terug  begin  verderprepost

3. De medewerkers en hun aandeel

Wat de bemoeienissen van hen allen tezamen in de jaren 1763 tot 1788 hebben opgeleverd wordt in het volgende gedeelte van dit hoofdstuk beschreven. Het is een volledige opgave van alle in de twee genoemde reeksen verschenen stukken. Hiervoor is een rangschikking op naam van de schrijvers gekozen, omdat alleen op deze wijze een beeld van de afzonderlijke personen en hun aandeel te verkrijgen is. Terwille van de hanteerbaarheid zijn de schrijversnamen in alfabetische volgorde ge-

[p. 59]

plaatst; de weinige naamloze bijdragen zijn volgens de in catalogi gangbare regels alfabetisch daartussen gevoegd.

Afkortingen

NB. I = Nieuwe Bydragen tot opbouw der Vaderlandsche Letterkunde. Leyden, P. van der Eyk, 1763.
NB. II = Nieuwe Bydragen tot opbouw der Vaderlandsche Letterkunde. Leyden, P. van der Eyk, 1764-1766.
W. I = Werken van de Maetschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leyden. Eerste deel. Leyden, P. van der Eyk en D. Vygh. 1772.
W. II - Werken van de Maetschappy ... enz. Tweede deel. Leyden, P. van der Eyk en D. Vygh. 1774.
W. III = Werken van de Maetschappy ... enz. Derde deel. Leyden, P. van der Eyk en D. Vygh. 1777.
W. IV = Werken van de Maetschappy ... enz. Vierde deel. Leyden, P. van der Eyk en D. Vygh. 1779.
W. V = Werken van de Maetschappy ... enz. Vijfde deel. Leyden, P. van der Eyk en D. Vygh. 1781.
W. VI = Werken van de Maetschappy ... enz. Zesde deel. Leyden, P. van der Eyk en D. Vygh. 1783.
W. VII = Werken van de Maetschappy ... enz. Zevende deel. Leyden, P. van der Eyk en D. Vygh. 1788.

Alewijn , Zacharias Henric (1742-1788), vrijheer van Mijnden en de beide Loosdrechten, jurist en Amsterdams regent, reeds genoemd onder de oprichters van de Maatschappij (blz. 17), gaf taalkundige beschouwingen:

 

Bedenkingen op de verhandeling over de terpen. NB. I, 391-412.

[p. 60]
Een etymologische studie over de woorden terp en dorp, waarin de schrijver zich heel wat bedachtzamer toont dan F.v. Lelyveld, wiens verhandelingen over hetzelfde onderwerp kort tevoren was verschenen (NB. I, 137-152).

Aanmerkingen op Clais Colijn. NB. II, 3-58.

Over de zin van tekstkritiek naar aanleiding van de uitgaven door v. Loon en Dumbar, en verklarende opmerkingen bij een aantal duistere plaatsen; hij hoopt dat er nog eens een deugdelijker handschrift voor den dag zal komen, maar blijkt in een voorafgaand vers ‘Aan Colijns schim’ toch ook te weten dat sommige geleerden ernstig twijfelen aan de echtheid van Colijns kroniek. (Zie ook onder: J. Wagenaar).

Verdediging van den nominativus absolutus met verwerping van den ablativus. NB. II, 339-372.

Weerlegt in een keurig pleidooi Huydecopers bewijsgronden dat de casus absolutus in het Nederlands als een ablativus moet worden opgevat, en versterkt de stelling van Ten Kate die hierin een nominativus onderkende. (Zie ook onder: B. Huydecoper).

Mengelingen, behelzende verbasterde spreekwyzen, en een aanhangsel van verminkte plaatsen in oude schryveren. W. I, 101-116.

Een reeks beknopte opmerkingen: verklaring van o.a. openduit, opentop, omendom e.d., tsestig, tachtig, die alle daarin overeenkomen dat er ende in verscholen is; van den os op den ezel; bont en blauw; van lieverlee; slapen als een roos; twee aan twee e.d.; voorts voorbeelden van corrupte plaatsen ten gevolge van verkeerde lezing van handschrift en verwisseling van letters.
N. Hinlópen heeft in zijn Bylagen, ibid. 117-122, nog enkele voorbeelden toegevoegd: anendan, doorendoor e.a.; misschien, wellicht; de t van tsagen, tsaart, tsheren; mijnent, uwent; tenzij, tenware; t'zoek, t' zijner bate, enz.
[p. 61]

Verdediging van de voornaamste dichterlyke vryheden. [hoofdstuk 1-9]. W. II, 89-155.

Tweede stuk bevattende de 10 overige hoofddeelen [10-19]. W. III, 109-199.

Over ongewoon woordgebruik en afwijkingen van grammatikale normen in literaire teksten uit de 17e en 18e eeuw (voorbeelden vooral uit Vondel en Lucas Trip); waarschuwt tegen te grote verering van correctheid ‘in de taal en de zoetvloeiendheid’ van verzen, waardoor ‘de kracht van zeggen dikwils verloren gaat’; wijst er bij herhaling op dat ook Griekse en Latijnse dichters zich allerlei afwijkingen van de regels veroorloven, dialect-vormen, vreemde woorden, ongebruikelijke uitgangen en geslachten; maar stelt nadrukkelijk, dat al zulke vrijheden ‘hoe zeer in de gelegenheden geoorlofd, echter nooit voor sieraden te houden zijn’; in de 19 hoofdstukken zijn de verzamelde bijzondere gevallen systematisch gegroepeerd als taalkundige verschijnselen.

Toets van nieuwerwetsche taalkunde. W. VII, 299-327.

Nogmaals een reeks taalhistorische opmerkingen over woordvormen, etymologie en spelling, naar aanleiding van ‘vreemde en aanstootelyke schrijfwyzen’ die als nieuwigheden in gebruik blijken te komen; behandelt o.a. rechte(r), linke(r), perlemoer, lidteken, likdoorn, aartig, eenvoudig en een aantal uitdrukkingen met te, ten en ter.

Vertoog over de voorzetsels te, ten, ter. W. VII, 327-347; met: Noodwendig nabericht, ibid. 348-349.

Een moeizame poging om orde te brengen in de onzekerheid bij het gebruik van deze drie woordjes; het nabericht is een verontschuldiging, dat hij de in 1783 verschenen 6e druk van de Woordenlijst van D.v. Hoogstraten, met nieuwe inleiding van A. Kluit, niet tijdig heeft gekend, waarheen hij anders bij enige van zijn opmerkingen zou hebben verwezen.
[p. 62]

Alewijn heeft meer geschreven, o.a. in de 2e bundel Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde van Dulces ante omnia musae; ook enkele verzen; en mengde zich in kerkelijke polemieken (zie Breen in NNBW. IV, 34). Als taalkundige was hij een volgeling en voortzetter van Huydecoper met zelfstandig oordeel, en steeds vervuld van het door Ten Kate gegeven voorbeeld van exact en reëel onderzoek. Hij keert zich tegen te vlot normaliseren en tegen te schoolse afhankelijkheid van de Latijnse grammatica; en hij is zelf een goed en vaak spits stilist. Het slot van zijn laatst genoemde opstel luidt: ‘Laat ons verstandig handelen, en de taal gebruiken, zoo als onze ouders ons de zelve hebben overgegeven. Vinden wy iets, dat door verloop van tijd verbasterd is, dit mogen wy, zoo veel de verstaanbaarheid toelaat, en zoo verre het zonder merkelyken aanstoot geschieden kan, weder te recht brengen. Maar laat ons vooral ons wachten van eerst regels te willen maken, en dan de taal naar de zelve te dwingen, steeds indachtig aan het gulden zeggen van Ten Kate, dat men de taalwetten of taalgebruiken moet vinden, en niet maken’. (W. VII, 347).

 

Toen Alewijn in 1788 zonder nakomelingen stierf, legateerde hij aan de Maatschappij zijn kostbare bibliotheek. In de jaarvergadering van die zomer deed Tydeman hiervan reeds mededeling en als Byvoegzel tot de Handelingen van dat jaar werd het extract uit het testament afgedrukt, waarin het legaat is omschreven als ‘alle zyne Oude Manuscripten, als meede alle zyne oude gedrukte min of meer raare Boeken, die in de Nederlandsche Letterkunde van gebruik zijn’. De testateur heeft erbij

[p. 63]

voorgeschreven van dit geschenk ‘onder behoorlyke voorzorg, een goed gebruik te maaken, en de Boeken niet enkel voor de pronk te houden’. Als aanhangsel bij de Handelingen van 1789 is een lijst gevoegd van de titels op 4 folio-bladzijden, 2 blz. handschriften en 2 blz. oude gedrukte boeken. Veel hiervan was vroeger in het bezit van Huydecoper geweest. Voor de nog bescheiden bibliotheek van de Maatschappij vormde dit een vorstelijke uitbreiding; de aanwinst werd in een afzonderlijke kast geplaatst.

 

Alphen , Hieronymus van (1746-1803), dichter en kunsttheoreticus, werd als ‘j.u. candid. te Utrecht’ in de eerste vergadering op 18 juli 1766 tot lid van de Maatschappij gekozen; hij was toen nog niet in het openbaar als literator opgetreden, maar had zeker al in de kring van Dulces zijn talenten getoond en de belangstelling van Tydeman, v. Goens en v. Lelyveld getrokken. Hij bleef een jaar in Leiden aan zijn dissertatie werken en promoveerde daarna 1 nov. '68 te Utrecht bij Tydeman in de rechten. Daar was hij dan advocaat en van 1780 af procureurgeneraal bij den hove van Utrecht; en in deze ruim 20 Utrechtse jaren valt zijn belangrijkste letterkundige werkzaamheid. In 1789 trok hij zich uit zijn gerechtelijk ambt terug en werd pensionaris van Leiden; in 1793 volgde zijn benoeming tot thesaurier-generaal van de republiek en vestigde hij zich in den Haag; daar bleef hij, na de omwenteling van 1795 als ambteloos burger, wonen tot zijn overlijden.

Zie: J.I.D. Nepveu. Leven van H.v. Alphen, achter de uitgave van de Dichtwerken, 1838, 1857; E. Zuidema in NNBW. I, 88v; - Wille, t.a.p. 87, 88 noemt brieven aan Tydeman van 1765.
[p. 64]

In de Werken van de Maatschappij verschenen twee verhandelingen van zijn hand: een oudheidkundige en een literairfilosofische.

