terug  begin  verderprepost

29 De Belgische connectie

Ik houd niet van reizen; ik houd niet van sightseeing; ik houd niet van toerisme. Natuurlijk heb ik me als twintigste-eeuwer nooit kunnen onttrekken aan de familiaire, sociale of ambtelijke verplichting (die vaak uiteraard ook veel charme had) me veelvuldig in en buiten Europa te verplaatsen maar de buitenlanden waar ik niet het gevoel heb een vreemdeling en indringer te zijn, zijn gering in aantal en liggen om de hoek van de straat waar ik woon: Duitsland, Frankrijk, Engeland, België. Verder reikt de mij werkelijk enigszins vertrouwde wereld eigenlijk niet en dat zal wel zo blijven, want aan de globalisering van het bestaan kom ik zeker niet meer toe. Ik ben, kortom, een huismus, al heb ik in totaal ongeveer twaalf jaar buiten de Nederlandse grenzen gewoond.

Toch heb ik me vaak verbaasd over het nog veel grotere gebrek aan reislust van mijn ouders. Mijn vader had in zijn jeugd veel en lang door Duitsland getrokken en daar later met vrouw en kinderen tot in de vroege jaren dertig enkele keren een zomervakantie

[p. 182]



illustratie
Ernst en Johanna Kossmann, congres Folger Shakespeare Library, Washington DC, maart 1987.

doorgebracht. Daarna is hij er, ook na 1945, nooit meer geweest, bepaald niet om principiële redenen, want kortzichtig was hij niet, maar uit ik weet niet wat voor weerzin tegen verplaatsingen of tik zuinigheid of beide. Na de dood van mijn ouders heb ik soms iets van spijt gevoeld dat ik hen niet eens op een autotocht door Duitsland heb uitgenodigd. Ik ben er zeker van dat zij, mat en moe en over allerlei toestanden in de familie zeer bezorgd, zo'n tocht als een bevrijdende ervaring beleefd zouden hebben, ook al waren veel van hun vroegere pleisterplaatsen misschien verwoest of in gewijzigde vorm opgebouwd. Gelukkig hebben wij hen wel tweemaal in Londen te logeren gehad en deze bezoeken verrukten hen. Dat echter was alles. Mijn vader heeft geen enkel ander land ooit bezocht.

Maar naar België ging hij wel. Hij hield van Antwerpen, gaf er zo nu en dan een lezing en nam zijn zoons in de jaren dertig soms mee op een uitstapje daarheen, op de fiets uit Rotterdam. Hij fietste graag, tot op vrij hoge leeftijd. Toen ik het dagboek uit zijn jeugd las, werd ik soms moe alleen van het lezen over al dat gefiets. Zijn rijwiel dateerde van voor 1914. Hij liet het als het uit elkaar viel steeds weer opbouwen, maar heeft het nooit vervangen;

[p. 183]

al zal er, toen hij er definitief van afstapte, wel geen oorspronkelijk onderdeel meer aan hebben gezeten. Ik beweer niet me van die fietstochtjes naar Antwerpen zestig jaar later iets concreets te herinneren, maar weet zeker dat wij er veel plezier in hadden en ons in de benarde crisistijd met onze door Colijn hard gehouden guldens in Antwerpen met zijn gedevalueerde franken meer konden veroorloven dan in Rotterdam. Bovendien, Antwerpen voelde als buitenland en dat was een mooie sensatie.

Na de oorlog is in hoofd en hart het begrip ‘buitenland’ totaal veranderd. Wat kan het voor mij omstreeks 1960 voor zin hebben gehad? Wij woonden in Londen. Ik had net een boek over Nederlandse politieke theorie in de zeventiende eeuw geschreven, in het Nederlands. Ik besprak in mijn seminar in het Engels de lopende Nederlandse historiografie op basis van in het Frans gestelde recensies. Ik bereidde mij voor op de studie van de negentiende- en twintigste-eeuwse geschiedenis van België ten bate van een door de Oxford University Press besteld boek. Vergeleken met heel wat collega's en kennissen in Londen die meer en gevarieerder achtergronden in zich verenigden, bleef de kring waarin mijn gedachten zich bewogen beperkt van omvang, maar hij was desondanks binnen de grenzen van Nederland niet goed meer te vatten. Toch had ik niet de wens te doen of ik een kosmopoliet was, en bezat ik ook zeker de geestelijke elasticiteit niet die vereist is om dat te worden. Ik was nu eenmaal opgegroeid als Hollandse provinciaal en had geen reden die afkomst te verloochenen. Dat Antwerpen echter buitenland was, nee, dat kon ik niet meer navoelen. Met andere woorden, het buitenland is na 1945 heel wat kleiner geworden dan het voor mij als vijftienjarige in de jaren dertig was, maar het is waarschijnlijk veel groter dan voor de wereldwijd bereisde vijftienjarigen uit de jaren negentig.

