar in de Franse geschiedenis, Alfred Cobban (1901-1968). Hij was een uiterst beminnelijke en levendige man die een groot aantal boeken heeft geschreven, alom werd gewaardeerd, maar zich niet op de voorgrond drong. Hij begon in Londen als reader (1937) en heeft vrij lang, tot 1953, op een professoraat moeten wachten, aangezien in Londen toen de pedante stelregel bestond dat alleen een auteur die archiefonderzoek had gedaan, voor een leerstoel in aanmerking kwam. Dat had Cobban niet verricht, eenvoudig omdat over de door hem in zijn stijl behandelde thematiek in archieven niets te vinden was. Eén keer waagde hij er zich wel aan en dat werd een van zijn minst interessante boeken (Ambassadors and Secret Agents: the Diplomacy of the first Earl of Malmesbury at The Hague, 1954). Van 1957 tot 1965 kwamen de drie deeltjes van zijn Pelican Book A History of Modem France 1715-1962 uit, in 1964.publiceerde de Cambridge University Press zijn The Social Interpretation of the French Revolution, een geruchtmakend, vruchtbaar en moedig boek waarin hij zich tegen de min of meer marxistische opvattingen die toen in de Franse geschiedschrijving heersten, heftig verzette.

Cobban bezat een soort van venijnigheid die perfect harmonieerde met zijn aimabele natuur. Zij was scherp maar niet zwaar, ernstig maar niet dogmatisch. Hij had, vond ik, iets van een acht-

[p. 155]

tiende-eeuwer en dat paste goed bij de sympathie die hij voor dat urbane tijdvak voelde. Hij vertelde bij de koffie graag over de voortgang van zijn geschriften en zijn ideeën, en bracht de luisteraar in opwinding als hij weer een argument tegen de auteurs had bedacht die van de Franse Revolutie al zo lang een mythe hadden gemaakt. Onder zijn studenten zijn er meerdere geweest die op de door hem ingeslagen wegen zijn voortgegaan.

Wat er van zijn eigen werk nog bruikbaar is, weet ik niet. Ik vermoed dat naar zijn interpretatie van de Franse Revolutie niet vaak meer wordt verwezen; zo'n bijdrage aan een eindeloos voortgaand debat heeft per definitie slechts tijdelijk gezag. Zijn History of France vormt echter nog steeds een handzame en betrouwbare inleiding. Het heeft noch de omvang, noch de originaliteit, noch de ambitie van het in de Oxford History of Modern Europe verschenen en gedurende enige tijd uitzonderlijk succesrijke werk van Theodore Zeldin uit de jaren zeventig, France 1848-1955, dat in paperbackeditie vijf forse delen telt. Als intellectuele prestatie staat Zeldins werk op een hoger niveau dan Cobbans overzicht. Men leest het anders. Men ondergaat de lectuur van Zeldins duizenden bladzijden bijna passief, zoals men bijvoorbeeld ook Peter Gays vijf delen over The Bourgeois Experience (1984-1998) ondergaat. Het is of men zich aangenaam koestert in de milde zon van goed gesteld proza, dobberend in een comfortabel maar stuurloos schip. Dit is een prettige ervaring. Maar de tocht leidt nergens heen. Dit zijn boeken zonder pointe. Het is mooi dat ze geschreven werden. Als men er echter doorheen is, bladert men met iets van opluchting door de eenvoudiger teksten van Alfred Cobban.

Het was een voorrecht in de senior common room ook met Arnaldo Momigliano (1908-1987) te kunnen converseren. Hij was oud-historicus, al vroeg op zijn gebied wijd en zijd bekend, een ijverig bezoeker van wetenschappelijke bijeenkomsten op het continent en in de Verenigde Staten. Ik wist iets van zijn faam toen ik kennis met hem maakte, maar het was niet daardoor dat hij mij onmiddellijk trof als een uiterst boeiende persoonlijkheid.

[p. 156]

Ik heb zijns gelijke nooit ontmoet. Hij bezat de eigenlijk zelden voorkomende combinatie van onmetelijke geleerdheid, diepe ernst, sprankelende levendigheid en geestigheid. Hij was niet bescheiden, maar droeg licht aan zijn roem. Blijkens de mooie necrologie die W. den Boer in het Jaarboek van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen van hem schreef (1988, p. 163-168), heeft hij zijn vakgebied grondig vernieuwd. Telg van een intellectueel joods geslacht, door de rassenwaan waaraan zijn beide ouders en negen andere familieleden in Italië ten offer vielen, in 1938 uit zijn land verjaagd en naar Engeland gevlucht, groeide hij tot een kosmopoliet wiens kennis van vele talen hem inzicht in vele culturen gaf. Hij was op diverse terreinen deskundig en praatte met mij veel over de geschiedenis van de klassieke filologie in Nederland of negentiende-eeuwse Duitse geschiedtheorieën. Zijn interesses waren zo breed dat veruit het belangrijkste van zijn grote oeuvre uit artikelen en korte studies bestaat; het was alsof in zijn hoofd zo veel onderwerpen om aandacht vroegen dat er weinig tijd bleef voor de compositie van uitvoerige boeken.

Hij kleedde zich slordig. In al zijn zakken waren papieren, pennen en potloden gepropt. Het licht in zijn kamer in University College, een kamer vol boeken en paperassen, brandde tot laat in de avond. Hij vertelde mij later eens hoe heerlijk hij het had tijdens het gasthoogleraarschap in Chicago dat hij na zijn pensionering vervulde: het appartement dat hij bewoonde, keek uit op de bibliotheek en die bleef 's nachts open, zodat hij, wanneer hij niet in slaap kon komen omdat een of andere informatie hem ontbrak, er in pyjama en kamerjas terechtkon. Hij was misschien een zonderling, maar dan wel een die niet in zichzelf verzonken als een vreemdeling door het bestaan gaat. Hij leefde intens met het wereldgebeuren mee en hij was een briljant causeur, al was het niet altijd gemakkelijk zijn snelle, met een zwaar accent uitgesproken maar prachtige Engels te volgen.

prepostterug  begin  verder