 

Verhandeling over den eed der Utregtsche bisschoppen, genaamd den eed met zeven stolen. W. II, 183-211.

Onderzoek en verklaring van een middeleeuws rechtsgebruik: een eed van bijzondere rechtskracht, afgelegd met een aantal medezwerenden; uit Nederlandse oorkonden ook overigens bekend, maar bij de Utrechtse bisschoppen in 't bijzonder onder deze benaming omdat de medezwerenden dan prelaten waren in priesterkleed met stola.

Verhandeling over de kenmerken van waar en valsch vernuft, als ook over de behoedmiddelen tegen het laatste. W. VII, 163-298.

Antwoord op de in 1782 uitgeschreven prijsvraag, dat volgens de uitslag in 1785 werd aangenomen om in de Werken te verschijnen naast het met de gouden penning bekroonde van J.J. Hottinger; theoretiseert breedvoerig over de kenmerken van vernuft (ingenium, esprit, wit, Witz) en de plaats daarvan in de schone kunsten, met een overvloed van voorbeelden uit oude Latijnse en Franse, Duitse, Engelse en Nederlandse dichters van de 17e en 18e eeuw; vernuft uit zich altijd in een soort vergelijking, overeenkomst of althans betrekking tussen tweeërlei zaken of gedachten; vergelijkingen kunnen juist en treffend zijn, maar ook scheef, vergezocht, overdreven of smakeloos; zij zullen soms in verband met de stijl, het genre of het gegeven van het dichtstuk misplaatst ofwel overdadig zijn; behalve de aanleg en smaak van de dichter zelf zijn ook het karakter en de mode van zijn tijd en zijn publiek hierbij werkzame factoren; in de tegenstelling tussen gevoel en vernuft, het ontroerende en het zinrijke (blz. 198, 279) knoopt hij aan bij het betoog over het aan-
[p. 65]
geboorne in de poëzij van ‘de Heer van Alphen’ in diens Digtkundige verhandelingen van 1782, waarvan z.i. deze nadere beschouwingen over het vernuft een gewenste aanvulling kunnen vormen.

Dr A.C.S. de Koe heeft in haar proefschrift over Van Alphen's literair-aesthetische theorieën, Utrecht 1910, deze verhandeling op blz. 152-154 besproken en merkt terecht op dat de gestelde prijsvraag de schrijver dwong zijn aandacht meer op het verstandelijke te richten dan hij in zijn vorige theoretische uiteenzettingen had gedaan; kennelijk lokte het hem aan zijn denkbeelden en zijn kennis nu op een door andere gekozen en geformuleerd onderdeel van literaire kritiek toe te passen. De vraag was oorspronkelijk op de jaarvergadering van 1781 aan de orde gesteld met beperkter strekking, namelijk vals vernuft bij Vondel en andere van onze beste dichters, maar kreeg in 1782 haar algemener en breder eindredactie. - Over nog een andere dichtkundige verhandeling, die al in het vorige VIe deel van de Werken was verschenen, heeft mejuffrouw De Koe in dit verband haar oordeel gegeven (blz. 149-152) en zij keurde die Van Alphen onwaardig. Het Gedenkschrift van de Maatschappij van 1867 had deze (blz. 106) op grond van een onjuiste overlevering ook aan hem toegeschreven. Sindsdien is gebleken dat C. van Engelen de schrijver ervan was; zie nader op diens naam.

 

Antwoord op de vraag: In hoe verre kan men uit de overblijfsels van het Moesogotthisch en Angelsaxisch, tot opheldering der oudheid van het Nederduitsch,

[p. 66]

aantoonen, dat de grond onzer tale in de bovenvermelde te vinden is. W. VII, 1-67.

Dit onderwerp was het eerste dat in 1774 als prijsvraag door de Maatschappij is uitgeschreven; in 1776 bleek dat er één inzending was ontvangen die niet waardig werd gekeurd voor de prijs; nadat de vraag nogmaals was gesteld kwam er één in het Latijn geschreven verhandeling binnen, die in 1780 evenmin voor bekroning kon worden aanbevolen, maar die men toch wel in Nederlandse vertaling in de Werken wilde opnemen; het lid J. Fortman werd uitgenodigd deze vertaling te bewerken; - de naam van de inzender is nooit bekend geworden; hij was zo goed als zeker een buitenlandse germanist met meer historische dan eigenlijk taalkundige belangstelling; zijn werkstuk geeft bepaald geen antwoord op de gestelde vraag.

Assendelft , Adrianus van (1736-1809), een van de drie Leidse studenten, die 16 nov. 1757 hun gezamelijke taalstudies als Linguaque animoque fideles begonnen; Haarlemmer van geboorte, werd 1761 predikant in Nieuwenhoorn, 1764 in Assendelft, en van 1771 tot zijn dood in Leiden; was in 1785 een van de oprichters van het Haagsch genootschap ter verdediging van den christelijken godsdienst, waarvan hij 24 jaar de permanente secretaris is geweest; in de Maatschappij d. Ned. lett. heeft hij 1774-'77 het secretariaat bediend en 1779-'81 het presidentschap waargenomen; zijn twee toespraken tot de jaarvergaderingen waren sober en hij voelde zich kennelijk in deze voorzitterszetel niet geheel op zijn plaats; in later jaren schijnt hij ook voor het lidmaatschap bedankt te hebben; maar hij behoorde tot de oudste

[p. 67]

oprichters, liet zich bij de eerste taakverdeling voor het woordenboek in 1774 het excerperen van Hoogvliets Abraham de aartsvader opdragen; en hij schreef zelf zeer verzorgde verzen.

 

Zie: Visscher en v. Langeraad, Prot. vaderl. I, 266 e.v.; L. Knappert in NNBW. I, 190 v.

 

Kain's rede, na het vermoorden van zynen broeder Abel; gevolgd naer 't Latijn van Barlaeus. NB. II, 311-314.

Ondertekend A.; in alexandrijnen om en om rijmend; met een kritische noot over een anachronisme in deze monoloog van Barlaeus, dat de vertaler toch maar behouden heeft; er is geen bewijs dat v. A. de dichter is maar zeker geen reden tot ontkenning.

Heilgroete der Leidsche zanggodinnen aen zyne Doorlugtigste Hoogheid Willem den Vijfden, Prins van Oranje..., uitgeboezemd door den Hooggeleerden Heere Adrianus van Royen op den XV. van Grasmaend MDCCLXVI, gevolgd naer het Latijn ... W. II, 1-13.

Dit zijn dus Van Royen's academische gelegenheidsverzen voor het officiële bezoek aan Leiden van Willem V, kort na zijn 18e verjaardag en de aanvaarding van het stadhouderschap, in de Nederlandse vertaling die v. Assendelft reeds enkele maanden daarna bij de oprichtingsvergadering van de Maatschappij had ingezonden (zie blz. 5); het zijn regels van 15 lettergrepen ‘8-voetige trochaeën’ met gepaarde staande rijmen. Wat in 1766 een elegante actualiteit was geweest, verscheen dan nu in 1774 als een huldebetoon aan de vorst die nog altijd niet had geantwoord op de aanbieding van het beschermheerschap.
[p. 68]

Deze twee vertaalde stukken geven geen goed beeld van v. Assendelft's plaats tussen de letterlievende vrienden. Uit zijn inzendingen voor de eerste reeks By-dragen spreekt dit beter. Ondanks de geheimzinnige ondertekeningen is er een duidelijke overeenkomst in de aan hem toegeschreven rijmwerken (Wille t.a.p. 574 v.): in B. I, 153-160 ‘Hoogmoets dwaasheid’, gevolgd door ‘Lof der ootmoet’ op blz. 251-254, en in B. II, 561-580 ‘De zondaer van zyne zonden overtuigd’, bestaande uit Zang, Tegenzang en Slotzang. In al deze verzen van 1759 en '60 toont hij zich als een prekende ‘lierdichter’ en strophenvirtuoos. En diezelfde kenschetsing is toepasselijk op zijn als afzonderlijk boekje verschenen: Eeuwzang ter tweehonderdjaerige gedachtenisse van Leidens beleg en ontzet, gevierd op den III. van Wijnmaend 1774, door Adrianus van Assendelft, Predikant te Leiden, Lid van de Maetschappij der Nederlandsche Letterkunde aldaer, en van de Tael- en Dichtlievende Genootschappen te Leiden en 's Graevenhaege (Leiden, bij C. van Hoogeveen jun., 1774. 16 blz.). Uiteraard is dit een berijmde feestpredicatie, over Bataefsche vrijheid, godsdienst en Oranje, maar ook weer in de kunstige vorm die hij 15 jaar vroeger hanteerde. Het artistieke spel met de strophe heeft, naast de kunstige rijmschema's, geleid tot meer en meer ingewikkelde variaties in de afwisseling van langer en korter verzen; en als extra-finesse komt daar nog een mode bij, namelijk de omwisseling van staande en slepende rijmen in opeenvolgende strophen. Als het rijmschema in het begin- en het eindvers van de strophe een rijm van dezelfde soort heeft (d.w.z. als beide staand of beide slepend zijn), keert men dit in de tweede strophe om, zodat deze

[p. 69]

volgens het schema overal staand moet krijgen waar de eerste slepend had (en omgekeerd); de 3e strophe wordt dan weer gelijkvormig met de 1e, de 4e weer met de 2e, en zo voort. Dit super-sieraad van de lierzang is eigenlijk in strijd met de oude stelregel dat alle strophen van een lied geheel identiek van bouw dienen te zijn omdat zij op dezelfde wijs moeten passen; daat ligt dan ook een grenslijn tussen het literaire stichtelijke lierdicht en het christelijke kerklied. En zolang de 17e-eeuwse dichters in hun lyriek nog aan een zangwijs dachten konden zij deze bizarre variatie onmogelijk verzinnen. Ook later hebben lang niet alle puikpoëten zich trouwens van dit kunstmiddel bediend. Van Assendelft heeft voor zijn verschillende gedichten telkens een ander schema gebouwd, dat hij dan dus soms 20 of 30 strophen lang moest volhouden. In de oude By-dragen zijn dit: 2 variaties van 10-regelige en 3 variaties van 6-regelige strophen; en in zijn Eeuwzang geeft hij nog een 3e varieteit van de 10-regelstrophe. Bij twee van de oudere en bij zijn Eeuwzang heeft hij ook de bedoelde omkering van het rijmschema in toepassing gebracht. Onder de dichtende collega's van de By-dragen is de medicus Macquet een even groot liefhebber van strophische kunstigheden, maar hij behandelde hierin meer afwisselende stof. Of v. Assendelft in zijn collega-predikant uit het oudste vriendengroepje, W. Mobachius Quaet, een poëtische geestverwant had, is niet na te gaan, omdat van diens literaire jeugdijver geen enkel spoor is overgebleven. En de iets jongere theologant, P. Paludanus, is wel een bepaald dichterlijke student maar geen strophische dominee geweest.