Buitenland, vaderland, natie zijn concepties waarmee een historicus onvermijdelijk in aanraking komt, ik natuurlijk ook, zeker toen ik op me nam de geschiedenis van Nederland en België vanaf 1780 in één boek samen te vatten. Het zijn heel dubieuze concepten; zo nu en dan heb ik geprobeerd de aard en zin ervan

[p. 184]

in intellectuele betogen te analyseren. Echt geboeid heeft de problematiek me echter nooit, om de eenvoudige reden dat ik er gevoelsmatig niet bij betrokken ben. Ik ben altijd een zelfverzekerde Nederlander geweest die geen behoefte had energie te verspillen aan de zijns inziens zinloze vraag of zijn geboortestreek beter dan wel slechter is dan de geboortestreken van andere volkeren. Ik heb het altijd als een voorrecht beschouwd dat ik ter bevestiging van mijn besef van eigenwaarde geen nationale sentimenten nodig had. Eigenlijk vermoed ik trouwens dat het tallozen in ons land net zo gaat, en de veel gehoorde klacht over Nederlands gebrek aan nationale trots het feit miskent dat de oorzaak daarvan ons onberedeneerde zelfvertrouwen is. Dat steunt niet op grote woorden. Misschien zal het kortzichtig blijken en zal Nederland juist door deze gemakzuchtige eigenwaan in het postnationale Europa verloren gaan. Ik prijs het niet in mezelf, maar erken dat het me niet lukt daarover te tobben.

Hoe dat zij, de afwezigheid van nationale gevoelens in mijn emotionele huishouding maakte het me mogelijk, denk ik, de Belgische geschiedenis met enige distantie en kalmte als een uiterst boeiend en ingewikkeld studieobject te onderzoeken, zonder me, zoals Geyl, te laten leiden door vooropgestelde principes met betrekking tot taal, stam en natie. Elders in deze bundel schrijf ik iets over het boek zelf dat me zo veel jaren naast andere werkzaamheden heeft beziggehouden, hier noteer ik slechts dat het mijn contacten met België, met Belgen, met Vlaamse historici tot mijn diepe tevredenheid in grote mate heeft vermenigvuldigd. Ik heb ook met veel plezier bijdragen geleverd aan in Vlaanderen verzorgde publicaties en de vrijzinnigheid gewaardeerd van Vlaamsgezinde uitgeverijen die mij toestonden in mijn afstandelijke houding ten aanzien van voor hen wezenlijke kwesties te volharden. Een van de aardigste connecties werd die met Jozef Deleu, oprichter van de Stichting Ons Erfdeel, groot bevorderaar van. de Nederlands-Vlaamse relaties, initiator van ik weet niet hoeveel volwaardige culturele ondernemingen. Mijn vrouw (die er het meeste aan deed) en ik schreven in 1987 een

[p. 185]

boekje voor hem over De Lage Landen. Geschiedenis van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, van de Romeinse tijd tot 1980, in zestig kleine bladzijden, enkele illustraties inbegrepen. Wie doet het ons na? Dankzij Deleus vindingrijkheid heeft deze brochure in de loop van de jaren kunnen verschijnen in het Nederlands, Frans, Duits, Engels, Spaans, Italiaans, Zweeds, Pools en Russisch en komen vertalingen in het Hongaars en Roemeens binnenkort tot stand. Wie doet het hém na?

