De Lage Landen 1780-1980


auteur: E.H. Kossmann


bron: E.H. Kossmann, De Lage Landen 1780-1980 (2 delen). Agon, Amsterdam 1986   


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

4. Nederland in de jaren 1840

Al in de jaren twintig gaven de Belgen aan hun politieke gedachten een moderner vorm dan de Nederlanders en in de jaren dertig werd ook de struktuur van hun economie moderner dan die van hun noorderburen. Pas na 1840 trachtte Nederland, onder economisch steeds moeilijker omstandigheden, zijn duidelijke politieke achterstand in te halen. Toen dat in 1848 eindelijk was gelukt, begon het ook zijn volkshuishouding aan de eisen van de internationale ontwikkeling aan te passen. Maar deze transformatie en vernieuwing verliepen niet in een geleidelijk proces. Zij werden tot stand gebracht of mogelijk gemaakt door plotselinge incidenten, door bewegingen van buiten en door die berustende wanhoop waaruit soms schijnbaar roekeloze besluiten voortkomen. Tot aan 1848 leek het onwaarschijnlijk dat de romantische liberalen in Nederland ooit in staat zouden zijn om de structuur van het politieke leven te veranderen. Het tijdvak dat opende met het verdrag van 1839 en een einde vond met de liberale grondwetsherziening van 1848, werd door zeer verschillende neigingen beheerst maar de kenmerkende trek ervan is de wil van steeds talrijker groepen om uit het klimaat van Willem i's regering terug te treden naar het vrijere verleden. Men kon op geen ogenblik gedurende al deze jaren voorzien, dat het besloten zou worden door een grondige liberale hervorming, die tenminste zo modern was als de Belgische grondwet van 1831.

In maart 1838 nam Willem i, vereenzaamd in Europa en in het binnenland bedreigd door een oppositie die, nu zij de dwaasheid van de Nederlandse positie begon in te zien, de Staten-Generaal tot grotere financiële voorzichtigheid dwong, het besluit om aan de twist met België een eind te maken. Een jaar later kwam de definitieve regeling van de scheiding inderdaad tot stand. Toen moest natuurlijk de grondwet van 1815 - een

[p. 155]

grondwet van het Verenigd Koninkrijk -, aan de nieuwe toestand worden aangepast en was er geen middel meer om discussies te vermijden die, naar men vreesde, het hele Nederlandse staatsleven aan een pijnlijk en wellicht dodelijk onderzoek zouden onderwerpen. Het bleek echter al spoedig dat niet alleen de regering maar ook de meerderheid van de oppositie beheerst werd door de angst dat elke diepe ingreep krachten zou losmaken die men niet leiden kon68.. Dit verklaart waarom de regering erin slaagde om zowel de herziening van de grondwet als de debatten erover tot een haastig intermezzo te beperken. In december 1839 deed de regering zelf de eerste voorstellen; in het voorjaar van 1840 volgde een nieuwe groep. Al in juni van dat jaar nam de Tweede Kamer de meeste ervan met grote eenstemmigheid aan. Volgens de grondwet van 1815 moest een herziening worden gesanctioneerd door een bijeenkomst van de gewone leden der Tweede Kamer, waaraan een gelijk aantal buitengewone leden door de Provinciale Staten waren toegevoegd. Deze buitengewone vergadering duurde van 4 augustus tot 2 september; zij aanvaardde de meeste voordrachten met zeer grote meerderheid.

Veel meer dan door de grondwetsherziening, die op deze manier tot een hoofdzakelijk technische en politiek vrij onbelangrijke wijziging was beperkt, werd het staatkundige leven geschokt door 's Konings wens om - na de dood van zijn gemalin in 1837 - te hertrouwen met een roomskatholieke hofdame uit een Belgische familie. In maart 1840 had hij gezegd dit plan op te geven, toen het hem de rest van zijn populariteit bleek te kosten en wellicht een gevaarlijk wapen in de hand van de radicale oppositie tegen de limieten van de grondwetsherziening zou blijken. Maar na de grondwetsherziening besloot hij het uit te voeren en op 7 oktober 1840 abdiceerde hij, het verbitterde slachtoffer van een publiek dat, jarenlang gestijfd in zijn wrok tegen het roomse België, een huwelijk van zijn koning met een katholiek beschouwde als een laf verraad aan de natie begaan. Trouwens, één reeks artikelen uit de herziene grondwet stond Willem i dermate tegen, dat hij meende in de nieuwe omstandigheden niet meer te kunnen regeren69.. Er werd immers bepaald dat de ministers zelf in het vervolg voor in hun functie gepleegde schending van grondwet of wetten gestraft zouden worden en, om te doen blijken dat zij een zekere verantwoordelijkheid droegen, alle koninklijke besluiten en beschikkingen mede moesten ondertekenen. De Koning zag, wel niet ten onrechte, dat het oude regeringssysteem waarbij de ministers slechts 's Konings dienaren waren, moeilijk zou kunnen worden voortgezet, vooral ook omdat de oppositie in de Staten-Generaal dit als een afwijking van de geest der constitutie beschouwde. Het nieuwe stelsel schiep zeker niet de collectieve politieke verantwoordelijkheid van het kabinet tegenover de volksvertegenwoordiging; maar het sloot, zoals de Franse gezant al onmiddellijk

[p. 156]

opmerkte, het zuiver koninklijke regime van vóór 1840 uit70.. En zo ging hij heen, die de beste van de koningen van Nederland was en de origineelste van de Europese vorsten der Restauratie.