[p. 70]

Bilderdijk , Willem (1756-1831), beantwoordde de in 1777 door de Maatschappij uitgeschreven prijsvraag en werd hiervoor in 1780 met de gouden erepenning bekroond; er waren twee inzendingen de prijs waardig gekeurd, maar door loting viel hem de eerste plaats toe. In hetzelfde jaar 1780 was hij in Leiden student in de rechten geworden. De maandvergaderingen hadden de bevoegdheid Leidse leden te benoemen; en zo werd Bilderdijk op 2 maart 1781 gekozen en op 6 april ‘door den President met een gepaste aanspraak verwelkomt als lid dezer Maatschappij’, wat hij ‘op minzaamste wijze’ beantwoordde met de betuiging ‘de belangen der Maatschappij zoo verre zijn tijd en vermogens zulks toelieten’ te willen bevorderen; in het jaar 1782-'83 vervulde hij de bestuursfunctie van ‘briefschrijver’. In 1806 werd hij voor een jaar ‘drukbezorger’; maar dit behoort in een heel ander verband thuis, dat later ter sprake moet komen.

 

Antwoord op de vraag: Hebben de dichtkunst en welsprekendheid verband met de wijsbegeerte; en welk nut brengt dezelve aan de eene en andere toe? W. VI, 1-78.

Met: 8 Bijlagen en een Nabericht. W. VI, 79-200.

De vraag heeft in de jonge belezen kunstenaar-geleerde nog geen rijpe of persoonlijke inzichten wakker geroepen; met een overdaad van rhetorische vragen houdt hij vertogen over wetenschap en kunst en over het onderricht en de voldoening die deze de mens kunnen bieden, en meent dan op blz. 75 ‘genoegzaam betoogd te hebben, dat dichtkunst en welsprekendheid beide met de wijsbegeerte in een onderling verband staan, dat ze een' weêrkeerigen invloed op elkander oefenen, en de eene niet zonder de andere wetenschap aan het ware eind
[p. 71]
harer instellinge voldoen kan’; toen eenmaal tot de uitgave besloten was, had hij behoefte op allerlei punten zakelijker in te gaan, en kreeg gelegenheid zijn bijlagen toe te voegen, die eigenlijk afzonderlijke hoofdstukken zijn over 1. het belachelijke, 2. de minnedichten, 3. de duisterheid der aangename aandoeningen, 4. de verscheidenheid in het schone, 5. de schoonheid des menschelijken lichaams, 6. de schoonheid der bijzondere lijnen, 7. de gemengelde aandoeningen, 8. verscheiden punten de dichtkunst betreffende; het Nabericht besluit met de hoop, dat zijn verhandeling iets ‘mag toebrengen om den heilzamen trek tot vermaak, waarover zij gaat, te leren zuiveren’ en om ‘den smaak voor 't wijsgeerig genoegen van de geest op te wekken’, wat zich ‘niet alleen tot den dichter en redenaar uitstrekt, maar tot alle denkende wezens’. In later jaren hechtte hij zelf weinig waarde aan dit onevenwichtige jeugdwerk (zie R.A. Kollewijn, Bilderdijk leven en werken. I, 94-97). Ook de verhandeling van zijn medestander werd anoniem in hetzelfde deel van de Werken opgenomen (blz. 203-335); zie daarover onder de naam van C. van Engelen.

Bolt, Henricus (omstr. 1740 - na 1785), behoorde tot de Latijnse dichters uit de Amsterdamse kring van Petrus Burmannus secundus (1713-1778), en was blijkbaar bevriend met Z.H. Alewijn; hij is leraar geweest aan het gymnasium in Haarlem en later in Amsterdam; in Haarlem verscheen 1765 zijn gedicht Artis typographicae natalis, op de 325e verjaardag van de boekdrukkunst, en in Amsterdam 1785 zijn rouwzang In obitum Egberti de Vry Temminck. Hij gaf één boekje uit: Henrici Bolt Silva critica, in qua compluria auctorum veterum, Ausonii praesertim, loca, vel emendantur vel vindicantur; accedit ejusdem Silva poëtica. Harlemi, apud J. Bosch,

[p. 72]

MDCCLXVI. 8o VIII, 110, (10), 48 blz. Het is opgedragen aan P. Burmannus Sec. ‘patrono suo, optime de se studiisque suis merito’ en bevat o.a. twee elegieën ‘ad juvenem nobilissimum Z.H. Alevinum’, een op de dood van de in 1764 gestorven Utrechtse professor P. Wesseling, een andere tot lof van Burman, en een sapphische ode op de vijfde verjaardag van diens zoontje Frans; de naam van de stad Haarlem komt in Bolt's verzen herhaaldelijk voor, maar het was niet zijn geboorteplaats, want toen hij daarheen moest gaan was hij gedwongen afscheid te nemen van zijn patria sedes en van zijn geliefde Laelia (Eleg. XI).

Zie: Hofman Peerlkamp, De vita Belgarum qui latina carmina composuerunt (1822) p. 466 sq.; Cat. bibl. Ver. t. bev. d. boekhandels, I, 97; Knuttel, Pamfl. 21135; E. Zuidema in NNBW. IV, 195.

Aan de zangkunst; mijn Latijn nagevolgd. NB. II, 676-680.

In 8-voetige trochaeën met uitsluitend staande gepaarde rijmen; het is de Elegia III Ad musicam uit zijn bundeltje p. 9-12, en elk rijmend verspaar beantwoordt aan een Latijns distichon; de inhoud is uitsluitend klassiek en mythologisch.

Bosch , Bernardus de (1709-1786), doopsgezind godsdienstig dichter te Amsterdam, oom van Jeronimo de Bosch; hij gaf zijn verzen uit in 5 delen Dichtlievende verlustigingen, 1742-1785; het tweede deel verscheen in 1758 en werd in het decembernummer van de By-dragen met waardering besproken en van philologische notities voorzien door v. Lelyveld en Kreet. Weer een generatie later erkende Bernardus' achterneef, Jeronimo de Vries,

[p. 73]

nog wel zijn geroemde hulpvaardigheid tegenover jeugdige dichters en ook de keurigheid en kiesheid van zijn taal en dichttrant, maar kenmerkender oordeelde hij zijn gebrek aan ‘vinding of stoute verbeelding’ (Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde, 1810, II, 169 e.v.). In 1768 werd hij tot lid van de Maatschappij benoemd.

Zie: E. Zuidema in NNBW. IV, 233 e.v.

 

Taal- en dichtkundige aanmerkingen, ter verbetering zyner Dichtlievende verlustigingen. W. II, 15-88.

Onder het aan Huydecoper ontleende motto ‘het aantoonen van drie misslagen kan by veelen meer dienst doen dan het voorschryven van twalef regelen of wetten’, en met het doel ‘aenkomende dichters in hunne oefeningen te ondersteunen’ geeft hij hier uitvoerige zelfkritiek en verbeteringen op zijn twee verschenen dichtbundels, waardoor zowel theologische bezwaren als aanstoot inzake taal en spelling worden weggenomen.

De Christen aan den Vrygeest. W. II, 157-181.

Vertaling van Chr. F. Gellert ‘Der Christ’ met enige vrijheden; waar Gellert's vroomheid nog iets strijdbaars toont heeft de bewerker dit tot zuivere stichtelijkheid verzacht (in een ander gedicht ‘Der Freigeist’ was Gellert nog veel scherper met zijn terechtwijzing); voorbeeld en vertaling zijn beide in alexandrijnen.

Bosch , Jeronimo (Hieronymus) de (1740-1811), bekend Amsterdams classicus en Latijns dichter uit de school van Petrus Burmannus Secundus, doopsgezind en aanvankelijk apotheker evenals zijn vader en grootvader, die beiden ook Jeronimo heetten; hij volgde in 1773 Jan Wagenaar op als eerste klerk ter secretarij van Amsterdam

[p. 74]

(na hem kreeg zijn zusterszoon Jeronimo de Vries dit ambt, sinds 1814 met de titel griffier); in 1798 werd De Bosch benoemd tot curator van de Leidse hogeschool; en in 1808 was hij een van het viertal geleerden aan wie koning Lodewijk de inrichting opdroeg van het Koninklijk instituut van kunsten en wetenschappen. Hij werd in 1780 tot lid van de Leidse Maatschappij gekozen, nadat hem het jaar tevoren de gouden penning was toegekend voor zijn Latijns antwoord op de prijsvraag over de vereisten van een lofrede; daarna schreef hij nog verscheiden verhandelingen over klassieke literatuur, wijsbegeerte en dichtkunde op prijsvragen van andere genootschappen. Onder zijn Latijnse gelegenheidsgedichten is er een op de geboorte van David Jacob van Lennep (1774); diens zoon Jacob (geb. 1802) herinnerde zich uit zijn jongenstijd nog de zwierige oude vrijgezel met zijn grote paruik, zijn blijmoedig gelaat en zijn open blik. D.J.v. Lennep herdacht hem enige jaren na zijn dood voor de 3e klasse van het Koninklijk instituut in een uitvoerige klassieke Laudatio Hieronymi de Bosch (1817); en J.W. te Water deed dit reeds 1811 in de jaarvergadering van de Maatschappij. Hij is een man van groot aanzien geweest als maatschappelijk mens en als vooruitstrevend klassiek geleerde, een verdraagzaam patriotsgezinde en een verlicht gelovige, die het gezag van zijn functies altijd zachtzinnig en bemiddelend uitoefende. Zijn belangstelling is de Maatschappij en haar streven tot steun geweest, zonder dat hij op haar gebied bepaaldelijk werkzaam was.

Zie o.a. N.G.v. Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen in de Nederlanden (1822),

[p. 75]

II, 512, 548, 551-554, 565; E. Zuidema in NNBW. IV, 235-239.

 

Responsio ad questionem: Quidnam est, quod in laudatione requiritur? W. V, 131-197.

