Uit de adjectieven die zich opdringen nu ik een poging doe Renier (1892-1962) te karakteriseren - ik deed het al eens in 1963 in de in mijn bundel Politieke theorie en geschiedenis (1987) herdrukte necrologie - weet ik geen keuze te maken. Ik heb hem graag gemogen, regelmatig bezocht, zijn verhalen met plezier aangehoord en nooit goed geweten wat ik van hem denken moest. Maar juist dat gaf mij genoegen. Hij verenigde in zich zo veel tegenstrijdige ambities, talenten en zwakheden, hij was tegelijk zo narcistisch en zo genereus, zo plat en zo subtiel dat het mij onmogelijk leek wijs uit hem te worden. Ik heb dat dan ook al snel opgegeven en hem genomen zoals hij in zijn late jaren was: een bizarre persoon op wie ik niet uitgekeken raakte en voor wie ik grote, oprechte sympathie voelde.
Indien Momigliano (wanneer men mij dit oxymoron veroorlooft) een universele vakgeleerde was, dan was Renier een deskundige dilettant. Als gevolg van zijn gecompliceerde jeugd was hij, volgens eigen zeggen, nergens thuis, in geen land, in geen vak, in geen taal. Hij beweerde op zijn oude dag dat hij, geboren in Vlissingen als zoon van een Vlaamse Scheldeloods en een Waalse moeder, in diepste wezen een Franstalige Zeeuw was, want zijn moeder sprak in zijn kleinekindertijd Frans met hem en in zijn geboortestad ging hij op de lagere school. Hij doorliep, ongelukkig en onzeker, in Antwerpen en Leuven het middelbare onderwijs, natuurlijk met het Frans als voertaal, en begon waarschijnlijk toen hij een jaar of achttien was in Gent onder Pirenne de studie geschiedenis. Pirenne vereerde hij. Wat hij precies bij het uitbreken van de oorlog in 1914 beleefde, heb ik nooit goed begrepen. In elk geval vluchtte hij naar zijn ouders in Zeeland.
In 1915 vertrok hij naar Engeland. Zijn boezemvriend, met wie hij in Gent had gestudeerd en een woning had gedeeld, David Hallett, zoon van de Engelse consul in Gent, was in de zomer van 1914 naar Londen gereisd en had zich als student in University
College ingeschreven. Hij baande Gustaaf Reniers pad. In de met inzicht, goede smaak en tederheid geschreven herinneringen aan haar hoogst merkwaardige jeugd en aan haar liefde voor Gustaaf geeft: Olive Renier, zijn tweede vrouw, een genuanceerd portret van Hallett (Before the Bonfire, 1984, helaas slechts in een privéuitgave beschikbaar). David en Gustaaf zijn hun leven lang nooit ver uit eikaars bereik geweest, hebben gedurende lange perioden een fiat gedeeld en zelfs als een van hen op reis was, stonden zij telegrafisch of schriftelijk bijna dagelijks met elkaar in contact. In 1949 trokken Olive en Gustaaf bij David in in zijn elegante, vroeg-achttiende-eeuwse huis in Twickenham bij Marble Hill Park. Hallett bewoonde op de benedenverdieping een fraai gemeubileerde maar nogal donkere zitkamer, waar ik, wanneer ik Gustaaf mijn maandelijkse bezoek bracht, altijd een paar minuten mijn opwachting moest maken. Hij zat steeds in dezelfde stoel, een mooie oude man, en toen ik erop attent werd gemaakt, begreep ik het: de stoel was zo geplaatst dat hij waarheen hij ook keek, overal zijn gezicht in een spiegel zag gereflecteerd. De homoseksuele dandy, fysiek en intellectueel uiterst gracieus, een vertegenwoordiger nog van de fin-de-siècle en de Bloomsbury-cultuur uit zijn jeugd, bracht zijn laatste jaren in vermoeide zelfaanschouwing door. Bij zijn dood erfde Olive het huis.
