terug  begin  verderprepost

26 Jhr P.J. van Winter (l895-1990)

P.J. van Winter werd in 1939 hoogleraar in de geschiedenis in Groningen. Hij had toen al twee grote werken op zijn naam staan, beide in twee delen: het eerste (1927-1933) over het aandeel van de Amsterdamse handel aan de opbouw van de Verenigde Staten van Amerika op het einde van de achttiende eeuw; het tweede (1937-1938) over de Nederlandsche Zuidafrikaansche Spoorweg-Maatschappij. Geringe prestaties waren dat niet. Men ziet Van Winter er aan het werk in een stijl waaraan hij ook in de rest van zijn leven trouw is gebleven. Hij was een man die niet ophield in alle mogelijke archieven te zoeken naar materiaal dat hij voor zijn onderwerp nodig had en van zijn resultaten in brede betogen verslag deed. Hij bezat een indrukwekkende werkkracht en reisde op de zuinige manier die zijn generatie kenmerkte, tot op hoge leeftijd stad en land af om aan gegevens te komen. In kleine kring vertelde hij graag in urenlange lezingen hoe hij het ene detail uit het ene archief kon verbinden met een tweede detail uit een ander en zo, detail schakelend aan detail, iets van een verhaal kon construeren dat niemand ooit had bijeengepuzzeld. Zijn toe-

[p. 170]

hoorders vermaakten zich, zij het soms niet zonder enig ongeduld, over de precisie waarmee hij hen tevens inlichtte over het reisschema, de busverbindingen, de openingstijden, de persoonlijkheid van de archiefbeheerders en zelfs de weersgesteldheden die hij op zijn speurtochten had waargenomen. Geen moeite, besefte men, was ook de oud geworden man te veel en geen vreugde was hem dierbaarder dan die van de ontdekking. En steeds vond hij een thema dat zich voor zo'n behandeling leende. Zijn laatste publicatie, fris en enthousiast geschreven, dateert van 1988, het jaar waarin hij drieënnegentig werd. Hij moet een gelukkig man zijn geweest.

Het zou waarschijnlijk overdreven zijn om Van Winters ambtelijke bestaan in Groningen moeilijk te noemen. Hij was een man die in de universiteit en daarbuiten veel gezag bezat. Ook tussen de collega's en vakgenoten elders in Nederland was hij een opmerkelijke verschijning op wie vaak een beroep werd gedaan wanneer men zocht naar mensen die bereid waren een bestuurlijke functie in het wetenschappelijk bedrijf te vervullen. Maar toch. Over zijn eerste Groningse jaren viel de schaduw van de oorlog en na de oorlog leek de letterenfaculteit inclusief haar geschiedenisafdeling bij gebrek aan studenten in een dodelijke sluimer ten onder te gaan. In 1945 begonnen negen studenten aan de geschiedenisstudie maar daar waren er een jaar later nog maar drie van over en er kwam voorlopig niemand meer bij. Een wetenschappelijke staf was er niet. Van Winter kreeg wel een lector in de middeleeuwse geschiedenis naast zich, A.G. Jongkees, die al spoedig hoogleraar werd (en er was een leerstoel voor oude geschiedenis), maar daar bleef het bij, zodat hij in de jaren veertig en vijftig al bij al in een van nu uit gezien onwezenlijk lijkend isolement een taak moest zien te vinden. Pas in 1958 wekten Van Winter samen met enkele andere moedige professoren, onder wie Van Es prominent was, de faculteit uit haar versukkeling. Zij vestigden in de faculteit een mo-opleiding, dat wil zeggen, de verschaffing van een aan de universiteit verbonden zorgvuldig geprogrammeerde cursus voor niet van een gymnasium-alfadiplo-

[p. 171]

ma voorziene studenten die leraar wilden worden.