Gevolgd door: Antwoord op de vraag, Welke zijn de vereischten van een lofreden; vertaald door Pieter van den Bosch. W. V, 199-285.

In 1779 met de gouden penning bekroonde verhandeling, ingezonden op de 1777 uitgeschreven prijsvraag van de Maatschappij; geheel op grond van klassieke modellen geeft de schrijver zijn beschouwingen over de strekking en de vorm van de laudatio; de zin van een lofrede is het stellen van een roemrijk voorbeeld tot opwekking en tot navolging; met bijzondere nadruk eist hij van de lofredenaar een moreel standpunt; niet rijkdom, hoge afkomst, macht, intelligentie of lichamelijke hoedanigheden maken een mens prijzenswaardig, maar de wijze waarop hij zijn gaven en verworvenheden heeft gebruikt tot nut van anderen of van de gemeenschap; en dit moet uiteraard in taal, stijl en indeling, naar de beste voorbeelden van welsprekendheid worden gesteld en ingekleed. Evenals in zijn verhandelingen over de dichtkunst is ook hier zijn opvatting: men moet geen kunstregels zoeken of maken, maar met geoefend oordeel op eigen wijze de klassieke voorbeelden navolgen. Hijzelf heeft voor zijn Amsterdamse vriendenkring, zowel in het Latijn als in het Nederlands, verscheidene zeer bewonderde lofredevoeringen over historische en letterkundige figuren gehouden.

Bosch , Pieter van den (omstr. 1735?-1787), Amsterdammer van geboorte en van studie, ging 1755 over tot de remonstranten, werd 1756 proponent en 1757 predikant in Zoetermeer-Zegwaard, vervolgens 1760 in Oude Wete-

[p. 76]

ring, 1765 in Zwammerdam, en 1769 in Leiden, waar hij 1783 om gezondheidsredenen emeritaat verkreeg. Hij ging weer in Zoetermeer wonen en was er bekend als een ijverig patriot; bij het herstel van de Prins-stadhouder in sept. 1787 werd hij lastig gevallen door opgewonden dorpelingen en kwam om het leven in een sloot nabij zijn huis.

De Vaderlandsche historie ten vervolge van Wagenaar geeft, in deel XX (1798) blz. 408-415, een uitvoerig verslag van dit klagelijke voorval met zelfs een dramatische afbeelding erbij. In deel XV (1795) van datzelfde geschiedboek komt blz. 108-110 een lijst voor van 40 patriotse medeburgers, waaruit men een deputatie van 25 had willen kiezen voor onderhandelingen in Parijs; dit stuk moet van aug. '87 dateren en onder de genoemde prominenten staat ook Ds. P.v.d. Bosch.

Hij was een werkzaam publicist, die behoorlijke verzen kon schrijven; al dadelijk op 26 maart 1766 behoorde hij tot de candidaten die voor de oprichtingsvergadering van de Maatschappij werden uitgenodigd; in de volgende winter was hij degeen die, hoewel zelf geen bestuurslid, zich met de redactie van de ontwerp-wetten liet belasten; en toen in 1767 de eerste commissies van beoordeling werden gevormd kreeg hij zitting in de klasse dichtkunst; van zomer 1771 tot zomer 1774 vervulde hij de bestuursfunctie van ‘drukbezorger’.

 

De visschers; gevolgd naer Theocritus. NB. II, 507-512.

Vertelling in alexandrijnen en kortere verzen daartussen; met losse rijmschikking.

De twaalfde der Olympische lierzangen van Pindarus: Aan Ergoteles van Himera. W. I, 123-128.

[p. 77]
Vertaling in rijmende strophen; met korte inleiding en toelichtingen.

De ware digtkunst altijd eenvoudig. W. III, 237-244.

Beschouwingen in alexandrijnen over de natuurlijkheid in de poëzie:
Ik zing hoe waar vernuft, door goeden smaak geleid,
Geen' ydlen tooi verkiest in digterlyke zangen; wendt zich af van lege vorm- of klankverering en van bombast;
Vondel, Hooft en Poot geven de beste voorbeelden ‘van goede smaak en digterlyke trekken en juiste schildering’.

Vertaling van het antwoord op de vraag, welke zijn de vereisten van een lofrede, door Hier. de Bosch (zie op diens naam). W. V, 199-285.

In een brief van 11 apr. 1766 schreef Van Lelyveld aan Van Goens dat dezelfde Ds. v.d. Bosch, die de herderszang De visschers van Theocritus had vertaald, ook ‘veele versen in de Oeffenschool’ leverde en dat die uitgave tegenwoordig veel goeds bevatte ‘daer de bazen, de blazende Amsterdammers, zelf de hand in hadden’ (Brieven aan v. Goens, I, 170). Naar zijn smaak werd in Amsterdam blijkbaar wat te veel drukte gemaakt van geestelijke en politieke vrijheden.

De ‘Algemeene oefenschoole van konsten en weetenschappen’ was een onderneming van de Amsterdamse vooruitstrevende boekverkoper Pieter Meijer, een populair encyclopedisch leer- en leesboek in 30 delen, dat reeds vóór 1760 in maandelijkse afleveringen moet zijn begonnen te verschijnen en dat in 1782 (met extra registerdeel) gereed kwam. De gebonden reeksen van telkens 10 delen dragen de jaartallen 1763, '70 en '82; elke reeks bestaat uit 5 delen, elk gewijd aan een bepaalde groep wetenschappen, en 5 delen Mengelwerk in proza en poëzie. De
[p. 78]
jonge intellectuelen die Meijer geregeld in zijn winkel ontving zullen hem bij deze uitgave hebben geholpen, en kennelijk was Van den Bosch een van de ijverige medewerkers. Voor het grootste deel ging het daarbij om vertalen, want de hele opzet berustte op een Engels voorbeeld: Martin's magazine; new and comprehensive system of philosophy, natural history, mathematical institutions and biography (1755-'64). Deze Benjamin Martin (1704-1782) was een wiskundeleraar en instrumentmaker, compilator en plagiator, en auteur van een heel aantal populariserende uitgaven (zie: Dictionary of national biography XXXV (1893), 271-272). In de Oefenschoole waren wellicht enkele van zijn publicaties gecombineerd en althans een gedeelte van de afdeling fraaie letteren en van het mengelwerk zal wel in Amsterdam zijn samengesteld; mogelijk was v.d. Bosch juist hierbij betrokken; het mengelwerk bestaat trouwens ook voornamelijk uit vertalingen van Engelse literatuur, aangevuld met vertaalde Franse en Duitse en soms oorspronkelijk Nederlandse bijdragen.

In 1769 raakte v.d. Bosch in vuur en dichtte zijn Lierzang aan Petrus Hofstede, predikant te Rotterdam ... (Leyden, P.v.d. Eyk en D. Vijgh). Ds. Hofstede was met zijn remonstrantse ambt- en stadgenoot Cornelius Nozeman in een polemiek gewikkeld, waarbij hij de prikkelende vraag stelde: welk formeel recht de remonstranten eigenlijk hadden op hun vrije openlijke godsdienstoefening. Van den Bosch diende van antwoord in 12 strophen van heel redelijke vorm en inhoud, waarin hij betreurt dat de vraag in deze vorm werd opgeworpen, en in herinnering brengt, dat sedert de tijd van Frederik Hendrik de wettige overheden het verbod de facto hadden ongedaan gemaakt door het toestaan van ‘een vrijheid die men

[p. 79]

nooit met regt geweigerd had’; zou dan, besluit hij, een remonstrant niet van vrijheid mogen spreken?

 

Niets zal hem van dit Regt berooven:

De Vaders van ons Land gelooven

Dat nimmer Dwinglandy en Godsdienst samengaan.

Over deze geschillen en de daartoe behorende strijdschriften zie: J.P. de Bie, Leven en werken van P. Hofstede (Rotterd. 1899), 231-238, XXI, XXII, XXV (op de laatstgen. blz. een Brief, waarmee de andere Leidse remonstrant J.K. Valk naast zijn collega v.d. Bosch in het strijdperk verschijnt); Cat. Bibl. Maatsch. Ned. lett. I, 459, II, 376.

In het gedenkjaar van Van Assendelft's Eeuwzang trad Van den Bosch voor de Leidse remonstranten op met zijn: Redevoering, gedeeltelijk in digtmaat, by gelegenheid van het tweede eeuwgetyde van het beleg en ontzet der stad Leyden ... op 3. Wijnmaand 1774 (Leyden, P.v.d. Eyk en D. Vijgh). Het middengedeelte van deze rede vormt een historische schets van de herdachte gebeurtenissen in welgevormde vertellende alexandrijnen, zonder vulsel of hoogdravendheid, en zonder nadruk op godsdienstige, kerkelijke of politieke gevoeligheden; alleen vermeldt hij dat op het destijds uitgegeven noodgeld het woord vrijheid stond gedrukt ‘wijl hier noch Rome noch Hervormer dwingen moet’ (blz. 21).

Verdere gelegenheidsgedichten en andere geschriften van zijn hand, o.a. bij het eeuwfeest van de Hogeschool 1775, zijn vermeld in Cat. Bibl. Maatsch. Ned. lett. Zie overigens: J. Tideman, Remonstr. broederschap (1905); J. Wille, t.a.p. 137, 195; Visscher en v. Langeraad,
[p. 80]
Biogr. woordenb. v. protest. godgeleerden, I (1907), 525 e.v.; F.S. Knipscheer in NNBW. VII, 185 e.v.

Engelen , Corneli(u)s van (omstr. 1722-1793), studeerde in zijn geboortestad Utrecht, verdedigde daar 1745 een natuurkundig proefschrift ‘de natura et causa caloris’, en werd vervolgens doopsgezind predikant; stond als zodanig van 1748-'58 in Harlingen, en later in Huizen N.H. 1764-'69, waarna hij ambteloos in Leiden ging wonen. De maandvergadering van febr. 1770 koos hem tot lid van de Maatschappij, als ‘man van smaak en bedrevenheid in de Nederlandsche letterkunde’. Hij schreef en vertaalde een aantal boeken op natuurwetenschappelijk en moralistisch gebied, en was een vruchtbaar medewerker van verschillende spectatoriale weekbladen, o.a. de Philanthrope (1756-'62), de Denker (1763-'74), waarvan hij zich los maakte om 1766-'69 onder zijn eigen redactie de Philosooph uit te geven (bij P. Meyer te Amsterdam); beide mannen waren ook betrokken bij de oprichting van de Maatschappij tot redding van drenkelingen in 1767, waaraan hun blad veel aandacht besteedde. Een later dergelijk blaadje, de Arke Noachs, uitgaande van een jongere generatie (A.R. Falck, D.J.v. Lennep, Jer. de Vries e.a.) noemde in 1799 v. Engelen nog, naast Steele, Addison, v. Effen, onder hun beste voorgangers als populaire zedemeesters. In de Maatschappij te Leiden werd hij gekozen voor de bestuursplaats van ‘drukbezorger’ (1774); hij nam de verkiezing niet aan.

