terug  begin  verderprepost

2. De eerste reeks Werken 1767-'88

Nadat in de zomer van 1766 de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde als een werkelijke instelling werd opgericht, was het met de Nieuwe Bydragen spoedig gedaan. Weliswaar blijkt uit een brief van v. Lelyveld dat het laatste stuk van het tweede deel pas eind juni 1767 van de pers is gekomen (Wille t.a.p. 159); en ook dachten de Leidse plannenmakers nog in maart '66 dat het tijdschrift ‘als de Verhandelingen dezer Maetschappij’ zou worden voortgezet (Wille, 161). Maar alles werd geleidelijk breder en gewichtiger van opzet. Voortaan zou de Maatschappij zelf de daartoe waardig gekeurde opstellen van haar leden, of anderen, uitgeven door ze te plaatsen in de plechtige 4o-delen van haar Werken. In de loop van ruim twintig jaren zijn zeven zulke bundels met verhandelingen verschenen. De ingekomen werkstukken, en later ook de beantwoordingen van de prijsvragen, werden

[p. 57]

volgens de in de wetten vastgestelde regels door de daarvoor aangewezen commissarissen beoordeeld en met hun bevindingen bij de jaarvergadering ingediend. Deze nam de beslissing over opneming in de Werken en stelde ze in handen van de drukbezorger. Telkens blijkt uit de verslagen dat bepaalde vellen en stukken zijn afgedrukt, zonder dat deze vooralsnog werden uitgegeven; men liet de stof geleidelijk aangroeien, tot de jaarvergadering het besluit nam het deel af te sluiten en te laten verschijnen.

Het karakter van een tijdschrift, dat de Nieuwe Bydragen toch duidelijk vertoonden, ging dus geheel verloren. En - wat velen wel heel spijtig vonden - het duurde tot 1772, voordat het eerste deel van de Werken in het licht kwam. Men had daarmee moeten wachten tot de Wetten eindelijk waren vastgesteld, omdat deze toch de nieuwe stand van zaken dienden bekend te maken en de reeks moesten openen. Evenzo moest deel II wachten op de regeling van de prijsvragen, 1774, en deel III op de gunstige afloop van de octrooi-aanvrage, 1777. Dan verschenen er enige delen na telkens twee jaar, IV in 1779, V in 1781, VI in '83; daarna liet VII op zich wachten tot 1788, en deel VIII is door de moeilijke tijdsomstandigheden nooit verschenen. Enige daarvoor bestemde stukken zijn blijven liggen en werden veel later opgenomen in de bundels Verhandelingen, die in 1814 en 1818 uitkwamen. De reeks Werken bestaat dus uit 7 delen in 4o, gedrukt en in het licht gebracht door P. van der Eyk en D. Vygh te Leyden, 1772-1788.

Wat de inhoud betreft is inderdaad de ontwikkeling verder gegaan: van studentenblad tot vaktijdschrift, en nu tot wetenschappelijke verzamel-bundels. Mannen als

[p. 58]

A. Kluit, P.H. van de Wall, H. van Wijn zijn tot vakgeleerden uitgegroeid, oude medewerkers als Z.H. Alewijn en N. Hinlópen zetten hun degelijke taaloefeningen op gelijke voet voort; Kreet en ook Tollius zijn van de werkzaamheden vervreemd, Van Lelyveld zelf beperkt zich tot praktische zaken, organiseren, verzamelen van stof, corresponderen, Paludanus sterft al spoedig; enkelen van een ouder geslacht staan bijdragen af, zoals Huydecoper en J. Wagenaar, enkele jongeren komen erbij, H. van Alphen en Bilderdijk, beide als geleerde theoretici; en enige nieuwe figuren treden op als geregelde deelgenoten in de engere Leidse kring, met name de remonstrantse predikant P. van den Bosch en de doopsgezinde emeritus C. van Engelen. Zij leveren een geschakeerde verzameling van historische varia, taalbeschouwingen met velerlei details, en letterkundige aesthetiek. Om hen heen groeperen zich een aantal tijdgenoten van ouder en jonger generaties, die slechts door een enkele bijdrage hun plaats onder de medewerkers bekleden.

prepostterug  begin  verder