Toen ik in 1987, vijfenzestig jaar oud, met pensioen ging, had ik gedurende een jaar of zesendertig in de universiteit gewerkt en college gegeven. Ik voelde spijt noch opluchting dat deze periode voorbij was. Zoals waarschijnlijk voor de meeste universitaire docenten was het onderwijs voor mij nooit een roeping geweest of geworden; het was eenvoudig een beroep dat soms lastig was, maar als men er niet al zijn ambtelijke tijd aan hoefde te besteden, over het algemeen heel aantrekkelijk. Het contact met studenten, hun kritiek of hun bijval, gaven aan een maatschappelijke existentie die bewust tot de beoefening van een wetenschap beperkt werd, veel levendigheid, zo nu en dan zelfs spanning en emotie. In een puur onderzoeksinstituut zou ik me beslist wanhopig hebben gevoeld. Als ik niet in de universiteit een bestaan had kunnen vinden, had ik misschien een broodwinning gezocht in een of andere bestuurlijke functie of in de uitgeverij of in de journalistiek, al zou ik daar wellicht helemaal niet geschikt voor zijn geweest. Gelukkig is de keus mij bespaard gebleven. Ik beschouw het als een voorrecht dat ik in de universiteit heb mogen werken, een instelling waarvan ik het belang, de omvang en de kwaliteit gedurende mijn leven in grote mate heb zien groeien. Het valt me moeilijk de zin van de in onze kringen courante eenzijdige kritiek op de ontwikkeling van de universiteit te doorgronden, al is de regie van het hoger onderwijs vanuit het Haagse departement inderdaad soms heel verward en stoot men ook in de academische wereld hier en daar op misstanden. Het enige wat me in het bedrijf de laatste jaren werkelijk stoort, is de vulgaire retoriek over toponderzoek en excellentie waarin universiteiten zouden schitteren, terwijl ieder redelijk mens inziet dat zij slechts een klein groepje genieën en een grote meerderheid van studenten en docenten van de goede middelmaat kunnen herbergen.
Ik weet in de verste verte niet of ik een goede docent ben geweest. Over belangstelling heb ik nooit te Hagen gehad. De door

E.H. Kossmann neemt afscheid van zijn instituut met een laatste
college (over Heiman Coschmann), Groningen, 17 december 1986.
mij aangeboden werkcolleges liepen vaak overvol en het publiek bij
mijn hoorcolleges bleef vrijwel altijd stabiel. Bewijst dat iets? Waarschijnlijk
niet. Het criterium voor goed onderwijs is tenslotte of de studenten er iets van
enig belang van opsteken. Ik ben er niet zeker van dat ik nuttige kennis heb
kunnen leveren. Weinig geneigd anderen te vertellen wat en hoe ze moeten denken,
gaf ik waarschijnlijk niet veel concrete aanwijzingen ten bate van een
voorspoedige studie. Er zijn twee woorden in het vocabulaire van het onderwijs
die kwaliteiten aanduiden waaraan ik nooit heb kunnen of willen voldoen:
begeleiding en leermeesterschap. Als begeleiding van een student betekent dat
hij zijn in bewerking genomen opstel of scriptie paragraaf na paragraaf met zijn
docent bespreekt en door deze laat verbeteren, als begeleiding van de
promovendus inhoudt dat deze om de twee weken verslag van zijn vorderingen komt
doen, dan is het duidelijk: ik heb in die functie volkomen gefaald. Het is me
altijd onmogelijk geweest me goed in de geest van dit soort hulpzoekers te
verplaatsen en ik
heb in gevallen als deze dus met wat raad en opmonterende beschouwingen moeten volstaan. Pas wanneer ik concrete teksten voor me had, kon ik proberen me voor te stellen wat de auteur precies probeerde uit te drukken en eventueel aangeven waar mijns inziens zijn materiaal of zijn argumentatie of zijn stijl tekortschoten en hoe hij zijn product kon opknappen. Aan dit tijdrovende werk heb ik soms veel genoegen beleefd omdat ik mede als gevolg daarvan boeiende verhandelingen heb zien ontstaan.