Zie: Godgeleerde bijdragen 1862, art. van Chr. Sepp, blz. 885-917; Sepp, Joh. Stinstra en zijn tijd, 1865-'66, II, 150 v., 279; J. Hartog, Spectatoriale geschriften, 2e dr. 1890, 15-20, 36, 48 v., en 307-311 over de Maatsch. t.
[p. 81]
redd. v. drenkelingen; Frederiks en v.d. Branden, 236; de Bie en Loosjes, III, 43; Knipscheer in NNWB. VIII, 474 v.

Antwoord op de prijsvraag: Welke zijn de algemeene oogmerken, die een digter moet bedoelen? welke zijn derhalven de eigenaartige onderwerpen voor de digtkonst? en welke zijn derzelver algemeene regels? W. IV, 65-205. Met: Bylagen A-F. W. IV, 207-224.

Deze prijsvraag was 1775 uitgeschreven en zij was de eerste die een bekroning verkreeg, 1777; het duurde dan nog tot 1779 eer de verhandeling in deel IV verscheen. Van Engelen betoogt: de dichter moet vermaken, d.w.z. hij wil bij zijn lezers aandoeningen opwekken; hij moet dat doen door tot de verbeelding te spreken, niet door te doceren; zijn taak is de aandacht te boeien en intussen met smaak en kennis van zaken bij te dragen tot verstandelijke en zedelijke opvoeding; in zijn kritische bespiegelingen toont de schrijver zich een belezen man, die ook de nieuwe Nederlandse literatuur kent, maar die poëzie vooral als lectuur beoordeelt met maatstaven van redelijkheid, smaak en moraal; ‘ik lees poëzie tot vermaak, maar dat vermaak moet voor 't minst onschuldig, en zo veel moogelijk nuttig zijn’ (blz. 193); terloops geeft hij zijn mening over actuele controversen, zoals de toelaatbaarheid van heidense mythologie en van personificaties in het algemeen, de waardij van rijmloze verzen, en het gebruik van proza op het toneel in treurspel of burgerlijk drama.

Verhandeling over de vraag: Hebben de dichtkunst en welsprekendheid verband met de wijsbegeerte? en welk nut brengt dezelve aan de eene en andere toe? W. VI, 201-345. Met: Bylage, Over den

[p. 82]

smaak in de schoone kunsten. W. VI, 346-355.

Dit antwoord op de in 1777 uitgeschreven prijsvraag werd tegelijk met de verhandeling van Bilderdijk voor bekroning aanbevolen, maar kreeg bij loting de tweede plaats en werd dan anoniem in de Werken opgenomen omdat de inzender verkoos zich niet bekend te maken. De onjuiste toeschrijving van het stuk aan Hier. v. Alphen in het Gedenkschrift van 1867 (blz. 106 en 183) berust op een vergissing in een brief van Bilderdijk; deze wist zelf beter en noemde v. Engelen met name in zijn ‘Aan den lezer’ van mei 1820 voor de Ondergang der eerste wareld, waar hij een uitval tegen hem doet naar aanleiding van een passage juist uit deze verhandeling; het gaat over de beoordeling van een bepaald gedeelte uit Hoogvliets Abraham, en Bilderdijk bestrijdt er ‘de laffe en koude aanmerking van den inderdaad dommen en alles behalven dichterlijken Van Engelen, die (ongelukkig genoeg!) een der orakels van zijnen tijd was’ ... (Zie hierover de uitgave van Bilderdijks Ondergang d.e. wareld door Dr. J. Bosch, 1959, blz. 131 met noot op 132; Wille, R.M.v. Goens, 169, 172; Brieven aan v. Goens, I, 307, brief van v. Lelyveld 6 nov. 1780). - Het palet van Bilderdijk is wat fors voor Van Engelens portret; in passende pasteltinten overgebracht, lijkt hij als denker een meelevend intellectueel van zijn verlichte tijd, die graag op de hoogte was, en naar wiens inzicht poëzie beschaafde en belangwekkende lectuur behoorde op te leveren. Geest en strekking van zijn twee verhandelingen, en zelfs veel bijzonderheden, komen geheel overeen; in de tweede betoogt hij nader, dat ‘wijsbegeerte’ eigenlijk alle geestelijke werkzaamheid, redelijk verstand en goede smaak beheerst, en dat dus ook de dichtkunst en welsprekendheid haar nodig hebben als zij zich begeven op de terreinen van de wijsbegeerte, te weten 1. God en godsdienst, 2. de natuur, 3. de mens en zijn driften, 4. de belangen der maatschappij (blz. 304).
[p. 83]

Fortman , Joan (1731-1808), Leidenaar van geboorte en van studie, werd 1754 leraar aan de Latijnse school te Hoorn en klom op tot conrector 1776. Op 11 juni 1762 bracht v. Lelyveld hem als gast mee in de vergadering van Minima crescunt. Hij en N. Hinlópen werkten al mee aan de N. Bydr. en waren in de Maatschappij van de aanvang af de actieve vertegenwoordigers van het Hoornse letterlievende gezelschap Magna molimur parvi. In tegenstelling tot Hinlópen, die een trouw bezoeker van de jaarvergaderingen was, verscheen Fortman maar enkele keren in sept. '66 en juli '67; wel was hij een geregeld briefschrijver en lid van allerlei commissies over taal- en woordkunde, meestal samen met Hinlópen. Hij bedankte in 1804 voor het lidmaatschap.

Zie: R. Zuidema in NNBW. IX, 260; Wille, v. Goens, 158, 162.

Verhandeling over een ontelbaer nakroost van Duitsche woorden gesproten uit het stamwoord fee. NB. I, 353-390.

Dit met de letters J.F. ondertekende stuk is volgens een voetnoot aan het begin ‘vertaeld uit de Dissertationes anthologicae van Georg Christian Gebauer (Lipsiae 1723) onder welke het de vierde is, lopende van blz. 229 tot 265 ... Wy plaetzen hetzelve hier, niet om daer mede all' den inhoude goed te keuren, ofte de verdediging van zoo veele in verscheiden opzichte vreemd schynende afleidingen, voor onze rekening te nemen’; maar het zou stof kunnen opleveren tot nuttige discussie; en als dit waardering vindt, zal er ‘nog vry zeldsamer kost opteschaffen’ zijn.
[p. 84]

Dichtkundige verhandeling ... NB. I, 501-558.

Deze zal worden vermeld onder het werk van Hinlópen, maar is wellicht gedeeltelijk van de hand van Fortman.

Antwoord op de vraag ...[over het] Moesogotthisch en Angelsaxisch... W. VII, 1-67. (Vgl. boven op: Antwoord).

Volgens de Handel. 1780 blz. 8 werd Fortman gevraagd deze niet bekroonde en daardoor anoniem gebleven verhandeling te vertalen, daar sommige van de beoordelaars uitgave toch wel nuttig vonden; een jaar later verzocht Hinlópen mede namens F. om toezending van de laatste drukproef (Handel. 1781, 5).

Behalve deze bescheiden bijdragen verscheen van Fortman een zelfstandig boek: Dichtlievende mengelingen, verzeld van taal- en dichtkundige aanmerkingen . Hoorn, T. Tjallingius, 1772. XII, 160, 92 blz. In zijn voorrede en in twee van zijn dichtstukken betoogt hij dat dichten en taalstudie onverbrekelijk bijeen horen, al erkent hij dat het ongebruikelijk is ‘zyn eigen werk tot een onderwerp zyner aantekeningen te nemen’. Maar Adr. Kluit was hem daarin voorgegaan (in de Bydragen van mei en juni 1760); en ook Huydecoper had, al was het dan aan de hand van een Vondeltekst, zijn taalkennis in de vorm van aantekeningen ten beste gegeven. Hij waagt niet zich ‘met zulke ervaren kenners gelyk te stellen’, maar poogt, ‘hoewel op een' verren afstand, hunne voetstappen na te treden’. Zo zijn hier dan zijn eigen mengeldichten met lexicografische aantekeningen en een register op de behandelde woorden eendrachtig in één boekdeeltje verenigd. Enkele jaren later verschenen de Aanmerkingen van de veel oudere Bernard de Bosch ter toelichting en

[p. 85]

verbetering van zijn eigen vroegere bundels (in deel II van de Werken der Maatschappij). Gelukkig is de tweeeenheid dichter en philoloog in de rol van auto-commentator niet levensvatbaar, gebleken.

 

Gedichten [ingezonden door Dulces ante omnia musae]: Tweede en Derde visscherszang, uit het Latijn van Act. Sinc. Sannazarius; - Klachte van Aartsvader Jakob, op het ontvangen van den bebloeden rok van zynen zoon Joseph; - Gezang van Aartsvader Jakob, op de tydinge, dat Joseph leefde. NB. I, 559-578.

Op de laatste bladzijde staat als algemene ondertekening: Uit het Kunstgenootschap D.A.O.M. Soortgelijke dichtproeven uit de jaren 1761-'63 zijn opgenomen in de bundel: Proeve van Oudheid-, taal- en dichtkunde, door het genootschap Dulces ante omnia musae. Utrecht 1775. Daarin zijn de auteurs wel door initialen kenbaar gemaakt en een onder hen is er Nic. Hinlópen.