Zijn oudste zoon, Willem ii (1792-1849), volgde hem op. Hij had van zijn vader een grote vatbaarheid voor indrukken geërfd, maar gebruikte die centrale trek van zijn karakter op totaal andere wijze. Zijn vader was uit zwakheid stijfhoofdig, uit aarzeling bruusk. Zijn werk echter, de dagelijkse verantwoordelijkheid van regeren en de dagelijkse taak om initiatieven te nemen, was de bestaansreden van deze onverzadiglijk actieve man. De zoon kende van de zwakheid slechts de zucht om zich aangenaam te maken en van de creativiteit niets dan de wilde grillen. Als kroonprins had hij zich herhaaldelijk in onmogelijke situaties begeven; de relaties met zijn vader waren vaak uiterst moeilijk geweest. Het land dat hij regeren ging, kende hij niet zeer goed. Zijn Nederlands was vrij slecht. Hij dacht en sprak met Engels accent in een vorstelijk Frans. Het is merkwaardig dat, toen Leopold i in 1848 enkele brieven met hem wisselde, de Belgische koning het Duits en de Nederlandse het Frans koos71.. Zo onduidelijk was zijn figuur dat op verschillende ogenblikken van zijn leven liberalen, katholieken, calvinisten en conservatieven allen in hem hun exclusieve geestverwant dachten te vinden. Men heeft uitgerekend dat hij ten minste acht keer van politieke kleur veranderd is72.. Toch bezat hij iets dat zijn vader meestal niet toonde: een zekere ruimheid van geest en gebaar die zonder twijfel vaak gelijk kwam met gebrek aan principes maar soms ook onbevooroordeeldheid en grootmoedigheid was. Zowel zijn buitenlandse als zijn binnenlandse politiek draagt het kenmerk van zijn aard. Een natuurlijk, dynastiek conservatisme, behoefte aan populariteit bij de liberalen onder zijn onderdanen en de wil om België terug te winnen, deze drie tegenstrijdige factoren verwarden zijn verhouding met Europa73.. Zijn optreden in Nederland zelf werd eveneens gecompliceerd door zijn aarzelingen en zijn onvoldoende zelfkennis. In 1840 kondigde hij een nieuwe era aan: ‘il faut marcher avec son siècle, il faut franchement entrer dans la voie constitutionnelle...’74.. Pas toen hij van het nog zo prille en onvoltooide constitutionele stelsel, gebaseerd op het dubbelzinnige grondwetsartikel over ministeriële verantwoordelijkheid, de praktische gevolgen zag, merkte hij dat hij in het geheel geen liberaal was en verzette hij zich tegen de ontwikkeling ervan75..

Overigens ontmoette hij voorlopig weinig principiële tegenstand. De situatie werd in feite niet door zuiver politieke, maar door financiële problemen beheerst. Gedurende het decennium na 1829 was de rentegevende staatsschuld met 408 miljoen gulden vermeerderd. In 1842 verslond de rente meer dan 47% van de begroting; in 1844 beliep zij 43,9 miljoen, dat is ƒ 14,60 per hoofd van de bevolking. Dit was nog niet zo

[p. 157]

catastrofaal als de toestand bijvoorbeeld in 1804, maar in vergelijking met die onder het Verenigd Koninkrijk toen de Belgen meebetaalden (in 1830: ƒ 3,85 per hoofd) betekende het een ondraaglijke last76.. De oppositie in de Staten-Generaal keerde zich herhaaldelijk tegen de met alle regels van zuivere boekhouding spottende manipulaties van Willem i's ministers. Zij eiste publiciteit en verantwoording. Toen zij enig inzicht in de moeilijkheden kreeg, verlangde zij herstel. Haar wens werd vervuld. In 1842 week de minister van Justitie, Van Maanen, symbool van Willem i's autocratie, voor de advocaat Floris van Hall (1791-1866), die als vrijzinnig gold. Hij was dat ook, in typisch-Hollandse zin77.. Er was in hem noch radicalisme noch romantiek. In de Bataafse tijd zou hij een moderaat geweest zijn en aanhanger van Schimmelpenninck. Het onHollandse, romantische doctrinarisme van Thorbecke en de zijnen stootte hem af. Zijn praktische geest en zakelijke soepelheid waren bij uitstek geschikt om hem, die in 1843 het departement van Financiën te beheren kreeg, een weg te doen vinden door de financiële doolhof. Hij voerde geen fundamentele hervorming door maar slaagde in 1844 om, door middel van een meesterlijk verdedigde lening tegen 3%, de oude, 4½ of 5% rentende schulden deels in te lossen en deels in nieuwe van 4% te conventeren, hetgeen een jaarlijkse rentebesparing van bijna 4 miljoen en een schuldvermindering van 51 miljoen bracht. Dank zij deze maatregel was al in 1847 de begroting voor het eerst na lange jaren in evenwicht; in 1848 was de rente van bijna 44 miljoen in 1844 tot slechts iets meer dan 36 miljoen gedaald of van ƒ 14,60 tot ƒ 11,85 per hoofd der bevolking78.. Door zijn invloed op de Hollandse kapitalisten die hij na hun profijtelijke tijd van de status-quo tot een inderdaad niet onbelangrijk offer bekeerde - in totaal, berekende men, ging aan rente een 30 miljoen gulden verloren79. - wist Van Hall het dreigende staatsbankroet te vermijden.

