Na hetgeen in de eerste vergadering werd besloten over het ‘huishoudelyk bestier’, de financiën, en de verplichte werkzaamheid van de leden, zijn inderdaad vier van de Leidenaars op 1 september begonnen met het ontwerpen van de statuten. Op 9 sept. legden zij hun werk voor aan in totaal 14 leden, waaronder een drietal uit Hoorn en ook R.M. van Goens. Op 3 oktober volgt dan de eerste reguliere maandvergadering en hierin werd een bestuur gekozen: Mr. F.W. Boers, voorzitter; Mr. A.C. de Malnoë, geheimschryver (beide op 1 sept. tot lid benoemde Leidse advocaten); F.v. Lelyveld, briefwisselaar; Mr. H.A. Kreet, drukbezorger; en Mr. C. Boers Jz., penningmeester. De vergadering van 5 dec. voegde nog aan de ledenlijst toe Mr. Daniel van Alphen, griffier van Leiden, die een toegewijd medewerker zou worden en van juli 1767 tot juli '74 voorzitter was. Men bleef steeds bezig aan de wetten. In de vergadering van 6 febr. '67 was men zo ver met het verwerken van alle binnen gekomen open aanmerkingen, dat Ds. P. van den Bosch de taak kreeg toegewezen ‘uit dezelve een verbeterd en veranderd opstel van wetten’ te maken. Op 3 april is v.d. Bosch daar echter nog niet mee gereed. Toch speelt men het klaar dat de jaarvergadering op 14 juli 1767 de verbeterde wetten kan aannemen en vaststellen. Maar in de jaarvergaderingen van de eerstvolgende jaren verdiepte men zich telkens weer in de wetten, waaruit dan op 9 juli 1771 de blijvende redactie voortkwam. Deze is in deel I van de Werken opgenomen en werd aldus voor het eerst in het openbaar bekend gemaakt.
Met voorbijgaan van allerlei variaties in de formulering van rechten en plichten van de leden en de vergaderingen, merken wij op dat de terminologie en titulatuur alle aandacht hebben gehad, zoals in dit gezelschap te begrijpen is. En daarbij blijkt dat de meerderheid conservatiever was dan de eerste ontwerpers en niet gesteld op neologismen en purismen. Zo werd voorzitter vervangen door president, geheimschryver door sekretaris; briefwisselaar (in de tijd van Minima verstandhouder) werd briefschrijver, en drukbezorger werd opziener over het uitgeven der stukken; alleen penningmeester genoot van de aanvang af aller instemming. Ook waren er ernstige bezwaren ingebracht tegen het woord geschiedkunde, dat uiteindelijk voor historiekunde moest wijken.
De wet van 1771 bestaat uit 14 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens worden behandeld: 1. de leden in het algemeen; 2. de vergaderingen in het algemeen; 3. de maandelijkse vergaderingen; 4. de jaarlijkse vergadering; 5. de wijze van stemmen; 6. de ‘amptenaren’ d.w.z. het bestuur; 7. de president; 8. de sekretaris; 9. de briefschrijver; 10. de opziener over het uitgeven der stukken; 11. de penningmeester; en dan komen de belangwekkendste: ‘12. van de ingeleverde stukken; 13. van de gekommitteerden tot het beoordeelen der ingeleverde stukken; 14. van het uitgeven der werken’.