Goens , Rijklof Michael van (1748-1810), Utrechtenaar van geboorte en van studie; nauwelijks achttien jaar werd hij buitengewoon hoogleraar in geschiedenis, welsprekendheid en Grieks, was uitzonderlijk belezen in de moderne Europese letteren en filosofie, en wekte door zijn kritiek en vrijmoedigheid tegenover de geijkte denkbeelden in levensbeschouwing en klassieke philologie weerstanden op, die hem reeds na 10 jaren in 1776 ertoe brachten zijn ontslag te nemen. Stadhouder Willem V benoemde hem in de vroedschap van Utrecht en hij werd nu een van de scherpste prinsgezinde en pro-Engelse bestrijders van de Amsterdamse regenten-politiek, waardoor hij zo in het brandpunt van de partijenstrijd raakte,

[p. 86]

dat de stadhouder het in 1783 raadzaam vond hem van die plaats terug te nemen. Hij verhuisde onmiddellijk naar den Haag in afwachting van een of andere diplomatieke bestemming in het buitenland. Maar deze liet op zich wachten, en in 1786 vertrok hij, ernstig ziek, naar Zwitserland. Hij herstelde, en bleef zijn hele verdere leven ambteloos in Zwitserland en Midden-Duitsland, waar hij vrienden en beschermers vond, betrekkingen met literatoren en met godsdienstige en mystieke kringen onderhield, zonder dat hij nog door daden of geschriften van blijvende betekenis op de voorgrond trad. Hij noemde zich veelal met zijn moeders naam Cuninghame, en stierf als een ziekelijke, vrome en geleerde vreemdeling, half Engelsman en geheel vergeten Nederlander, te Werningerode.

In zijn Utrechtse jeugd was hij natuurlijk bekend met zijn iets oudere tijdgenoten en collega's; zijn vroeg gestorven zuster was de eerste vrouw van Hieronymus van Alphen; maar vooral door zijn vriendschap met Frans van Lelyveld is hij betrokken bij de wordingsgeschiedenis van de Maatschappij. Hun briefwisseling, d.w.z. de bewaard gebleven brieven aan v. Goens, uit de jaren 1765-69, '73/74, '76 en '80/81, behoren tot de voornaamste bronnen uit de stichtingsjaren. Zij tonen hoe Van Goens, met zijn overmatige literatuurkennis en zijn zelfverzekerde gefilosofeer, de acht jaar oudere, op inspiratie beluste, maar bescheiden en reële Van Lelyveld heeft geboeid. Inderdaad heeft deze ontmoeting v. Lelyveld kennelijk geholpen om aan zijn gedachten en zijn plannen ruimte en vorm te geven. Maar voor eigenlijke deelneming aan het werk bleef v. Goens toch te veel in beslag genomen door zijn eigen rusteloosheid. In de N. Bydr. van

[p. 87]

1765-66 leverde hij enige uitvoerige beschouwingen.

Zie: J. Wille, De literator R.M. van Goens, I. Zutphen 1937, passim: en voorts v.d. Aa VII, 246-250; S.W.F. Margadant in NNBW. III, 473-478; Brieven aan R.M.v. Goens. Werken Hist. genootsch. nieuwe serie 38. Utrecht 1884; P.J. Blok in Handel. en meded. Maatsch. d. ned. lett. 1895-'96, blz. 68-70; P.J.C. de Boer, Van Goens en zijn verhouding tot de literatuur van West-Europa. Proefschr. Amsterdam 1938.

Vrymoedige bedenkingen over de vergelyking der oude dichteren met de hedendaegsche, door den Philosophe sans fard. NB. II, 229-268.

De eigenlijke strekking van het betoog is, dat men bij het behandelen van deze strijdvraag zich onvoldoende rekenschap pleegt te geven van de omvang van het onderwerp, en dat men verzuimt exact te bepalen welke factoren daarbij tot een zinrijke vergelijking aanleiding kunnen geven, een en ander ten gevolge van het algemeen gebrek aan werkelijke en volledige kundigheid en van de gebruikelijke fout om in discussies vrijwel uitsluitend vooroordelen tegen elkaar uit te stallen.

Uitweiding over het gebruik der oude fabel-historie in de dichtstukken der hedendaegschen. (Om te dienen tot een aenmerking op bladz. 255 van de voorgaende Bedenkingen.) NB. II, 269-308.

Hier wordt inderdaad een les gegeven over één goed afgepaald onderwerp dat voor de dichters actualiteit had. Men dient dan te weten, dat in de oudheid het volk bijgelovig was, en dat de machthebbers er belang bij hadden dat dit zo bleef; Socrates vond de dood en aan Paulus werd belet ‘zijn leer van den eenigen God te verspreiden’; ‘intolerantie’ is nu eenmaal gewoonlijk het gevolg van
[p. 88]
‘staetzuchtige oogmerken van deze of gene bovenleggende party’ (blz. 271). Daardoor bestond er voor de dichters in die wereld geen dankbaarder stof dan ‘het geen zijn betrekking hadt op hun' godsdienst, 't zy op deszelfs plechtigheden, 't zy op de geschiedenis hunner Goden en dien grote omslag der Fabelhistorie of Mythica’ ... ‘zie daer Lezer hoe men de Fabelhistorie der ouden, en het gebruik het welk de Grieksche en Romeinsche dichters daer van gemaekt hebben, beschouwen moet’ (272). Men hoeft zich daar dus niet al te ernstig mee in te laten en moet ook niet menen dat de klassieke smaak daardoor wordt bepaald; men houde zich liever, naar de stand van hedendaagse begrippen, vrij van al het bizarre, smakeloze en onzedelijke uit deze verdichtselen. Wil men er voor de aardigheid gebruik van maken dan doe men dit met mate. Onze scholieren worden met deze verhaaltjes grootgebracht, die hun ‘kinderachtige en dwaze weetgierigheid’ opwekken, en hierdoor is de belangstelling voor de klassieke letterkunde van de aanvang af scheef getrokken (278). Voor de tijd van de ‘eerste herstellers der Latijnsche letterkunde’, die uit de ‘onwetenheid der middel-eeuwen in het helder licht der geleerdheid van 't oude Rome’ overstapten, was dit gebrek aan onderscheiding vergeeflijk, maar ‘na verloop van omtrent drie eeuwen en het maken van zulke ongemeene vorderingen in de beschaving van het vernuft’ had men ‘deze hoofddwaling’ reeds lang moeten inzien en ‘de oude fabelhistorie met eenparige toestemming uit de nieuwe dichtstukken’ geheel moeten verbannen (278-280). Wel moet een dichter de vrijheid behouden zijn fantasie en zijn smaak te volgen, ook als hem daarbij beelden en toespelingen uit de mythologie als versierselen dienstig schijnen. Met voorbeelden van goede en slechte smaak uit verschillende moderne talen wordt dit toegelicht.

Bedenkingen van den Philosophe sans fard, over den staet der letteren in Nederland; en Ontwerp eener

[p. 89]

noodzakelyke vermeerdering van zyne Nederduitsche boeken-kas. NB. II, 453-506.

Beschouwing over de rijkdommen van geest en gevoel die de 18e eeuw oplevert en over de letterkundige bloei in andere Europese landen, waarbij Nederland in alle opzichten achter blijft; met noten (blz. 465-467) over Academies en Sociétés literaires en de hoop op een ‘Maetschappy der Vaderlandsche Letterkunde’ voor Nederland. Op blz. 471 gaat hij over op een reeks van desiderata: boeken in het Nederlands om de smaak van ons volk op Europees peil te brengen; voorlopig noemt hij er vijf; I Beginselen der Letterkunde, voor het gebruik der Nederlanders (471); II Verhandeling over de welsprekendheid van den predikstoel (475); III Verhandeling over den brievenstijl (480); IV Het zedenkundig verhael (485); V Geschiedenis der Hollandsche welsprekendheid (505). Bij de bespreking van deze concepten doet de schrijver het voorkomen of hij in overleg met anderen tot een ontwerp voor gemeenschappelijke werkzaamheden wil komen; het eerste en tweede van de vijf zijn afkomstig van zijn ‘vriend G.’ en hij wekt de lezers op dergelijke voorstellen bij de uitgever van het blad in te zenden (470, 471).

Proeven uit den dichtkundigen ligger van den Philosophe sans fard. NB. II, 547-666.

In een grillig praatje vooraf geeft de schrijver te kennen dat hij nu niet het te verwachten vervolg van zijn Ontwerp kan laten aansluiten, maar daarop vooruitlopend eerst een greep zal doen uit zijn aesthetische en kritische aantekeningen, die toch later al zijn betogen zouden moeten toelichten. Het zijn dus ‘dichtkundige adversaria’; men zal zich er misschien over verbazen dat hij zo weinig Nederlandse en Neo-latijnse schrijvers aanhaalt, maar hij verklaart dit met de bekentenis dat hij die in vroeger jaren
[p. 90]
las, toen hij zijn opmerkingen nog niet geregeld aantekende, en dat hij dit juist is gaan doen sedert hij zich meer met andere talen en literaturen is gaan bezig houden. De Nederlandse dichters hebben praktisch ook misschien meer nut van die buitenlandse voorbeelden. Hij dient dan zijn beschouwingen op als Hoofdstuk XIII en XIV, handelend over ‘fraeje gedachten’ en het gevaar van onnatuurlijkheid bij overdaad, en een Hoofdstuk XXI over het effect van woord-herhalingen. Het zijn fragmenten, bijdragen tot een theorie van goede smaak, en tot een nieuwe handleiding voor dichters, een Gradus ad Parnassum. In later jaren zal ook de Maatschappij door haar prijsvragen onderwerpen van soortgelijke aard aan de orde stellen. De uit de ontmoeting van Van Goens en Van Lelyveld gesproten Philosophe sans fard levert daartoe een voorspel, maar met het staken van de Nieuwe Bydragen in 1766 verdwijnt hij van het toneel.

Van Goens is van de oprichting af lid van de Maatschappij geweest; hij woonde in het begin enkele keren een vergadering bij en was een paar maal aangewezen in een beoordelingscommissie, in 1768 voor de inkomende bijdragen op het gebied van welsprekendheid, en 1777 voor de prijsvraag over het belang van de wijsbegeerte voor de dichtkunst en welsprekendheid, die door Bilderdijk en Van Engelen werd beantwoord (v. Engelen informeerde bij v. Lelyveld naar de opmerkingen van v. Goens, blijkens de brief van v.L. aan v.G. 6 nov. 1780; Brieven I, 307). In 1785 is Van Lelyveld gestorven en de zomervergadering stond in het teken van dat verlies. Een jaar later nam Van Goens afscheid als een vreemdeling die nog dacht in termen van het oude studentengezelschap van twintig jaar vroeger. De Handelingen van 1786 vermelden (blz. 4), dat op de jaarvergadering van

[p. 91]

27 juli ‘nog is gelezen een Brief van den Heer Van Goens, by welken zijn Ed. der Maatschappye kennis geevt van eene voorgenoomene reize, en verzoekt, geduurende dezelve, als Buiten-Lid te mogen worden aangemerkt onder Vrydomme van toelage. Op welk verzoek beslooten is den Heere Van Goens te antwoorden, dat de Maatschappy tot hier toe geene Buiten-Leden heeft, of behoudens de Wetten kan aanneemen, maar zijn Ed. gaarne als gewoon Lid wil blyven aanmerken, zonder, deswege, op de voldoening der toelage aantedringen’.