Het typeert de toenmalige situatie dat het financiële probleem meer aandacht trok dan de in feite ernstiger economische en sociale moeilijkheden. Het pauperisme werd in de jaren veertig na een twintigtal betrekkelijk gunstige jaren opnieuw een gevaar. In 1830 werd een 10% van de bevolking bedeeld, in 1848 ongeveer 16%. In Noordholland ontving in dat jaar bijna een kwart van de bevolking steun80.. Nu was in andere delen van Europa en zeker in België de toestand waarschijnlijk nog slechter. Daar echter was het sociale vraagstuk van het arbeidersproletariaat nauw verbonden met de expansie van de economie; in Nederland met zijn zwakke industriële ontwikkeling was het pauperisme een bijverschijnsel van de economische stagnatie. Zo tenminste zag Gerrit de Clercq het, die in een geruchtmakend artikel over de utopische socialisten, vooral Louis Blanc, dat het liberale maandblad De Gids in 1846 publiceerde, zich

[p. 158]

afvroeg waarom het socialisme in Nederland geen aanhang kreeg81.. Het valt inderdaad niet moeilijk om de economische achterstand met getallen aan te tonen. Van 1830 tot 1849 daalde de stedelijke bevolking in relatie tot het totale inwonertal van 39,30% tot 38,86%82.. Op enkele uitzonderingen na - de werven en machinefabrieken te Rotterdam en Amsterdam, de Twentse textielindustrie, de glas- en aardewerkfabrieken van Regout te Maastricht bijvoorbeeld - was de industrie (waarin op het einde van de jaren veertig 11,7% der gehele bevolking werkzaam was tegen in België 15,1%) een nog maar nauwelijks of in het geheel niet gemechaniseerd kleinbedrijf. Tegenover de 40 000 pk van de Belgische stoommachines in 1846 kon Nederland in 1853 slechts een 7000 pk stellen! De aanleg van spoorwegen verliep langzaam. De banken waren aanmerkelijk conservatiever dan de Belgische en stimuleerden de industrialisatie niet. Toch dankte Nederland het aan zijn economische verleden dat het, in veel opzichten vervallen, zeker in 1850 niet over de hele linie achterlijk was. Het aantal naamloze vennootschappen (137 in 1850) was relatief niet veel kleiner dan dat in België (191 in 1852)83.. De Nederlandse handelsvloot, de vierde ter wereld in 1850, was natuurlijk zeer veel groter dan de Belgische, evenals de buitenlandse handel in het algemeen. Maar de spanningen van de expanderende gemeenschappen in Engeland, Frankrijk en België kende Nederland nog niet. Het was wellicht niet armer dan zijn buren in Europa. Het was echter zonder twijfel juist in zijn economische activiteiten ouderwetser en conservatiever.

De belangrijkste oppositie die zich in deze jaren openbaarde, bleef dan ook, zelfs na Van Halls geslaagde manoeuvre, die der financiële specialisten. Zij waren als voorstander van vrijhandel - die zo niet onmiddellijk dan toch spoedig moest worden ingevoerd84. - in economische zin zeker liberaal. In het politieke echter beperkte hun liberalisme zich vaak tot de wens om vooral de financiële operaties van de regering aan een nauwkeuriger onderzoek te onderwerpen. Natuurlijk waren het de Staten-Generaal die deze taak dienden te vervullen. En het was voor een belangrijk deel om dit voor de vergadering gemakkelijker te maken, dat zij een grondwetsherziening wilden. Hun ideaal was de Britse constitutie, die zij echter - in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Belgische doctrinairen - niet prezen om wat zij gaf, maar om wat zij verzweeg. Want het was hun overtuiging dat een grondwet weinig duidelijk moest zijn, zodat de wetgever te allen tijde de staat naar de eisen van de omstandigheden zou kunnen hervormen zonder principiële discussies noodzakelijk te maken85.. Regeren betekende voor hen niet veel meer dan voorzichtige aanpassing aan de steeds veranderlijke en vaak in zeer onverwachte zwenkingen bewegende situatie. Staat noch staatkunde had naar hun mening een scheppende taak. Vandaar hun afkeer zowel van Thorbeckes prin-

