terug  begin  verderprepost
[p. 192]

31 Geschriften: uitgangspunten

Drie zoons had mijn vader, ik heb het al verteld: mij, mijn tien minuten na mij geboren broer Alfred en een broer van twee jaar jonger, Bernhard. En hij had, zeiden wij vaak vermaakt tot elkaar, drie talenten: hij beoefende de wetenschap, hij dichtte in zijn jeugd talloze werkstukken, hij was een goed pianist, had een geschoolde zangstem, en componeerde zijn leven lang soms heel ambitieuze muziek. Zijn genetische erfenis verdeelde hij keurig over zijn nageslacht. Ik zette zijn wetenschappelijke neigingen voort, Fred werd een professionele schrijver, en Bernd een professionele violist. Of om het anders te zeggen: de zoons werkten door hun beperktheid elk een van de in hem aanwezige talenten uit tot op het niveau van een echt beroep. Hijzelf deed dat niet. Hij werd bibliothecaris, van 1923 tot 1958 werkzaam aan de Gemeentebibliotheek van Rotterdam, en hij was daar niet ontevreden mee. Met het dichten stopte hij toen hij een serieuze huisvader was geworden. Aan de perfectionering van zijn muzikale techniek werkte hij later ook niet meer voort. Hij bleef echter muziek schrijven en in een fraaie, kort voor zijn dood voor intimi opgestelde beknopte terugblik op zijn muzikale verleden verklaarde hij uitdrukkelijk dat zijn creatieve behoeften alleen in de muziek vervulling bleken te kunnen vinden. Maar geen, of bijna geen van zijn composities werd ooit in het openbaar uitgevoerd. Over zijn wetenschappelijk onderzoek was hij bescheiden. Na zijn belangwekkende en als origineel gewaardeerde proefschrift uit 1922 over het Nederlandse versritme heeft hij heel wat in geleerde tijdschriften of in boekvorm gepubliceerd, over van alles en nog wat, maar vooral over de rederijkers, voor wie hij al tijdens zijn studie grote belangstelling had opgevat. Deze studies betroffen over het algemeen concrete, bijzondere gevallen en problemen; zij waren, net als het grote, zeer gevarieerde oeuvre van zijn vader, positivistisch van karakter. In zijn jeugd had hij andere beschouwingswijzen gezocht. In zijn dagboek vroeg hij zich op 21

[p. 193]

juni 1913 - hij was toen twintig jaar- af wat de grondslagen van de mentaliteitsgeschiedenis waren en hoe die nieuwe wetenschap moest heten, waarvan alle tegenwoordige wetenschappen slechts studievakken zouden zijn (mentalica? mentelogie?), en hij stelde zich voor een ‘Geschiedenis der Liefde’ te schrijven. Hij zat toen te lezen in de dissertatie van de linguïst en etnoloog J.P.B. de Josselin de Jong, die op 15 mei bij Uhlenbeck was gepromoveerd op De waardeeringsonderscheiding van ‘levend’ en ‘levenloos’ in het Indogermaansch vergeleken met hetzelfde verschijnsel in enkele Algonkintalen. Ethno-psychologische studie. Maar al was deze tekst zonder twijfel zijn inspiratiebron, hij zocht, lijkt het, toch iets anders dan deze. Vijf jaar later, begin 1918, wilde hij een enigszins uitgewerkte brochure maken over ‘De muziekwetenschap in Nederland’ als voorloper van een ‘Handboek der Nederlandsche muziekgeschiedenis’. Dit zijn opvallend ambitieuze en voor die tijd hoogst moderne ontwerpen; er is geen begin van uitvoering aan gegeven.

Mijn broers en ik zullen nooit de gedachte aanvaarden dat zijn leven tot op zekere hoogte een mislukking was. Maar de vraag waarom hij de bepaald niet dilettantische initiatieven uit zijn jeugd niet tot rijpheid heeft kunnen of willen brengen, hebben wij ons vaak gesteld zonder er een antwoord op te vinden. Mij persoonlijk boeit in het bijzonder zijn relatief lage waardering van de wetenschap in het geheel van zijn werkzaamheid, hoewel hij eigenlijk alleen daarin (naast zijn algemeen gewaardeerde ambtelijke bestaan) tot resultaten kwam waarvan zijn tijdgenoten kennis wilden nemen. De letterenwetenschap, de filologie en ook de (cultuur)geschiedenis waren voor hem in zijn latere ontwikkeling nuchtere disciplines die zeker de moeite waard waren als steun voor het begrip van de scheppende kunst, maar zelf de kern van de menselijke existentie niet raakten. Dit betekende echter noch voor hem noch voor zijn vader dat zij de kunsten lyrisch verheerlijkten. Integendeel, het zuiver lyrische artiestendom stootte hen af. Mijn grootvader, doordrenkt van Duitse muziek en letterkunde, was in zekere zin een lid van het Bildungsbürger-

[p. 194]



illustratie
F.K.H. en Doortje Kossmann, Diergaarde Rotterdam, juni 1926.

tuni, met gelijke nadruk op beide elementen van dit woord. Mijn vader Haagde in zijn dagboek soms dat hij, op bezoek in het ouderlijk huis, weer eens naar de vleugel werd gesleept om met hem een stuk uit het voor vier handen samengevatte symfonische repertoire van Mozart tot Bruckner en Mahler te spelen. En dit lezende dacht ik terug aan de ruime, tot bibliotheek, studeer- en muziekkamer ingerichte eerste verdieping van zijn huis in Den Haag, waar de vleugel prominent aanwezig was en het, vond ik als jongen, geruststellend geurde naar boeken, pijptabak en ouder-