 

Hinlópen , Nicolaas (1724-1792), reeds genoemd onder de oprichters van de Maatschappij (blz. 17). In zijn studietijd een volgeling van Huydecoper, was hij kennelijk de hoofdfiguur in het kleine letterlievende gezelschap Magna molimur parvi te Hoorn. Al vroeg heeft hij ook betrekkingen met Dulces ante omnia musae, en in de eerste Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde, die dit genootschap in 1775 uitgaf, staan een viertal gedichten van hem met de dateringen 1761, '62 en '63 (Wille t.a.p. 92, 158). Met v. Lelyveld was hij omstreeks 1766 eveneens al bekend. In de Maatschappij onderscheidde hij zich van de aanvang af als een ijverig lid in allerlei beoordelingscommissies en als een zeer trouw bezoeker van de jaarvergaderingen.

 

Dichtkundige verhandeling over de rechtmatige gebruiken van sommige woorden. NB. I, 501-558.

Dit stuk is ondertekend: Het Genootschap Magna molimur parvi, en kan zeker uit samenwerking van meer
[p. 92]
leden zijn ontstaan. De aanhef over poëzye en taalkennis en de vergelijking met de schilderkunst lijken veel op de voorrede van Fortmans boek, waar ook over de kracht van de ‘woordenverwe’ wordt uitgeweid. Dan volgen twee woordstudies: de eerste over schieten in vele betekenissen en samenstellingen; de tweede over hangen in allerlei overdrachtelijk gebruik. Dit laatste stuk, dat niet alleen voorbeelden ordent, maar daarbij aesthetische beoordelingen geeft, opent op blz. 531 met een herinnering aan Longinus, met wie Hinlópen zich bijzonder heeft beziggehouden. Te Water vermeldt in zijn lofrede na Hinlópens dood (Handel. 1793, blz. 3 v.), dat hij met een bijdrage over deze Griekse tekst ook in de klassieke philologie naam heeft gemaakt.

Bylagen tot de verhandeling van W.R. Nanninga, over de verbuiging van het werkwoord laten. W.I, 67-74.

Door twee aantekeningen bij blz. 58 en 61 versterkt H. het betoog van de intussen overleden schrijver, en geeft daarbij nog een aantal bewijsplaatsen. (Zie onder Nanninga).

Bylagen tot de verhandelinge van Mr. Z.H. Alewijn betiteld Mengelingen. W.I, 117-122.

Geeft enige aanvullingen en bedenkingen (zie boven onder Alewijn).

Verhandeling over het duistere in de werken van C. Huygens, voor zoo verre het de tale betreft. Verhandelingen v.d. Maatsch. d. Ned. lett. 2e dl. 1e stuk, 1814, 219-279.

Nadat in 1788 het 7e dl. van de Werken was verschenen, kwam deze reeks van uitgaven niet meer op gang. Wel besloot de jaarvergadering van 1797 ‘een nieuw deel
[p. 93]
ter persse te leggen’ en werd in 1804 nogmaals gesproken over de stukken die voor dit 8e deel nog steeds voorhanden waren. Maar pas jaren nadat in 1806 een 1e deel onder de nieuwe titel Verhandelingen was verschenen, kwamen enige van die oudere inzendingen in 1814 tot uitgave. Daaronder was deze uitvoerige studie van Hinlópen over het woordgebruik van Huygens, die hij als bijdrage voor de vergadering van 1793 had toegezegd. Door zijn overlijden in dec. 1792 werd dit plan om de jaarvergadering met een voordracht te verlevendigen verijdeld, maar de tekst van het 1790 gedateerde stuk kwam toch in Leiden en uiteindelijk in de openbaarheid. - Na een wat omslachtige aanloop ordent Hinlópen hier een groot aantal voorbeelden van ongewoon woordgebruik en onderscheidt daarin de regels die Huygens bij zijn spelen met de taal had toegepast.

Hinlópen was een van de ‘byzondere vrienden’, die F. van Lelyveld voor hun bijstand bedankte in het voorbericht van zijn omgewerkte heruitgave van Huydecopers Proeve (1782); en hij was het, die na v. Lelyvelds overlijden het 3e deel voor de druk gereed maakte (1788) en de registers voltooide (1791). Zijn wellicht belangrijkste werk was de Historie van de Nederlandsche overzettinge des Bijbels, die te Leyden in 1777 verscheen.

 

Hottinger , Johannes Jacobus (1750-1819), professor eloquentiae in zijn vaderstad Zürich, was in zijn tijd bekend als klassiek philoloog en tevens als Duits letterkundige, criticus, biograaf en dichter, mederedacteur van verschillende periodieken, en deelnemer aan vele prijsvragen.

Zie: Historisch-biographisches Lexikon der Schweiz, hrsg. von Türler, Attinger u. Godet. IV (1927), 297.
[p. 94]

Dissertatio de veris atque falsis luminibus eloquentiae, sive de recto poetarum judicio. W. VII, 69-162.

Deze verhandeling is het met de gouden penning bekroonde antwoord op de prijsvraag van 1782: Welke zijn de kenmerken van waar en valsch vernuft, en welke zijn de behoedmiddelen tegen het laatste? De jaarvergadering van 1785 nam het besluit tot de bekroning en tot uitgave van het stuk in het Latijn, waarbij men zo mogelijk ook een Nederlandse vertaling zou willen opnemen. Tegelijk werd de beantwoording van dezelfde vraag door Hieron. van Alphen tevens voor plaatsing in de Werken waardig gekeurd. De laatste had naast oude en nieuwe vreemde talen vooral Nederlandse citaten in zijn betoog betrokken: uiteraard bespreekt de Zwitserse geleerde overwegend Latijnse, enkele Franse en veel moderne Duitse voorbeelden.
Voor de vertaling van Hottinger's verhandeling dacht de jaarvergadering 1786 aan de jonge Pieter Niewland (1764-1794), dichter, geleerd wiskundige, protégé van Jeronimo de Bosch, die in 1789 lector in Amsterdam en 1793 hoogleraar in Leiden zou worden. De Handelingen spreken er jaren lang over: Lublink en Hinlópen verklaren zich in 1786 bereid te helpen met het vertalen van de dichtfragmenten, in '87 is Nieuwland klaar en delibereert men over de beloning die hij zal ontvangen, in '88 wordt alles nog verder in handen gesteld van een commissie ad hoc, in '89 besluit men hem boekgeschenken en het lidmaatschap van de Maatschappij aan te bieden, in '91 blijkt het nu werkelijk afgehandeld en in orde te zijn. Maar dan verschijnen er geen Werken meer; in 1804 ligt de vertaling nog bij de beschikbare stof voor het toekomstige deel VIII. En daarna vond het handschrift met alle op- en aanmerkingen van Hinlópen, Tydeman en anderen zijn blijvende plaatsje in de bibliotheek van de Maatschappij (Catalogus 1. ged. Handschriften, 1877, blz. 6). Na zijn verhuizing naar Leiden nam Nieuwland in 1794
[p. 95]
de bestuursfuncties van briefschrijver en drukbezorger op zich, maar stierf reeds in november van hetzelfde jaar. Bij zijn herdenking op de jaarvergadering 1795 herinnerde voorzitter J.W. te Water waarlijk nog gevoelig aan de vertaling van Hottinger: ‘haare uitmuntendheid zal, zoo dra zij 't licht ziet, aan elk genoegzaam kenbaar worden’.

Huisinga Bakker , Pieter (oorspronkelijk was zijn naam alleen Bakker), (1713-1801), koopman en dichter te Amsterdam, van Groningse afkomst. Hij gaf zijn verzen uit in drie delen Poëzy, Amsterdam 1773, '82 en '90. Reeds in 1761 trok hij de aandacht van de Leidse jongeren door zijn vertaling van de Lentezang van E.W. Higt (1723-1762), rector te Alkmaar en Latijns dichter uit de kring van Petr. Burmannus sec. Dit door Higt in 1758 uitgesproken Carmen trochaicum in reditum veris had ook onder de vrienden van Minima crescunt bewonderende navolging gevonden. En zo verscheen in het juninummer van de By-dragen een uitvoerige vergelijking van de beide toen pas in druk verschenen vertalingen (II, blz. 117-141, waarschijnlijk door H. Tollius). Boeiend was die vergelijking vooral omdat Bakker de oorspronkelijke versmaat had gekozen en in zijn rijmende ‘8-voetige trochaeën’ van regel tot regel de Latijnse tekst volgde. De Leidse vertaling, van de hand van Petrus Paludanus, was in de maat van het gewone ‘6-voetige heldendicht’ geschreven en bewoog zich dus daardoor reeds iets vrijer van het model. De beoordelaar kon nu zowel de kwaliteiten van het levendige metrische spel in de ene, als van de lossere woordkeus en voortgang in de andere bij zijn waardering laten uitkomen, en toont er zijn verheugde bewondering over ‘dat de zelvde gedachten van Higt van

[p. 96]

yder dichter, op een' byzonderen trant en in byzondre woorden, meest al zoo even fraei en dichterlijk werden uitgedrukt’ (blz. 118).

Bakker werd in 1768 lid van de Maatschappij, nam herhaaldelijk deel aan de beoordeling van prijsvragen; hij bedankte in 1797 voor het lidmaatschap. Behalve zijn hierna te noemen historische studie, gaf hij in 1776 een beschrijving van Het leeven van Jan Wagenaar (wiens zwager hij was) met een keuze uit diens wetenschappelijke briefwisseling.

Zie: N.G.v. Kampen, Gesch. d. lett. en wetensch. in de Nederl. II (1822), 115 e.v.; Frederiks en v.d. Branden 2e dr., blz. 33; H. Brugmans in NNBW. I, 67.

Beschouwing van den ouden gebrekkelyken en sedert verbeterden trant onzer Nederduitsche versen. W. V, 85-130.