[p. 159]

cipes als van die der antirevolutionairen. Hun stond een regeringssysteem voor ogen dat liberaal was, zowel omdat het - in tegenstelling tot de praktijk van Willem i en zijn aarzelende zoon - zich bescheiden uit het maatschappelijke leven terugtrok86. als omdat het de vertegenwoordigers van de hogere klassen in de Staten-Generaal een zorgvuldige controle op de handelingen van de uitvoerende macht zou mogelijk maken. Deze groep moderaten, geestelijke erfgenamen van de moderaten der Bataafse Revolutie, was belangrijk. Zij hadden grote aanhang in het Parlement. Het gewicht van deze aanhang woog zwaar want het was Holland en in Holland vooral Amsterdam dat hen steunde87.. De oriëntatie op Holland impliceerde echter dat het moderate liberalisme door de Hollandse tradities werd beperkt. Het was gekant tegen politieke invloed van de middengroepen der burgerij en van de lagere klassen. Het was protestants. En het was zo niet tegen dan toch in elk geval ook zeker niet voor de vrije school. Het was anti-romantisch.

De kleine, nog vrijwel machteloze groep der zich noemende antirevolutionairen was wel romantisch. Maar zij was het niet meer in de absolutistische stijl van de jaren 1820. Na 1830 was onder de romantische calvinisten een ontwikkeling begonnen die, al ging zij niet zo ver, in veel opzichten lijkt op wat de romantische katholieken in België tijdens de Restauratie doormaakten. Het was een zeer gecompliceerd proces dat zowel voor- als tegenstanders, zowel theologen als politici verwarde. Isaac da Costa vervreemdde van Bilderdijks apocalyptische visies; zijn theologie bleef steil orthodox maar hij verstrakte en vereenvoudigde haar tot een wetenschappelijk op de hoogte van de tijd staande dogmatiek88.. Ook zijn politieke opvattingen paste hij bij de nieuwe tijd aan89.. In de trant maar zonder de hartstocht van de Belgische katholieke democraten ontwikkelde hij enige belangstelling voor het sociale probleem en na 1830 bekeerde de absolutistische royalist van de jaren 1820 zich zo radicaal dat hij zelfs het doctrinaire liberalisme van Thorbecke blijmoedig prijzen kon90.. Zelf echter werd hij geen liberaal. Hem stond het beeld van een eigen christelijk-historische staatsleer voor de geest, die hij overigens niet vermocht op te stellen.

Zijn geestverwant, de jurist en historicus Groen van Prinsterer, gelukte dat evenmin maar hij bracht het toch heel wat verder. Na 1830 maakte hij zich uit de sfeer van Willem i's regering los. Hij werd in 1834 archivaris van het Koninklijke Huis en als zodanig de uitgever van de Archives de la Maison d'Orange-Nassau. Hij was toen al streng gereformeerd. Een dogmaticus echter was hij niet. Zijn geloof was eerder innig en emotioneel in de stijl van de Duitse Romantiek dan intellectueel in de stijl van de grote calvinisten der zeventiende eeuw. Maar zoals de fijne omgangsvormen van de Haagse aristocratie, onder wie de schatrijke dokterszoon

[p. 160]

zich als gelijke bewoog zonder er eigenlijk toe te behoren, zijn hartstocht verborgen, zo beschermde hij in zijn geschriften de aarzelende, tastende gevoeligheid van zijn denken door een strikt verstandelijke betoogtrant. Zijn betoog was echter zelden sluitend, zelfs niet in zijn meesterlijke werk van 1847, Ongeloof en Revolutie, waarin hij op boeiende en oorspronkelijke wijze trachtte aan te tonen dat er een noodzakelijke ontwikkeling bestaat van ongeloof naar revolutie en vandaar naar dictatuur en communisme. Toch slaagde hij erin om voor zijn politieke overtuigingen een uitgangspunt te vinden in het laat-achttiende-eeuwse orangisme dat eens Van Hogendorp had geïnspireerd. Hij droomde van een getemperde monarchie die zelfstandigheid liet aan provincies, steden en andere historisch gefundeerde corporaties; hij dacht diep na over de wezenlijke vrijheden die de mens gelaten moeten worden en kwam dicht bij de eisen van de romantische katholieken. Maar hij ging die weg nooit geheel af. De staat bleef voor hem een door God gegeven middel om de chaos van na de zondeval te beperken. Het gezag ervan wilde hij behouden en gebruiken. De protestantse romantici van deze Hollandse groep verschilden in dit opzicht radicaal van de linkse katholieken in Vlaanderen en Brussel.