Ik kan geen betekenis van het woord ‘leermeester’ bedenken die het mij mogelijk maakt te veronderstellen dat ikzelf er een heb gehad of er zelf een had willen worden. Het past ook niet in de traditie van de moderne Nederlandse geschiedschrijving. Al praat men nu ook in het geschiedenisbedrijf veel over onderzoeksscholen, in feite bedoelt men daar niet mee wat er in het traditionele Nederlandse spraakgebruik mee werd aangeduid. Het is het Engels dat de huidige naamgeving heeft bepaald. In het Engels (net als in het Frans) noemen beroemde wetenschappelijke instellingen zich vaak ‘school’, wij deden dat tot voor kort eigenlijk niet. De onderzoeksscholen van nu volgen dit buitenlandse voorbeeld, al zijn ze wel een zeer merkwaardig soort scholen, papieren constructies zonder gebouwen, zonder geprogrammeerd onderwijs en zonder staf. Maar spreken we over de school van Robert Fruin of van de Utrechtse mediëvist Oppermann, dan bedoelen we natuurlijk iets heel anders: een groepje mensen die de wetenschappelijke belangstelling van hun leermeester delen, de door hem ontwikkelde methoden toepassen en zijn werk in zekere zin voortzetten. Misschien is ook de school van Slicher van Bath er een voorbeeld van, al heeft de initiator zelf zich én uit zijn eigen school én uit het door hem in Wageningen opgezette onderzoek al vrij spoedig teruggetrokken. Wellicht hoopte de Amsterdamse mediëvist J.F. Niermeyer (1907-1965) om door zijn promovendi nogal nauwkeurig omschreven thema's voor te stellen de Utrechtse school van zijn leermeester Oppermann in gewijzigde vorm voort te zetten, maar zijn vroege dood maakte een

E.H. Kossmann op weg naar zijn afscheidsrede in het Akademiegebouw,
Groningen, 27 januari 1987.
einde aan de met succes op gang gebrachte ontwikkeling. Geyl en Romein
concentreerden zich zo op hun eigen productie dat zij de intentie een ‘school’
te stichten - een intentie die zij in theorie waarschijnlijk wel hadden -
feitelijk nooit hebben trachten te verwerkelijken. Het beste bewijs voor de
onwil van Nederlandse historici een min of meer gesloten equipe van leerlingen
te vormen is het feit dat ook de prominenten uit de Vrije Universiteit en uit de
Katholieke Universiteit van Nijmegen daar niet naar hebben gestreefd. Indien
ergens dan zou men toch in die in een eigen levensbeschouwing verenigde kringen
zo'n impuls hebben kunnen venvachten. Zelfs Rogier, bewonderd en soms vereerd
door zijn leerlingen, heeft geen school gemaakt en hij werd opgevolgd door Poelhekke, die na zijn studie in Leiden wel in 1948 in Nijmegen promoveerde, maar de intellectuele ambities van zijn voorganger in het geheel niet deelde.
Onder de hoogleraren die na ongeveer 1960 aantraden, zijn er tot nu toe, meen ik, geen geweest die van hun promovendi verwachtten (of eisten) dat zij de methoden en de thema's van hun promotor overnamen. Natuurlijk oefenden dezen soms invloed uit, zowel bij de keuze van het onderwerp als bij de bepaling van de aard van de behandeling ervan. Een min of meer samenhangend geheel van onder zijn leiding bewerkte dissertaties heeft geen promotor echter kunnen of willen nalaten. Ik ook niet. Misschien ligt in sommige van de boeken die ik als promotor bewaakte, wat meer. nadruk op politjek-theoretische en politiek-culturele aspecten dan in andere steden gebruikelijk is, een principieel uitgangspunt is deze belangstelling nooit geweest. Geen mens zal de moed hebben mij ervan te beschuldigen dat ik een leermeester ben geweest. En om hoeveel dissertaties gaat het ook? In Londen had ik er slechts vier onder mijn hoede. Voor drie daarvan nam mijn opvolger K.W. Swart de al bijna voltooide taak over. De vierde kwam veel later elders gereed. In Groningen werkte ik steeds met het grootste genoegen mee aan de totstandkoming van drieëntwintig dissertaties. Dat is geen groot maar, binnen de mogelijkheden van het, om het zo te zeggen, nog niet geïndustrialiseerde promotieonderzoek van enige tijd geleden, ook weer niet beschamend klein aantal. Elf van deze promoti zijn zelf op hun beurt hoogleraar geworden. Al is dat hun en niet mijn verdienste, ik zie niet in waarom ik me er geen gevoel van tevredenheid over zou mogen veroorloven.