In februari van 1763 blijkt dat aan Minima crescunt onmogelijk nieuw leven is in te blazen. En bovendien dat de belangstelling van de uitgever Joh. Le Mair voor de Bydragen was uitgedoofd. Maar Van Lelyveld had meteen in een andere Leidse drukker Pieter van der Eyk een nieuwe bondgenoot gevonden om de uitgave voort te zetten. De titel wordt: Nieuwe Bydragen tot opbouw der Vaderlandsche letterkunde; en zo verschijnen er 4 stuken met het jaartal 1763, die tezamen het eerste deel vormen, en daarna nog één stuk in 1764, een tweede in 1765, en een derde en vierde met jaartal 1766, tezamen het tweede deel; beide delen zijn weer van uitvoerige registers voorzien. Maar in de opzet is veel veranderd. Het karakter van contact- en mededelingenblad is verdwenen; recensies zijn geheel vervallen. De inhoud bestaat voor het grootste deel uit opstellen en verhandelingen van enige omvang over bepaalde philologische of historische onderwerpen; daartussen komen gedichten voor, soms vertalingen met inleidingen of toelichting. Veel van de bijdragen zijn met de naam of een herkenbare aanduiding van de auteur ondertekend. En zo heeft nu ook elk deel een inhoudsopgave die de daarin voorkomende artikelen vermeldt; het 1e dl. telt 15, het 2e dl. 16 titels.
Een aan de eerst verschenen aflevering toegevoegd
Bericht geeft de lezers een voorstelling van de gewijzigde toestand. ‘Verandering in de leden en gesteltheid van ons Genootschap’ heeft ertoe geleid dat het tijdschrift nu een coöperatieve onderneming is geworden. ‘Etlyke Liefhebbers en zommige tael en oudheidkweekende gezelschappen, in verscheiden gewesten van ons Nederland, zijn tot het edelmoedig besluit gekomen, zich tot een algemeene Maetschappye te vereenigen, en de handen gezamelijk in één te slaen, om onder een algemeener opschrift en bestek de vruchten hunner oeffeningen, aen 't wetenschaplievend Vaderland mede te deelen; men hoopt en verwacht dat meer andere kunstlievende Heeren, of zoortgelyke gezelschappen, dit voorbeeld volgen en door haer yver genoopt zullen werden, deze treflyke Maetschappye door hunne byvoeginge nog wyder uittebreiden’. Men heeft P. van der Eyk tot drukker en een groep in of nabij Leiden woonachtige leden tot ‘directeurs en uitgevers’ aangesteld, die alle inzendingen, ook van ‘vreemden’, zullen ontvangen en de briefwisseling zullen voeren... ‘De brieven gelieve men te zenden, ten huize van den Drukker, voor de Nederlandsche Maetschappy van Letterkunde’.
Het lijkt wel duidelijk dat deze hier ten doop gehouden maatschappij voorlopig alleen bestaat uit bepaalde afspraken tussen enige geestverwanten, die als particulieren of in plaatselijk clubverband willen meewerken, en het redactie-groepje dat Van Lelyveld in Leiden om zich heen wist bijeen te houden. Daartoe zullen in de eerste plaats wel Paludanus en Tollius hebben behoord en verder ook Van Wijn en Van Goens. Andere belangrijke medewerkers uit de oude kring waren Kluit, Tydeman, Alewijn,
Van Wachendorff, en van verder weg Hinlópen in Hoorn en Macquet in Zierikzee. Enkele figuren die later een rol in de Leidse Maatschappij zullen spelen verschijnen hier reeds met een eerste bijdrage, P.v.d. Bosch en J. de Kruyff. (Het volledige lijstje met de oplossing van initialen en pseudonymen geeft Wille t.a.p. blz. 582). Als ondertekeningen van genootschappen komen voor: Dulces ante omnia musae, en nog een tweede uit Utrecht Musae noster amor, en het Hoornse Magna molimur parvi.
Al deze medewerkers en hun bijdragen zullen in het vervolg van dit hoofdstuk ter sprake komen, en wel in een volledig overzicht van de inhoud van de Nieuwe Bydragen en van de eerste reeks Werken gezamelijk.