Hun eerbied voor het pre-revolutionaire verleden en voor het onafhankelijke leven van de protestantse sekten maakte de antirevolutionairen veel minder huiverig om een politieke partij te vormen dan de andere groeperingen, die alle vasthielden aan de gedachte van 1813 dat de revolutie de verdeeldheid van het Ancien Régime waaraan de Republiek ten onder was gegaan, had opgeheven. Ook bij de katholieken was deze angst nog zeer duidelijk. Trouwens, zij waren bovendien om andere redenen voor eigen partijvorming niet rijp. Nog zozeer voelden zij zich een min of meer verdrukte minderheid dat hun politieke mening eigenlijk uitsluitend bepaald werd door wat zij van deze of gene regering te verwachten hadden. Van Willem i verwachtten zij niets goeds en de katholieke pers in Noordbrabant bekeerde zich dan ook al spoedig tot het liberale katholicisme van Lamennais. Willem ii echter werd geacht hun goed gezind te zijn. Hij onderhield een merkwaardige vriendschap met pastoor Zwijsen (1793-1877) te Tilburg, waar hij als Prins en Koning graag vertoefde, en maakte kort na 1840 inderdaad allerlei stringente bepalingen die de ontwikkeling van kloosters en congregaties bemoeilijkten, veel soepeler. Dit deed de mennaisiaanse leiders van voor 1840 omslaan naar strikt conservatieve loyaliteit aan vorst en staat91.. Zij had weinig zin. Maar er stonden andere wegen open. Sommige katholieke bladen, vooral in Brabant, steunden in de jaren veertig de - in hoofdzaak overigens louter verbale - agitatie van onreligieuze democraten als de journalist Adriaan van Bevervoorde (1819-1851)92., die lid was van

[p. 161]

Marx' Brusselse Association Démocratique maar zelf nauwelijks als een volbloed revolutionair kan gelden, want hij richtte zich bij voorkeur in het Frans tot het beschaafde Nederlandse publiek93.. In Holland echter reageerde de katholieke pers anders. Daar leerde een betrekkelijk kleine, maar actieve groep jongere katholieke parlementsleden en intellectuelen inzien dat niet genereuze gebaren van de Koning maar alleen constitutionele hervormingen de positie van de katholieken konden verbeteren. Het jaar 1830 was nu al zo lang voorbij, dat deze mensen hun nationale trouw aan Nederland en vorst niet meer krampachtig hoefden kond te doen om toch maar vooral niet heulers met de Belgische muiters te schijnen. En ook werden zij niet meer geheel beheerst door de vrees dat toenadering tot de doctrinaire liberalen hun reputatie totaal zou bederven. Mensen als de priesters F.J. van Vree (1807-1861) uit Gelderland en Judocus Smits (1813- 1872) uit Brabant, die in 1846 het katholieke dagblad De Tijd te Amsterdam vestigde (de stad van 220 000 inwoners met haar meer dan 50 000 katholieken), of de veelzijdige, roekeloze medicus-journalist van Westduitse origine J.W. Cramer (1817-1884), eveneens een figuur van gewicht aan De Tijd, maakten, alhoewel zelf geen Hollanders, toch het Westen tot het centrum van liberaal katholicisme94.. Ook in het maandblad De Katholiek van 1842 werd onder leiding van de zeer gevierde priester-wijsgeer Cornelis Broere (1803-1860) een poging gedaan om het Nederlandse katholicisme intellectueel te verbreden en politiek te bevestigen95..

In theorie gebeurde dus gedurende de jaren veertig in Nederland wat in België twintig jaar tevoren was gebeurd: de romantische katholieken en liberalen sloten zich bij elkaar aan om een vrije staat te stichten. In feite echter was de situatie in allerlei opzichten verschillend. Het opmerkelijkste is dat het Nederlandse liberale katholicisme zelfs geen schijn van oorspronkelijkheid voor zich opeiste. Het was noch op het kerkelijke, noch op het staatsrechtelijke vlak creatief. Evenmin voelde het, na Lamennais' moeilijkheden uit de jaren dertig, de lyrische extasen van de Belgische geloofsgenoten. Het was niet meer dan een middel om bepaalde doeleinden te bereiken, een tactiek ter verkrijging van grotere onafhankelijkheid. Het belang ervan was dat het Thorbecke en zijn geestverwanten in staat stelde tot de grondwetsherziening van 1848 en het daaruit volgende herstel van de hiërarchie in 1853. Dit bewees de praktische juistheid van de liberaal-katholieke methode maar meer ook niet. De betrekkelijke onzelfstandigheid van het Nederlandse katholicisme uit het begin der negentiende eeuw maakte dat de liberale katholieken, heel anders dan hun Belgische voorgangers in 1831, aan de nieuwe grondwet steun konden geven maar geen inhoud.

Het doctrinaire liberalisme kreeg in Nederland pas in de jaren veertig

[p. 162]

vorm, dat is bijna twintig jaar nadat het in Frankrijk was geboren en in België overgenomen. Het zijn natuurlijk in de eerste plaats de politieke en sociale omstandigheden die deze traagheid verklaren. Een maatschappij die haar kracht vond in de traditie, een economie die teerde op het verleden, een cultuur die zich wel nauwkeurig op de hoogte hield van de prestaties van het buitenland maar hen al te wantrouwig toetste aan wat men zuiver Nederlandse principes noemde, zij lieten weinig ruimte voor vernieuwing. Er waren in Nederland met zijn strakke humanistische universiteiten bestemd voor een elite geen groepen jonge eerzuchtige intellectuelen die de Romantiek als een wapen leerden gebruiken; er was ook geen actieve en haar plaats nog zoekende middenklasse, waarvan zij konden beweren de representanten te zijn. Dit is waarschijnlijk een van de redenen waarom het doctrinaire liberalisme in Nederland in vergelijking met het Franse en Belgische, dat natuurlijk leek en zich in vloeiende zinnen uitdrukte, iets geaffecteerds en gewilds heeft. De literaire leider van de romantische liberalen, E.J. Potgieter (1808-1875), een Amsterdamse zakenman geboren te Zwolle en dichter van belangrijke, hoogst ambitieuze verzen, schreef een stijl die even bewust gevormd was als die van de politieke leider Thorbecke, ook uit Zwolle afkomstig, wiens fraaie proza de tijdgenoten niet alleen trof door zijn krachtige kortheid en fel ritme, maar ook door zijn opzettelijke, eigengereide originaliteit.