Olive trouwde in 1939 met de ruim twintig jaar oudere man, die een kort, rampzalig huwelijk met de Ierse romanschrijfster Ka te O'Brien achter de rug had - de uiterst pijnlijke details ervan werden, zoals toen gebruikelijk, tijdens het langdurige en omslachtige echtscheidingsproces uitvoerig behandeld en in de verslaggeving in de pers bekendgemaakt. Dit tweede huwelijk werd een succes: Olive was - en is op hoge leeftijd nog steeds - een knappe vrouw. In de jaren dertig, toen Renier haar leerde kennen, moet zij een betoverend en origineel wezen zijn geweest. Zij was in zeer onconventionele omstandigheden opgegroeid, had een graad in Oxford gehaald en genoot van een onafhankelijk bestaan in Londen. Zij heeft haar hele leven haar eigen carrière in sociaal werk voortgezet, zakelijk, onsentimenteel en volstrekt
pretentieloos. Zij heeft daarnaast een tijdlang regelmatig artikelen in Vrij Nederland gepubliceerd. In 1984 vond de toenmalige redactie het echter niet de moeite waard haar boek te laten recenseren. Wanneer ik het niet zelf in NRC Handelsblad (8 februari 1985) had aangekondigd, zou het in ons land vrijwel geheel onbekend zijn gebleven, en dat zou niet alleen jammer, het zou beschamend zijn.
Renier ging ongaarne met pensioen. Hij was er, leek het, van overtuigd een groot pedagoog te zijn en jonge mensen met veel tact voor te bereiden op een rijk intellectueel en emotioneel leven. Of acteerde hij dat slechts? Men wist het nooit bij hem en, vond ik vaak, uit zijn buitengewoon beweeglijke en expressieve gezicht las men merkwaardigerwijs niet af waar zijn ernst begon of ophield. Hij nam het mij niet kwalijk dat ik de plaats innam die hij had gehoopt nog een jaar of wat te kunnen behouden, beijverde zich zelfs mij in de maanden voor mijn benoeming afkwam in lange, in verheven paternalistische stijl geschreven brieven gerust te stellen over de toekomst, te troosten over opgeworpen barrières, voor te bereiden op de werkzaamheden. Wat hebben Johanna en ik ons met deze correspondentie geamuseerd! Toen ik eenmaal in Londen was, is de aard van onze communicatie natuurlijk radicaal veranderd. Hij had eigenlijk niet veel aanspraak. Zijn oud-collega's zochten hem niet op; hijzelf verscheen bijna nooit meer op bijeenkomsten of recepties in de universiteit. Vandaar dat ik elke maand een middag naar Twickenham reisde en met hem converseerde. Ik vertelde hem over wat er in University College gebeurde, hij praatte graag over zijn leven en zijn inzichten. Wij hebben het vaak over de eigenaardigheden van zijn libido gehad - hij beweerde veel van Freud en eigen introspectie te hebben geleerd - maar beperkten ons niet tot dit thema. Van deze bezoeken keerde ik steeds in opperbeste stemming thuis, vooral als zij waren afgesloten met een superieur avondmaal bereid door de trouwe huishoudster, die, opgegroeid op het boerenland, mij overtuigde van de grote kwaliteiten van de vaak terecht zo geminachte Engelse keuken. Nu ik eraan terugdenk,
vraag ik me af of hij mij ooit uitnodigde over eigen passies en excentriciteiten, indien voorradig, te rapporteren, maar dat zal wel niet. Confidenties behoorden tot het aan hem voorbehouden repertoire. Hij was in een van zijn vele verschijningsvormen een kokette man die wilde choqueren. Het was een privilege dat ik hem graag gunde.