Het eerste hoofdstuk omschrijft in 8 artikelen de plichten van de leden en vermeldt in de aanhef als terloops het doel van de Maatschappij. Met bijna vermakelijke omzichtigheid is hier een beleefde paraphrase bedacht van wat bij Dulces en Minima in straffe tucht aan de studentleden werd opgelegd, onder de sanctie van boeten voor
de kas op elke nalatigheid of overtreding: zij moesten op iedere bijeenkomst tijdig aanwezig zijn, en zij moesten telkens iets te berde brengen dat zij gehoord of gelezen of zelf uitgewerkt hadden, en zij moesten elke keer voor den dag komen met taal- of letterkundige opmerkingen over of uit belangwekkende oudere schrijvers, enz. (zie reglement in uittreksel bij J.A. Nijland, Jac. Bellamy, II, LXXVIII). Het veelzeggende art. 1 van de nieuwe wet luidt nu:
Elk Lid zal het oogmerk der Maetschappye, de uitbreiding der Nederlandsche Tael- Dicht- Oudheid- en Historiekunde, naer zijn vermogen, bevorderen; en, tot dat einde, haer niet alleenlijk onderrichten van alles, wat hy zal meenen daertoe te kunnen dienen, maer ook enige Verhandeling, of enig ander Stuk, de eene of andere dier Wetenschappen betreffende, in dezelve ter beoordeelinge inleveren, zoo dikwijls als zyne omstandigheden dit zullen toelaten.
Zelfs de matig lijkende eis in een ouder ontwerp, dat elk lid eenmaal per jaar een of andere bijdrage diende te leveren, was als te knellend weggevallen. Men moest bevorderaar worden en ‘de toelagen, die, van tijd tot tijd, tot goedmaking der kosten van de Maetschappy, zouden mogen vastgesteld worden, binnen het jaer, betalen’ (art. 3). Verder zal ieder der leden de maandvergaderingen ‘zoo dikwijls bywonen als hy zal goedvinden, en ten minsten in de jaerlijksche, indien zyne omstandigheden het toelaten, tegenwoordig zijn’ (art. 5). In het algemeen kan ieder dus doen zoals het hem gelegen komt. Iets stelliger is dan wel art. 7 over de candidaatstelling
van nieuwe leden: men dient zeker te zijn dat degenen die men ‘aanprijst’ ook ‘bekwaem zijn om haer oogmerk te bevorderen’ en moet, behalve naam, beroep en woonplaats, tevens vermelden wat hun kundigheden zijn ‘in hetgeen daertoe vereischt wordt’. En art. 8 bepaalt zelfs, zo al niet heel kort dan toch krachtig, dat: wie weigert een besluit van de jaarvergadering te erkennen, onverschillig of hij daar al dan niet bij tegenwoordig is geweest, ofwel wie ‘drie achtereenvolgende jaren alle verstandhouding met de Maetschappy zal verwaerloosd hebben, zal niet langer als een Lid derzelve aengemerkt worden’.
Hoofdstuk 2 tot 5 regelt de maand- en jaarvergaderingen, hun bevoegdheden en de wijze van stemmen. Hoofdstuk 6 tot 11 handelt over de ambtsdragers en omschrijft de eigenaardige verdeling van taken tussen een soort administratief secretariaat en een afzonderlijke functionaris voor de lopende correspondentie. Voor deze beide schrijvende heren moest een hachelijk vraagstuk worden opgelost, dat de Maatschappij uiteraard bijzonder ter harte ging: zij mogen beide hun ‘eigene spelling gebruiken, totdat de Jaerlyksche Vergadering daeromtrent enig ander besluit genomen zal hebben’.