De literaire vernieuwing ging aan de politieke vooraf. In 1837 richtte Potgieter het maandblad De Gids op; al spoedig vond hij steun bij de veelzijdige historicus R.C. Bakhuizen van den Brink (1810-1865). Gedurende het eerste decennium was het tijdschrift, dat zich geroepen achtte de Nederlandse letterkunde te zuiveren, vooral kritisch. Het was zonder twijfel romantisch van aard. In dit verband is het van belang op te merken dat het Belgische doctrinair-liberale blad van 1839, Paul Devaux' Revue Nationale de Belgique de Romantiek al voorbij was en haar herhaaldelijk bestreed96.. Aan de andere kant laat vergelijking van de twee periodieken ook duidelijk zien hoveel rijker en oorspronkelijker de Nederlandse beschaving nog was. Het Belgische tijdschrift leed aan een dodelijke bloedarmoede. Zijn voortreffelijke redacteur schijnt het voor een belangrijk deel zelf te hebben moeten vullen, maar ten slotte maakten zijn lange citaten uit buitenlandse publikaties het tot een soort reader's digest voor half-ontwikkelden. De Gids echter werd spoedig een waarlijk leidinggevend blad. Terwijl Devaux' tijdschrift vooral een politiek doel had en in zekere zin een partijblad was, typeert het de toestand van Nederland dat De Gids pas in 1839 het staatkundige liberalisme ging verdedigen97.. Ook de aard van het nationalisme der twee periodieken verschilde sterk. Devaux wilde een nationaal gevoel niet uit het verleden scheppen maar, als men het zo mag uitdrukken, uit de toekomst die de

[p. 163]

natie als eenheid vormen zou wanneer men de doctrinaire politiek besloot te volgen98.. De Gids en vooral Potgieter wilden het Noordnederlandse nationale gevoel, zoals het was, totaal hervormen. Want het was bedorven, zelfvoldaan en egocentrisch. Hij en Bakhuizen hielden hun tijdgenoten de kracht van de zeventiende eeuw als een voorbeeld voor. Slechts daaraan kon Nederland genezen. Het woord nationaal had voor de Nederlandse liberalen een bedenkelijk accent. In de jaren dertig was het zowel door de regering als door de publieke opinie in de nauwste betekenis gebruikt, synoniem met klaaglijke trots op eigen rechtvaardigheid en star conservatisme. Thorbecke beroemde er zich nog in 1862 op dat hij de term altijd had vermeden99.. Trouwens, voor sommige doctrinairen was het lang niet zeker dat Nederland een onafhankelijke existentie in Europa toekwam. In de sombere crisisjaren van kort na 1844 verschenen zowel in de liberale Arnhemsche Courant als in De Gids artikelen waarin aansluiting bij Duitsland als uitweg werd aangeprezen100.. Dit was ook in de jaren dertig wel gedaan101.. Maar dat zulk defaitisme een plaats vond in het fundamenteel toch nationalistische liberalisme is een feit van belang, want het doet voelen hoe gespannen en gecompliceerd de emoties van de Nederlandse doctrinairen waren.

Er zijn ten minste nog twee andere factoren die de traagheid van de ontwikkeling verklaren. De man die voor het Nederlandse romantische liberalisme een eigen vorm vond, Thorbecke, was een hoogst ingewikkelde persoonlijkheid. Zijn groei was langzaam maar niet geleidelijk. Een eerste crisis in zijn leven was de confrontatie met de Romantiek tijdens een lange reis die hij als jong geleerde in de jaren twintig in Duitsland maakte. In het verloop van enkele meidagen van 1821 bekeerde de pedante Leidse classicist zich tot de Romantiek102.. Maar politieke conclusies trok hij daar toen nog niet uit. De Belgische Revolutie betreurde hij. Pas na de debâcle begon hij, sinds 1831 hoogleraar in de diplomatie en moderne geschiedenis te Leiden, de politieke toestand in Nederland kritisch te bestuderen. In 1839 kwam zijn Aanteekening op de Grondwet uit, een toelichting op de constitutie die aanwees waar voorzichtige revisie nodig was. De herziening van 1840 vervulde Thorbeckes verlangens allerminst. Toen greep de 42-jarige, die Willem i's autocratie gesteund had, de leiding van de liberale oppositie tegen Willem ii's zo veel minder duidelijke systeem. De tweede druk van zijn Aanteekening, waarvan de twee delen in 1841 en 1843 verschenen, was aanmerkelijk radicaler dan de eerste; de waarlijk parlementaire regering, ministeriële verantwoordelijkheid en vele andere eisen van het klassieke liberale programma werden erin besproken en aanvaard. In 1844 verkondigde hij in een prachtige rede ‘Over het hedendaagse staatsburgerschap’103. dat algemeen kiesrecht een principe was, logisch uit de ontwikkeling van de staat volgende en in trappen te

