
In dankbare herinnering aan
J.W. Muller
P.J. Blok
S.G. de Vries
In 1766 is de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden opgericht. Bij het honderd-jarig bestaan werd een bundel samengesteld met de titel: Gedenkschrift uitgegeven ter gelegenheid van het eerste Eeuwfeest, Bijdragen tot de geschiedenis van de Maatschappij 1766-1866. Het bevat velerlei gegevens, lijsten van leden en bestuurders, van drukwerken en van de gepubliceerde uitgaven, maar daarnaast ook een schets van de geschiedenis van het genootschap in die honderd jaren en een bijzonder hoofdstuk over de ontwikkeling van de bibliotheek. Zo geeft het uitvoerige berichten vooral van de interne historie, als het ware een eeuw-verslag. En zo zou men nu wellicht een kroniek over twee eeuwen kunnen verlangen
Toen mij enkele jaren geleden gevraagd werd over de geschiedenis van de Maatschappij te schrijven, is mij de vrijheid gelaten mijn onderwerp te kiezen en te begrenzen naar eigen inzicht. Ik heb mij beperkt tot het eerste tijdvak, dat zich nog geheel in de 18e eeuw afspeelt. Dit is het ontstaan en de jeugd van een streven en het aanvankelijk bereiken van een zeker verband tussen mensen van gelijk gestemde bedoelingen. Dat was toen inderdaad een geestelijke beweging, die in Nederland naar een nieuw begin op cultureel gebied heeft geleid. Maar dit verliep niet als één overtuigende zegetocht. Integendeel is de Maatschappij na een degelijk begin in de laatste jaren vóór 1800 te gronde gegaan. Te velen van haar jonge krachten zijn dan al gestorven, en in de verwarde politieke om-
standigheden werd het werken voor haar hoe langer hoe moeizamer. Toch was in 1779 de nieuwe Leidse leerstoel van Adriaan Kluit, en in 1797 het nieuwe professoraat van Matthijs Siegenbeek tot stand gekomen, waardoor eerst de Nederlandse oudheid- en geschiedkunde, en dan ook de Nederlandse taal hun intrede hadden gedaan in het hoger onderwijs. En de Maatschappij zelf bleek zodanig sterke wortels te bezitten, dat zij zich nog in de eerste jaren van de 19e eeuw weer als gevestigde Leidse instelling met in het hele land verbreide voet kon oprichten.
Ik heb getracht mij te verplaatsen in het gezelschap van die studentengroepen omstreeks 1760 en hun bedrijf mee te beleven. Een ontzaglijk bronnenmateriaal over de geleerden van deze generatie en hun onderlinge betrekkingen leverde Dr. J. Wille in zijn grote boek: De literator R.M. van Goens en zijn kring; studiën over de achttiende eeuw (1937). Hoewel in mijn verhaal Van Goens niet de centrale figuur kon zijn, heb ik toch aan het brede speurwerk van Wille doorlopend een wegwijzer gehad.
Als titel voor mijn geschiedenis koos ik de bewoordingen die Petrus Paludanus in de jaarvergadering van 1770 gebruikte, toen hij voorstelde in het ‘eerste deel van de werken der Maetschappye een eenvoudig kort verhaal van derzelver opkomst en voortgang’ te plaatsen. Dat is toen ook inderdaad gebeurd; maar het leek belangrijk genoeg dit verhaal thans nogmaals, wat minder eenvoudig en kort, te herschrijven.
12 febr. 1965