Het belangrijkst voor het eigenlijke werk van de Maatschappij zijn de hoofdstukken 12 tot 14, over de beoordeling en uitgave van de binnen komende stukken. En de ontwikkeling daarvan is wel merkwaardig. In het oorspronkelijke voorstel, zoals de maandvergadering van 3 juli dit voor de aanstaande jaarvergadering van 14 juli 1767 gereed had gekregen, kwamen deze hoofdstukken nog niet voor; d.w.z. daar was hoofdstuk 12 het slot, ongeveer gelijk aan wat nu 14 werd. Het was de jaarver-
gadering van 1768 die zich hiermee bezig hield, op voorstel van het Leidse lid Jan Cornelis Valk, remonstrants predikant. Men besluit dan het rondzenden ter beoordeling aan alle leden van de Maatschappij, als te tijdrovend en onnut, af te schaffen en stelt in de plaats daarvan ‘een ander bekwaem middel om de stukken te onderzoeken’. Er zullen ‘byzondere kommissien worden benoemd voor de byzondere takken van wetenschap en kunst tot welke de oefeningen van deze Maetschappy zich uitstrekken’, en wel ‘ene voor de Tael, ene voor de Proeven van Welsprekendheid, ene voor de Dichtstukken en Verhandelingen over de Dichtkunst, en ene voor de Oudheiden Historiekunde’. Deze zullen elk 9 leden tellen en op iedere jaarvergadering opnieuw voor één jaar worden samengesteld. Men besloot dat geen nieuw verkozen leden dadelijk in die commissies mochten komen, maar dat hetzelfde lid wel in meer dan een commissie zitting kon krijgen. Als eerste groep benoemde men meteen: voor de taalkunde Huydecoper, Kreet, v. Lelyveld, Kluit, v. Wolde, Alewijn, Tollius, Nozeman, Tydeman; voor de welsprekendheid Ruhnkenius, v. Goens, Lulofs, Engelberts, Schultens, Scheidius, Mandt, Rossijn, Tydeman; voor de dichtkunst v.d. Pot, Paludanus, v.d. Bosch, de Kruyff, v. Assendelft, Valk, Trip, Schutte, Versteeg; en voor de historie- en oudheidkunde Wagenaar, v. Muyden, v.d. Wall, D.v. Alphen, Tollozan, v. Wyn, de Malnoë, Valckenaer, v. Wachendorff. Er zijn dus veel niet-Leidenaars bij, en Tydeman is de enige die aan twee commissies deelneemt.
In de definitieve wet van 1771 vormt deze regeling nu de inhoud van hoofdstuk 12 en 13. Zij opent met de
uitspraak: ‘Ieder Stuk zal in zyne Klasse rondgaen; doch eerst aen de Leydsche Gekommitteerden, en daerna, met hunne aenmerkingen, aen de anderen, volgens ene daerby gevoegde Naemlijst, bezorgd worden’. Dan volgen zorgvuldige voorschriften om te verzekeren dat alles naar recht en billijkheid en met de nodige geheimhouding zal gebeuren. De veiligheid gaat zelfs zo ver, dat geen gecommitteerde ooit stukken zal mogen beoordelen die pas na zijn benoeming werden ingeleverd (art. 7 van hoofdst. 12). Pas in hoofdstuk 13 art. 8 wordt voor het eerst geopenbaard dat er vier Klassen zijn, en wel voor Taelkunde, Welsprekendheid, Dichtkunst en Oudheid- en Historiekunde. En art. 8 meldt: ‘iedere Klasse zal van zes Leden, en derzelver Kommissie van een Jaer, zijn’. Dat men de hele Maatschappij in klassen zou willen verdelen blijkt nergens; het gaat kennelijk alleen om de vier commissies van beoordeling, die nu tot meerder nuttigheid van 9 tot 6 leden elk zijn teruggebracht.
Het 14e hoofdstuk regelt de uitgave van de Werken. Geen stuk zal kunnen verschijnen, of het moet bij alle Gekommitteerden zijner Klasse zijn geweest en door de vereiste meerderheid van twee derden zijn goedgekeurd (13, art. 6; 14, art. 1). Uiteindelijk beslist de jaarvergadering over de uitgave (4, art. 14-16). Ook werkstukken van niet-leden worden verwacht en komen in aanmerking voor beoordeling: ‘Men zal, behalven de Werken der Leden, ook die van anderen, die enig Stuk aen de Maetschappy mochten zenden, aennemen, en, indien zy goedgekeurd worden, uitgeven; in welk geval men dezelve achter de Verhandelingen der Leden afzonderlijk zal plaetsen’ (14, art. 7). Leden van de Maatschappij zullen
hun inzendingen met hun volle naam ondertekenen, ‘doch ten aenzien van anderen zal men hieromtrent derzelver verkiezing volgen’ (art. 8). En: ‘Wanneer een Werk van enigen Schryver, geen Lid der Maetschappye zijnde, doch zich door het melden van zynen naem bekend gemaekt hebbende, der uitgave waerdig gekeurd zal zijn, zal men hem de aenmerkingen der Gekommitteerden over hetzelve, voordat het gedrukt wordt, mededeelen, om daervan, naer zijn goedvinden, tot verbetering van zijn Stuk, gebruik te maken’ (art. 9). Voorts worden allerlei bijzonderheden voorzien en geregeld, zoals: wat er moet gebeuren wanneer een van de Gekommitteerden zelf een stuk inzendt, en wanneer de schrijver van een aangenomen stuk inmiddels overleden mocht zijn; ook de auteursrechten van de niet-aangenomen stukken komen ter sprake, en nog meer mogelijke problemen.