[p. 164]

verwezenlijken, ondanks het tragische feit dat de ontwikkeling van de kapitalistische maatschappij met haar heilloze neiging om de macht der kapitalisten ten koste van het steeds groter en armer wordend proletariaat te versterken, de gelijkheid scherp tegenspreekt. Dit was een hoogtepunt in Thorbeckes theoretische werk. Het typeert de aard van zijn doctrinarisme dat hij juist hier, waar hij - ongeweten - de verantwoording gaf van wat hij als staatsman doen zou, de gevaarlijke spanningen, de onoplosbare tegenstellingen binnen zijn concepties scherpzinnig en niet zonder berustend pessimisme bestudeerde.

Thorbecke was geen Hollander. Hij stamde uit een Duitse familie gevestigd in Overijssel waar in de achttiende eeuw de patriottenbeweging ontstaan was en in 1798 de radicale partij meer aanhang bleek te hebben dan ergens anders benoorden de grote rivieren. Toen hij in 1844 - hij was lid van de Tweede Kamer - met acht geestverwanten, merendeels van buiten Holland, een (spoedig verworpen) voorstel tot radicale grondwetsherziening deed, reageerde het Nederlandse publiek niet heftig; toch schijnt er in Groningen, Zeeland en vooral Overijssel belangstelling voor te hebben bestaan104.. Holland, speciaal Noordholland, muntte echter uit door onverschilligheid105.. Want Holland was moderaat of conservatief106.. En al was het doctrinaire liberalisme niet anti-Hollands, het was wel on-Hollands in zijn Romantiek, zijn betrekkelijk radicalisme en zijn scheppingsdrang. Dit wil dus zeggen dat net als een halve eeuw tevoren de sterkste oppositie tegen de traditie van buiten het economische en culturele centrum van het land kwam en in zekere zin zich daartegen richtte. Ook deze factor maakte de beweging enigszins krampachtig en onthield haar het dynamische, retorische optimisme van de Franse en Belgische doctrinairen.

In veel opzichten was het een toeval dat Thorbecke in 1848 overwon. In de Tweede Kamer, waarvan hij zelf geen lid meer was, bestond zijn groep slechts uit een zeven of acht mensen tegen meer dan 25 moderaten en iets minder dan 25 conservatieven107.. Zijn overwinning dankte hij aan het autocratische karakter van Willem ii. Want het was de Koning die plotseling op 13 maart 1848 het besluit nam een grondige herziening van de constitutie door te voeren en ondanks merkwaardige aarzelingen en tegenstrijdigheden niet alleen deze taak aan de doctrinairen opdroeg, maar toeliet dat dezen de radicaal-democratische agitatie van Van Bevervoorde en de zijnen belette tot een volksbeweging uit te groeien, hoewel het een ogenblik geschenen had of hij haar juist wilde bevorderen, en bovendien zorgde dat hun ontwerp door de Staten-Generaal werd aanvaard. Het is niet geheel duidelijk waarom Willem ii een zo complete koersverandering heeft gewild. Zij was natuurlijk een reactie op de gebeurtenissen in Frankrijk en Duitsland. De februari-, maar nog veel meer

[p. 165]

de maart-revoluties trokken uiteraard sterk de aandacht. Overigens vrij obscure communistische activiteiten in Amsterdam begin maart, economische moeilijkheden, een financiële crisis die velen in Amsterdam en Den Haag failliet deed gaan, zonderlinge relaties van de Koning met de weinige radicaal-democratische journalisten die Nederland kende, ernstige lichamelijke zwakte en vrees voor wat met de autocratie gebeuren zou wanneer de algemeen als onbekwaam beschouwde en zeer impopulaire kroonprins haar zou moeten overnemen108., maar vooral de berichten uit Duitsland waren enkele van de factoren die de grillige, impressionabele vorst tot een herziening niet alleen van zijn binnenlandse, maar ook van zijn buitenlandse aspiraties hebben gebracht. Want jarenlang had Willem ii naar zijn vaders voorbeeld op chaos in Europa gewacht. Jarenlang had hij, zij het met steeds groter aarzeling, gehoopt België terug te winnen wanneer de in 1830 met veel moeite bedwongen anarchie zich opnieuw zou verheffen. Eind februari 1848 echter deed de Koning aan België weten dat hij dat land als een voormuur tegen de revolutie beschouwde en in maart schreef hij waarderende brieven aan Leopold i die hij zo lang geminacht had109.. Zodoende bracht het revolutiejaar vrij onverwacht een zekere toenadering van de twee landen die elkaar ook na het verdrag van 1839 vooral om economische redenen heftig geërgerd hadden.