Renier kon niet zonder voldoening op zijn leven terugzien. Als journalist en publicist had hij kans gezien een mooie carrière te maken in een vreemde taal. Hij had boeken uit het Nederlands vertaald, hij had biografieën geschreven en één bestseller (The English: Are They Human?, 1931). Zijn relatie tot het vak waarin hij in 1930 bij Geyl promoveerde en waarmee hij sinds 1934 zijn brood verdiende - eerst als lecturer in de Europese geschiedenis, in 1936 als reader en in 1945 als hoogleraar in de Nederlandse geschiedenis - was zeer ontspannen. Het zuiver academische bedrijf vermeed hij. Hij schreef geen recensies en artikelen in geleerde tijdschriften, hij bezocht geen congressen, hij hield geen wetenschappelijke lezingen. Pas veertien jaar na zijn dissertatie kwam hij met een tweede historische studie, in zekere zin een oorlogsproduct: The Dutch Nation, in 1948 door hemzelf voor een Nederlandse uitgave vertaald en bewerkt (De Noord-Nederlandse natie). Dit is een aantrekkelijk werk, vol mooi geordende en frisse inzichten, kennelijk met grote liefde voor het onderwerp geschreven. Hij dankte er in Londen zijn verheffing tot het professoraat aan. Toen kwam in 1950 het boek dat als zijn meesterwerk was bedoeld, de samenvatting van wat hij met een zekere plechtstatigheid presenteerde als levenslange overdenkingen over en ervaringen met het vakgebied: History: Its Purpose and Its Method. De ontvangst ervan was over het algemeen niet onvriendelijk, maar koel. Voor de fundamenteel onzekere auteur die meende groot inzicht te hebben geopenbaard, was dit moeilijk te verwerken. De genadeslag bracht de Times Literary Supplement van 26 januari 1951. In een korte, onbarmhartige, uiterst geïrriteerde bespreking verwees de anonieme recensent - iedereen wist dat het niemand minder dan de beroemde Lewis Namier
was - het boek naar de prullenmand. De hypersensitieve Renier was hierdoor zo gekwetst dat hij een extreem besluit nam waaraan hij zich heeft gehouden: hij zou niet alleen nooit meer iets over geschiedenis publiceren, maar ook geen woord meer in het Engels. Geyl zorgde er later voor dat het werk in een Amerikaanse paperbackeditie werd herdrukt. Renier had daar geen genoegen in.
Ik heb Renier in 1957 dus leren kennen als iemand die afscheid had genomen van het vak in de engere zin van het woord, van het leraarsambt dat hij, meende hij zeker niet ten onrechte, rnet éclat en succes drieëntwintig jaar had vervuld en van de schrijftaal waarin hij zijn hele oeuvre had gesteld. Zijn ambitie was echter niet uitgeput. Hij wijdde al zijn aandacht en zijn resterende werkkracht aan zijn autobiografie. Hij zocht naar zijn wortels en dit intiemste van zijn werken schreef hij in het Nederlands. Hij vertelde er veel over. Ik had de indruk dat er nogal wat standaardverhalen in de conversatie opdoken, dat wil zeggen, al vele jaren herhaalde herinneringen aan gebeurtenissen uit zijn jeugd, in gesloten vorm gestolde anekdotes. Dat was echter zeker niet de hoofdzaak. Hij stelde zich ten doel ervaringen uit zijn vroegste kindertijd uit zijn geest op te diepen en in daartoe geëigend proza te beschrijven. Dit was, zei hij, ook van algemeen belang, want zo ver als hij konden slechts heel weinig mensen terug in de tijd keren. Hij verwachtte daarom dat zijn geschrift een bijdrage aan de psychologie zou vormen.
Vermoedde hij opnieuw dat hij een meesterwerk aan het schrijven was? Ik weet het niet. Ik heb op deze beschouwingen ook beslist niet adequaat gereageerd. Ik geloof dat ik mijn scepsis niet toonde en mijn lichte afkeer van deze al te gedetailleerde zelfbespiegeling bedwong. Op een gegeven ogenblik echter gaf hij mij een aantal - tien, twintig? - bladzijden ter inzage. Nu was Reniers taalgevoel buitengewoon groot. Hij sprak prachtig Frans, Nederlands en Engels. Toch trof zijn geschreven Nederlands mij hier en daar als nogal onnatuurlijk. Met heel goede bedoelingen heb ik daarom bij lezing van zijn tekst enkele wijzigingen voorge-
steld om de zinnen iets gemakkelijker te laten lopen. Dat had ik niet moeten doen. Hij bedankte me ervoor, maar heeft me daarna nooit meer iets laten zien en eigenlijk ook nooit meer uitvoerig over dit werk gesproken. Pas toen besefte ik dat mijn voorzichtige kritiek de omheining dreigde te doorbreken van het veilige taalkundige en emotionele privé-terrein waarop hij zich had teruggetrokken. De autobiografie is niet voltooid. Olive Renier heeft in haar Before the Bonfire gebruikgemaakt van enkele brokstukken ervan die bij zijn dood wel beschikbaar waren.
Hij stierf na een korte ziekte op 4 september 1962, een paar weken voor zijn zeventigste verjaardag. Wij brachten die zomer in Nederland door. Geyl bereikte mij, dankzij informatie van mijn ouders, op mijn vakantieadres, en samen reisden hij en ik naar Gustaafs crematie. Ik heb zijn dood als een verlies ervaren.