[p. 195]



illustratie
F.K.H. Kossmann, 1957.

dom. In de hongerwinter 1944-'45 zat hij daar tot kort voor zijn dood gebogen over de acht delen van een van 1723 tot 1743 in Den Haag uitgegeven Nouveau Recueil de chansons choisies. Beschaving dus, zeker, maar tegelijk gedisciplineerde burgerlijkheid. Mijn vader wilde niets weten van de Tachtigers en hun epigonen, en concentreerde zijn lectuur op zeventiende- en zestien-

[p. 196]

de-eeuwers. In de muziek ging zijn affectie op den duur van Bach terug naar Purcell en kwam zij op het laatst van zijn leven terecht bij William Byrd. Voor de werken van Huizinga hadden beide mannen weinig begrip. Ik vermoed dat zij er een zekere Schöngeisterei in meenden op te merken die zij wantrouwden.

Mijn belangstelling voor de geschiedenis steunde op andere voorkeuren. Ik had voldoende van de filologische praktijk gezien om te weten dat ik me daartoe niet wilde beperken. Al leefde ik in de traditie van mijn vader en grootvader, ik zocht in de geschiedenis naar bredere concepten, interpretaties en appreciaties dan zij geoorloofd achtten. Als jongen had ik me enigszins voor de wijsbegeerte geïnteresseerd en ik heb er als student colleges in gevolgd. Toch gaf die discipline me weinig houvast en ik heb nooit begrepen hoe iemand zich tot volgeling van een van de talloze tegenstrijdige systemen kon maken - bewees de tegenstrijdigheid niet de willekeurigheid van allemaal? Ik kan me ook niet herinneren ooit te hebben geloofd dat de filosofie in staat zou zijn de geschiedenis in een alles verklarend intellectueel stelsel samen te vatten. Dat de filosofie net als de theologie echter een glorieus object van historisch onderzoek kon zijn, was mij duidelijk en ik heb me soms ingespannen om de fundering en het effect ervan in bepaalde concrete historische perioden vast te stellen. Het waren de al genoemde Ter Braak en Huizinga en later talloze anderen die mij op dat spoor zetten. Ik leidde er mijn belangstelling voor de geschiedenis van de politieke filosofie uit af, een onderwerp dat in mijn begintijd in Nederland niet met veel zorg werd bestudeerd.

Niet alleen mijn behoefte aan conceptualisering en interpretatie bracht mij tot een andere vorm van geschiedenis dan die van mijn vader en grootvader; ook mijn neiging om dat wat ik wilde meedelen te vatten in, als de uitdrukking geoorloofd is, narratieve betogen of zo systematisch mogelijk vertelde en gearticuleerde verhalen, deed dat. Ik heb een voorkeur voor een mengvorm van betoog en vertelling, argumentatie en verhaal. Aan zuiver theoretische verhandelingen heb ik me nooit gewaagd, maar de

[p. 197]

pure vertelling bevredigde me evenmin. Noch bij Ter Braak noch bij Huizinga vond ik steun voor deze manier van doen. De geschriften van Ter Braak die me in de vroege jaren veertig van de letteren naar de geschiedenis hadden gebracht, herlas ik na de oorlog niet. Huizinga las en herlas ik wel, met evenveel aandacht als bewondering. Maar ik ben eigenlijk steeds heel vreemd tegenover zijn werk blijven staan. Zijn ‘weg tot de historie’ - hij beschreef die in zijn late jaren - was zo anders dan die van mijzelf, zijn nadruk op de ‘verbeelding’ en zijn zeer literaire stijl verschilden zozeer van wat ik wilde, zijn afkeer van de eigen tijd en wanhoop over de cultuur waarin hij moest bestaan, botsten zozeer met mijn fundamenteel opgewekte levensgevoel, dat ik, al ken ik het oeuvre door en door, wel sterk onder de indruk maar niet onder de invloed ervan ben geweest. Met zijn beroemde beschouwingen over het esthetische bestanddeel van historische voorstellingen of over de historische sensatie kon en kan ik weinig beginnen.

Ik had voor wat ik zocht een stijl nodig. Ik ben er in het geheel niet van overtuigd een adequate gevonden te hebben. Hij moest, meende ik, concies zijn, niet hoogdravend en niet koket. Hij moest niet literair zijn. Ik moest op het terrein blijven dat ik van mijn vaders talenten had geërfd, en mocht niet gaan vagebonderen op dat van broer Alfred. Aan die was het scheppende schrijverschap toegevallen, en ook al breidde ik het domein van de wetenschap uit en wilde ik meer dan verslag doen van concreet onderzoek, de geschiedschrijving die ik beoefende had geen literaire ambities en vleide zich niet met de gedachte dat ook zij ‘verbeelding’ en ‘evocatie’ kon worden. Nee, zij moest in koel, kort en gedistantieerd proza - levendig als het kon, en elegant zonder behaagzucht of effectbejag - berichten over thema's van niet al te kleine omvang. Zo heb ik het ook geprobeerd te doen, wel wetende dat ik daartoe slechts half in staat was en dat hetgeen ik voor mijzelf geldig achtte, voor anderen geen betekenis behoefde te hebben.

prepostterug  begin  verder