In een belangwekkende studie heeft M.G. Buist deze hele zaak in 1990 bij zijn afscheid uit de doeken gedaan (in IC van Berkel e.a. (red,), Nederland en het Noorden, p. 224-241). Bezien we haar in breder verband, dan blijkt Groningen in 1958 een principieel vernieuwende aanpak te hebben gekozen, die vooruitwees naar de ontwikkeling van de universiteiten in het algemeen van de late jaren zestig af. De universitaire mo-opleiding brak met twee oude tradities. Zij verliet het humanistische patroon van de letterenstudie: kennis van het Grieks was niet langer vereist, en kennis van het Latijn werd in elk geval ter discussie gesteld. Bovendien verschafte men de mo-studenten iets wat men de zogenaamde academische studenten die voor een doctoraaldiploma werkten, onthield: een goed opgezet en door een hele groep van stafleden gedoceerd studieprogramma. Wat men in de als wetenschappelijk bedoelde opleiding vermeed, achtte men voor niet van een gymnasium afkomstige leerlingen van wezenlijk belang: een duidelijke structuur. Men hield de beide opleidingen echter scherp uiteen. De academici studeerden uitsluitend onder de supervisie van de hoogleraren. De mo-studenten hadden uitsluitend hun eigen docenten, al dienden zij ook de professorale hoorcolleges bij te wonen. Toch is het opvallend dat Van Es en Van Winter, beiden uitgesproken representanten en verdedigers van de professorenuniversiteit, in 1958 met kracht en tact een vernieuwing hebben ingevoerd die niet alleen de faculteit het leven redde, maar het oude bestel tevens ondermijnde.

Ook na 1958 hield Van Winter zich dus in hoofdzaak slechts met de gymnasiasten bezig, al bewaakte hij de kwaliteit van de mo-cursus met aandacht. Hij was een opmerkelijke docent, uit volle overtuiging paternalistisch, maar verre van autoritair. Hij spaarde zichzelf noch zijn studenten. Er was, zoals gezegd, geen uitgewerkt studieprogramma; de studieduur stond niet vast en men weet het, een studieduur die niet vaststaat, neigt ertoe heel lang te worden. Van Winter betreurde dat niet. Studenten moesten rustig kunnen rijpen tot zij het doctoraaldiploma waard wa-

[p. 172]

ren. Hij hield zijn jonge wijn lang op fust (om zijn eigen uitdrukking te gebruiken). Dat was geen kwaadaardigheid; het was een buitensporig gevoel van verantwoordelijkheid dat hem beheerste, zoals ook de uitzonderlijke, in het hele land legendarisch geworden duur van de tentamens die hij afnam - een hele dag of soms twee dagen - en die hem zelf nog meer uitputten dan de getentamineerden, werd veroorzaakt door zijn originele versie van plichtsbetrachting. Hij maakte op zijn studenten veel indruk en was bij recepties na door hem bijgewoonde promoties steeds het middelpunt van mensen die eerst hem, in zijn laatste jaren zetelend in een rolstoel, de hand kwamen drukken en daarna pas de jonge doctor. Hij was een gedistingeerd heer, verzorgd, geestig, ad rem, met een voornaam accent, zich bewust van zijn waarde, liberaal in zijn opvattingen, geen scherpslijper of dogmaticus. Men herkende in hem zonder moeite de Hollandse patriciër; hij had echter niets plechtigs en was in het geheel geen gewichtigdoener. Ik leerde hem eigenlijk pas in 1966 goed kennen, toen hij al zeventig was, en ben er dankbaar voor dat ik me nog bijna een kwarteeuw soms in zijn aanwezigheid heb kunnen verheugen.

Toen ik in de Groningse geschiedenisafdeling verscheen, heerste daar Van Winters gezag nog onverkort. Als buitenstaander was ik daarvan natuurlijk minder onder de indruk dan de oude getrouwen. Al bloeide de afdeling, die toen een 150 studenten had, en was de stemming er goed, er zaten in de opzet elementen die, leek mij, nadere beschouwing waard waren. Ik heb in de loop van de jaren ijverig meegewerkt aan herzieningen en deze zo gestuurd dat zij een situatie schiepen die in enkele opzichten op het Engelse onderwijsstelsel leek. Van Winter zelf deed nooit enige poging invloed op zijn opvolgers uit te oefenen en ik weet in het geheel niet wat hij van de wijzigingen heeft gedacht. Misschien heeft hij ze positief kunnen waarderen. Na zijn aftreden begon hij in opdracht van de Raad van Europa een grote documentatie en analyse van de in de verschillende universiteiten vigerende onderwijsprogramma's met betrekking tot de geschiedenis. Het rapport verloor direct na voltooiing zijn betekenis: de overal ont-

[p. 173]

staande onlusten veranderden alles. Maar Van Winter gaf in kleine kring zeer uitvoerige inlichtingen over wat hij in de landen van de Raad allemaal gevonden had, en hij bereikte tot mijn grote verrassing een duidelijke conclusie: de Britse opzet was verre superieur. Heeft hij beseft dat hij daarmee in zekere zin afstand nam van zijn institutionele nalatenschap?

prepostterug  begin  verder