Een blaamloos geleerde die door zijn geschriften enige aandacht heeft getrokken en zich ook mondeling redelijk weet uit te drukken, krijgt als hij tegen de zestig loopt te maken met sociale rituelen waaraan een verstandig mens zich dankbaar en gewillig onderwerpt, tot iedereen er genoeg van heeft. Hij wordt uitgenodigd om redevoeringen af te steken, dat wil zeggen, niet zomaar lezingen, want die levert iedere academicus in onze uiterst spraakzame cultuur ontelbare keren af, maar statige oraties bij plechtigheden in grote kerken, paleizen, stadhuizen en schouwburgen. Zo is het mij vergaan. Ik heb in de jaren tachtig en vroege jaren negentig ten minste elfmaal in Groningen, Leiden, Den Haag, Amsterdam, Haarlem een kansel bestegen en ten minste zevenmaal een koning of koningin onder mijn gehoor gehad. Ik heb georeerd in het Nederlands, het Engels, het Frans en het Duits. Ik heb me soms een Nederlandse verschijningsvorm van de Britse public orator gevoeld, en me daarmee beslist ook wel vermaakt. En ik kreeg in die tijd enkele mooie prijzen, enkele mooie erepenningen, enkele mooie decoraties. Ik kreeg bovendien een eredoctoraat.

Dat was in februari 1982 in Leuven. Ik was bepaald niet de grootste van de vier toen gelauwerden. De beroemde Vlaamse farmacoloog Paul Janssen, de befaamde historicus Jacques Le Goff en de vereerde Braziliaanse kardinaal Aloisio Lorscheider ontvingen eveneens de erebul. Het was een bijzonder aangename bijeenkomst in de Leuvense aula, plechtig maar niet zwaar, ernstig maar niet pompeus. Onze goede vriend Maurits de Vroede - auteur van een groot en belangrijk oeuvre - trad als mijn promo-

[p. 186]

tor op. De buitenlandse eredoctoren hadden ieder een eigen taak. De kardinaal droeg in de kerk een mis op. Le Goff hield in de universiteit een lezing. Wij schreden van universiteit naar kerk en terug in toga over straat. Maar daar rumoerde een revolte van studenten die luidruchtig demonstreerden tegen de verhoging van de prijzen in de mensa. Toen de promoties aanvingen dromden zij het gebouw binnen en gingen ze op het grote balkon zitten. Zij waren muisstil. Nadat iedereen, hoogst elegant, zijn zegje had gedaan moest een van de geëerden namens ons vier een woord van dank uitspreken. Men had mij gevraagd dat te doen. Ik deed dat natuurlijk graag, maar wat voor taal gebruikt men mede namens een Fransman en een Braziliaanse aartsbisschop in een Nederlandstalige universiteit, betrekkelijk kort tevoren met veel spektakel losgemaakt van de Franstalige afdeling? Ik had bij mijn Vlaamse collega's tevergeefs om raad gevraagd. Ik besloot in mijn verwarring dan in vredesnaam maar een tekst in het Engels te schrijven, een geestige tekst, vond ik, in de werking waarvan ik het grootste vertrouwen had. Er gebeurde die ochtend echter iets onverwachts. De kardinaal bleek enige tijd in een Limburgs klooster te hebben doorgebracht en hij liet dat blijken: hij hield zijn preek in de kerk in het Nederlands. Veel tijd om verder over mijn taalkeuze na te denken had ik niet want ik volgde de plechtigheid in de aula met grote aandacht. Maar toen ik achter de lessenaar stond, mijn Engelse tekst neerlegde en mijn mond opende, hoorde ik me in het Nederlands zeggen dat ik van plan was geweest Engels te spreken, omdat dat de nieuwe wereldtaal was, daar nu echter van afzag omdat Lorscheiders optreden mij had doen inzien dat het Nederlands dat predikaat verdiende. Daarop gebeurde iets wat ik nog nooit had meegemaakt. De rebelse studenten stonden op, klapten, juichten, gaven mij een allervrolijkste ovatie. Daar stond ik, sceptisch, weinig geneigd tot nationale opwinding, nu zowaar een minuut of wat een held die fier de glorie van onze taal hooghield. Ik prijs mezelf dat ik zonder aarzeling, of hapering mijn tekst, in het Engels gesteld en gedacht, in vloeiend Nederlands heb weten uit te spreken.

prepostterug  begin  verder