Opmerkelijk is de plaats van de welsprekendheid onder de werkzaamheden van de Maatschappij. In de eindredactie van art. 1 wordt zij niet genoemd. In het ontwerp voor de jaarvergadering van 1767 stond zij wel in dat artikel: daar was sprake van de ‘uitbreiding der Nederlandsche Tael- Dicht- Oudheid- en Historiekunde’ en van het ‘ter beoordeelinge inleveren’ van ‘enige Verhandeling, de eene of andere dier Wetenschappen betreffende, enige Proeve van Welsprekendheid, of enig Dichtstuk’. Later is daar van gemaakt ‘enige Verhandeling, of enig ander Stuk’, wat kennelijk de bedoeling had zulke proeven van redenaars- en dichtkunst niet zo opzettelijk als het oogmerk der Maatschappij aan te kondigen. Nadat in de aanhef toch eigenlijk maar drie wetenschappen genoemd zijn, komt dan pas veel verder uit, dat bij de gecommit-
teerden in de vier klassen ook wel gerekend wordt op oratorische taalkunst, waarbij in het midden blijft of dit een afzonderlijke wetenschap is, dan wel alleen een vorm van letterkundige toepassing. Is dit slimheid of onbeholpenheid? Eerder misschien een aanwijzing van nog onzekere en tegenstrijdige inzichten over het doel van de Maatschappij. Dat zij in haar streven niet uitsluitend geleerd wilde zijn, maar ook nuttig voor de vaderlandse samenleving staat onomstotelijk vast.
Over prijsvragen komt in deze wetten nog niets voor. Toch was dit onderwerp al in de oprichtingsvergadering aan de orde geweest, maar het werd toen aangehouden tot een volgend jaar. Daar was niet mee te beginnen, zolang men niet over fondsen beschikte, zo schreef v. Lelyveld aan v. Goens op de dag na de bijeenkomst (19 juli '66). Het plan bleef nog verscheiden jaren wachten; pas bij de uitgave van het 2e deel van de Werken in 1774 werd ook het reglement daarvoor bekend gemaakt. Inderdaad schreef de jaarvergadering ook in datzelfde jaar een eerste prijsvraag uit, over de verhouding van het Nederlands tot het Gotisch en Angelsaksisch. De regeling houdt in dat de Maatschappij jaarlijks een prijs zal uitloven (art. 1), die ‘zal bestaen in enen Gouden Penning, ter waerde van honderd en vijftig gulden’ (art. 2). Elk jaar zal maar één onderwerp worden voorgesteld, ‘genomen uit eene van die deelen van Kunst en Wetenschap, welke tot hare Oefeningen behooren’ (art. 4), en dat zijn nu weer de vier bekende gebieden: Dichtkunst en Welsprekendheid, Taelkunde en Oudheid- en Historiekunde; ‘doch de trant der Vaerzen zal voor de Dichtkunst niet bepaeld worden’ (art. 5). In 37 wetten (men noemde toen elk
afzonderlijk artikel een wet) is dan in alle bijzonderheden vastgelegd, hoe de voorstellen voor onderwerpen, de inzending en ontvangst, de beoordeling, en het besluit tot al dan niet bekroning of uitgave, in hun werk moeten gaan, met daarbij de nodige waarborgen voor een eerlijke en billijke behandeling.
Door deze ‘Wetten volgens welke de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leyden naer enen prijs zal laten schryven’ is de constitutie van de Maatschappij voltooid; en voor vele decenniën zou zij ongewijzigd blijven gelden.