Op deze wijze kreeg Thorbecke als de erkende leider van de doctrinairen de gelegenheid een nieuwe grondwet te ontwerpen. De Staten-Generaal en in het begin ook de regering werkten hem tegen. De Koning echter steunde hem, al was hij de professor niet welgezind en bleef hij de mogelijkheid van andere oplossingen overwegen. Maar angst voor mislukking van de hervormingspogingen en het ontbreken van een redelijk, positief initiatief der tegenpartijen maakten Thorbeckes werk ten slotte onmisbaar. Het was inderdaad Thorbecke die de grondwet ontwierp, want zijn collega's in de op 17 maart benoemde grondwetscommissie deden niet veel meer dan zijn schetsen aanvaarden. Op 11 april was de commissie gereed; in juni nam de Tweede Kamer het voorstel in behandeling. Maar slechts de zware pressie van Willem ii en krachtige medewerking van de katholieken brachten de Staten-Generaal er ten slotte toe het na enige wijzigingen te aanvaarden. Op 3 november kon de nieuwe grondwet plechtig worden afgekondigd. Zoals de constitutie van 1814 in hoofdzaak uit Van Hogendorps geest geboren is, zo was die van 1848 aan Thorbecke te danken. Thorbeckes werk was echter veel succesrijker; het houdt nog steeds stand. Het was ook minder persoonlijk, minder eigengereid dan Van Hogendorps prestatie. In formulering en stijl verschilde het sterk van de Belgische constitutie; de inhoud en het doel ervan zijn evenwel in grote lijnen eender. Een direct gekozen Tweede Kamer,

[p. 166]

een door de Provinciale Staten gekozen Eerste Kamer, een zuiver constitutioneel stelsel met volle politieke verantwoordelijkheid der ministers, maar daarnaast aandachtige zorg voor het eigen leven van de lagere organen, het waren alles zaken die van de Belgische definities uit 1831 niet principieel afweken. Wel is het hoogst merkwaardig ten eerste dat - op initiatief van de Kamer - het onderwijs nadrukkelijk aan de zorg van de regering bleef opgedragen en ten tweede dat de kieswet, die Thorbecke zelf in 1850 tot stand bracht, aan bijna 75 000 mensen op een bevolking van drie miljoen het censuskiesrecht gaf wat een vermindering betekent in vergelijking met de 90 000 die vóór 1848 deel hadden aan de indirecte verkiezingen, maar als men het cijfer stelt tegenover het electoraat van België - in 1848 tot bijna 80 000 op een bevolking van ongeveer 4 360 000 verhoogd-, ziet men hoe betrekkelijk welvarend en democratisch het land nog was110..

Al was de grote keer van 1848 min of meer een onverwacht incident, hij is in de Nederlandse geschiedenis van de negentiende eeuw van fundamenteel belang. Van 1780 af was het land onzeker geweest over aard en lot. Het viel een natie die direct na haar ontstaan een toppunt van rijkdom, macht en invloed bereikte, moeilijk te leven in de veel bescheidener omstandigheden van de late achttiende en de vroege negentiende eeuw. De grondwet van 1815 was bedoeld voor een middelgrote continentale staat met een wezenlijke functie in het Europese statensysteem. De grondwet van 1848 betekende, in dit verband beschouwd, een erkenning van Nederlands onmacht. Thorbecke, die vóór de afscheiding van België graag wees op de internationale zin van het Verenigd Koninkrijk, zweeg na 1840 over de plaats van Nederland in het statengeheel. Al gaf hij soms in nogal conventionele trant de lof van de kleine staat, zetel van vrede en vrijheid, in het algemeen, nooit prees hij de eigen natie in het bijzonder111.. De vrijheid van 1848, dat is de schepping van een staat die - zoals Thorbecke het nog op het eind van zijn leven met een onmiskenbare herinnering aan Guizots formules uit de jaren 1820 uitdrukte - ‘éénen absoluten wil’ niet kent112., hangt zonder twijfel samen met de gedachte dat Nederland, machteloos en zonder taak, zich veroorloven kon zwak te zijn. De betekenis van 1848 ligt zodoende niet alleen in de vestiging van een nieuwe binnenlandse orde, die tot nu toe uitgesloten groepen van het volk bij de staatkunde betrok en soepel genoeg was om nog andere toe te laten, maar ook in de verzoening die erdoor bewerkt werd tussen vrijheid en zwakte. De patriotten van de jaren 1780 wilden vrijheid met het doel de glorie van het, naar zij dachten, democratische en machtige verleden te herstellen. De radicalen van de jaren 1790 wilden vrijheid met het doel om een krachtige revolutionaire staat te stichten. Van Hogendorp streefde naar een harmonie van binnenlandse vrijheid en inter-

[p. 167]

nationale macht. In 1848 werd de vrijheid voor het eerst beschouwd als een luxe, mogelijk gemaakt door de onmacht. Niet alleen berustte men in de degradatie van het land tot een kleine mogendheid, men prees er opgewekt de voordelen van. De onlustgevoelens die sinds de late achttiende eeuw Nederland hadden verontrust, maakten plaats voor een positieve waardering van het beperkte bestaan der natie. Eindelijk, na een soms latente, soms acute crisis van zeventig jaar, slaagde de Nederlandse gemeenschap erin zich bij de feiten aan te passen. Zij vond een nieuw evenwicht dat bijna een eeuw stand hield.