Deze verhandeling behoort tot de belangrijkste stukken die in de Werken zijn verschenen. Het is een eerste schets van de ontwikkeling van de Nederlandse verskunst, uiteraard op grond van de nog beperkte beschikbare teksten uit de Middelnederlandse en de rederijkerstijd, met een helder licht vooral op de historische plaats van Hooft bij de aanvang van de 17e-eeuwse Amsterdamse bloei. In 1779 kondigde de schrijver de spoedige inzending van zijn studie op de jaarvergadering aan, en het volgend jaar bleek deze ook al door de gecommitteerden te zijn bekeken. Jeronimo de Vries, in zijn Proeve eener geschiedenis der Nederduitsche dichtkunde, Amsterdam 1810, roemde zijn fijn oordeel en ook de smaak en kracht van zijn eigen poezy in vergelijking met die van zijn leeftijdgenoten.
[p. 97]

Huydecoper , Mr. Balthasar (1695-1778), over wiens werk en betekenis in het vorige hoofdstuk is gesproken (blz. 39 e.v.), was reeds over de 70 jaar toen hij bij de oprichting van de Maatschappij het verzoek om lid te worden welwillend aannam. In 1768, bij de eerste verkiezing van gecommitteerden, benoemde de jaarvergadering hem in de commissie voor beoordeling van taalkundige opstellen, maar voor deze besogne heeft hij bedankt (naar blijkt uit een briefje dat v. Lelyvelt hem 12 okt. '68 schreef, waarover straks meer). Wel gaf hij zijn medewerking aan een ander verzoek van de jonge Maatschappij, waardoor deze in 1772 het eerste deel van haar Werken met een onuitgegeven verhandeling van de grote voorganger kon openen.

 

Brief wegens den ablativus absolutus. W. I, 1-55. (Met enige bijlagen, als Aengenomen verhandelingen toegevoegd aan het einde van het deel: Bericht van C. Nozeman, wegens eenige aenmerkingen der heeren M. en J. van Leeuwaerden tot verdediging van den nominativus absolutus, blz. I; Brief van M.v. Leeuwaerden aen Mr. B. Huydecoper over het gebruik van den ablativus absolutus in onze taale, blz. IX; Nae-bericht van J.v. Leeuwaerden betreffende het geschil over den ablat. absol., blz. XXIII-XXXVI).

Huydecopers ‘brief’ heeft een merkwaardige voorgeschiedenis. Onder de geschriften van Alewijn hebben wij diens opstel uit 1766 in NB. II ontmoet, waarin hij de stelling van Ten Kate (dat de casus absolutus in het Nederlands een nominatief is) verdedigde tegen de afwijzing door Huydecoper, die in zijn Proeve beredeneerde
[p. 98]
dat hiervoor ook in het Nederlands vanouds een ablativus wordt gebruikt. Op de jaarvergadering van 1767 is, volgens de Handelingen blz. 5, een brief binnengekomen van het medelid H.A. Bruining (1738-1811), predikant in Zeeland en, evenals Alewijn, oud-commilitoon van Dulces, met daarbij ‘een stukje tot opschrift voerende, Bedenkingen over de verdediging van den nominativus absolutus met verwerping van den ablativus’, kennelijk dus blijkens het letterlijk geciteerde opschrift een repliek op Alewijns opstel, al wordt diens naam er niet bij genoemd; (van deze Bruining komt in de eerste Proeve van Dulces ook een klein taalkundig stukje van 1761 voor en een paar gedichten). De ter vergadering aanwezige Pieter Fontein (1708-1788), oudleraar der doopsgezinden te Amsterdam, herinnert zich nu ineens ‘dat de Heer Huydecoper een uitgewerkten brief over den ablativus absolutus gereed had liggen’ die hij misschien wel aan de Maatschappij zou willen afstaan, waarop de vergadering de heer Fontein opdroeg daar eens moeite voor te doen. Blijkbaar is dat naar wens geslaagd (reeds in de maandvergadering van sept. '67 liet Fontein dit meedelen); en in het najaar 1768 is v. Lelyveld met Huydecoper in briefwisseling over de drukproeven. Uit een briefje van 12 okt. '68 (door H.A. Ett in de nagelaten papieren van Huydecoper teruggevonden en uitgegeven in zijn boekje Verjaard briefgeheim, Amsterdam 1956, blz. 128) blijkt tevens dat Huydecoper zijn contributie had overgemaakt en dat hij bedankte voor de commissie tot beoordeling van taalkundige inzendingen. Op de volgende jaarvergadering van 1769 zijn de afgedrukte vellen van het opstel ter tafel, op het laatste na, waarmee de drukker nog bezig is. Maar, nadat de heren Alewijn en Bruining dus al sinds twee jaar van het podium verdwenen zijn, wordt het debat plotseling heropend, waarbij de scène zich naar dertig jaar geleden verplaatst. Nu is het Cornelius Nozeman (1721-1786), remonstrants predikant te Rotterdam, in '67 lid geworden, die in de vergadering voor den dag
[p. 99]
komt met de mededeling dat hij enige oude stukken bezit, waarop de nu gedrukte brief van Huydecoper eigenlijk betrekking heeft. Hij zou die ter beschikking willen stellen om ze samen daarmee te laten drukken, als ze daartoe waardig werden gekeurd. Om hierover advies uit te brengen werden v. Lelyveld en de twee Leidse remonstrantse predikanten Valk en v.d. Bosch aangewezen (Handel. 1769, blz. 10). Nozeman wilde intussen eerst zelf de afgedrukte vellen van Huydecopers stuk graag met zijn handschriften vergelijken, wat hem werd toegestaan. In de volgende herfst en winter moeten er allerlei brieven zijn gewisseld, waarvan Ett er nog een teruggevonden en in zijn Verjaard briefgeheim opgenomen heeft (blz. 131). Op 15 febr. 1770 dan schrijft Nozeman aan Huydecoper, dat hij in het bezit is van enige nagelaten papieren van de Haarlemse broeders M. en J. van Leeuwaerden, die met Huydecoper over de ablativus absolutus hadden gedebatteerd. Hij heeft intussen, zeker door v. Lelyveld, gehoord dat Huydecoper de eerste brief van Mattheus v. Leeuwaerden (van 26 sept. 1737) niet meer bezat, en dat hij het Naebericht van diens broeder Justus zelf nooit had ontvangen en gelezen. Dit zendt Nozeman hem nu in afschrift toe met verzoek om terugzending, al dan niet met zijn nadere opmerkingen, en met de vraag of hij er mee kan instemmen dat deze repliek op Huydecopers antwoordbrief samen met de eerste brief van broeder Mattheus zal worden uitgegeven. Het tamelijk omstandige verslag van Nozeman in de volgende jaarvergadering (Handel. 1770 blz. 10-11) laat wel voelen dat Huydecoper het nut van al die vroegere schrijverijen voor nu niet erg inzag, omdat hij in zijn eigen stuk, zoals hij dat had bijgewerkt en ingeleverd, meende het onderwerp voldoende van alle kanten te hebben behandeld, maar ook dat hij het verder allemaal best vond als de Maatschappij Nozemans voorstel wilde volgen. Zo kregen dan zowel de eerste brief van Mattheus als het Naebericht van Justus, met bovendien een Bericht
[p. 100]
van Nozeman zelf over de toedracht van de hele zaak, als bijlagen onder de titel Aengenomen verhandelingen, in hetzelfde eerste deel van de Werken een plaats. Ook over die vroegere historie vond Ett nog enige aanvulling in twee briefjes (afgedrukt in Verjaard briefgeheim blz. 90 en 96). Op 25 sept. 1739 schreef Justus van Leeuwaerden aan Huydecoper, dat zijn onlangs overleden broer Mattheus meer dan eens getracht had met hem in gedachtewisseling te komen over taalkundige vraagstukken, maar tot zijn verdriet nooit enig antwoord van Huydecoper had ontvangen. Nu had Justus onder zijn nagelaten papieren het afschrift gevonden van de uitvoerige brief over de ablat. absol. en hij overwoog die uit te geven, maar wilde dan toch eerst vragen of Huydecoper die brief wel ontvangen had en of hij bereid was daarover zijn gedachten uit te spreken. Het tweede briefje van Justus is een jaar later geschreven, 11 sept. 1740, en toont dat Huydecoper in de tussentijd een ‘schriftuere’ heeft gezonden, die hij terugverwacht, en dat Justus door ziekte verhinderd is geweest daarvoor te zorgen: hij wilde er namelijk eerst een afschrift van maken, wat hij nu dan ook heeft gedaan ‘en wel met vry meerder vermaek, dan ik my te vooren hadde voorgesteld, wyl toch deeze tael liefhebbery nooit zeer van myn smaek was. Ja ik heb 'er zelfs myne aenmerkingen, mag ik zulke brabbelingen zo noemen, onder de hand bygevoegd’. Volgens Nozemans verhaal had Justus daarna het plan gehad de hele discussie uit te geven, waarvoor hij ook de toestemming van Huydecoper verkreeg, maar hij had daar toch om de kosten van moeten afzien. In 1748 stierf ook Justus, en Nozeman, die toen in Haarlem stond en met de familie bevriend was, had sindsdien het hele dossier onder zijn berusting. (Zie over Nozeman NNBW. X, 678, over M. en J.v. Leeuwaerden ibid. IV, 887).
Zo bezwaarde Nozeman de ablativus absolutus met zijn persoonlijke herinneringen aan een jong gestorven kennis, die na dertig jaar toch alleen nog sentimentele
[p. 101]
waarde hadden en tot de discussie niets nieuws bijdroegen. Het was een verhaaltje dat in enkele bladzijden als merkwaardigheid verteld had kunnen worden; nu hielp het inderdaad het nog wat magere eerste deel aan enige toevoegsels. Feitelijk is Huydecopers ‘brief’ aan een ongenoemde opponent de reactie op het stuk van Alewijn, waarvoor hij de al vroeger geschreven nadere verklaring van zijn standpunt gebruikte en aanvulde; de oude tekst, waarvan Nozeman een afschrift bezat, erkende hij nu niet meer (Nozemans Bericht blz. 7); en deze nieuwe tekst was dan zijn wederwoord aan Ten Kate en aan degenen die na hem diens mening hebben verdedigd (Huydecopers Brief blz. 1).

Kluit , Adriaan (1735-1807), werd geboren in Dordrecht, studeerde in Utrecht en begon reeds in 1760 zijn roemrijke praktijk als leraar, eerst aan het Rotterdamse dan in 1761 aan het Haagse gymnasium, waarna hij in 1764 rector werd in Alkmaar, vervolgens 1768 rector in Middelburg, met spoedig ook de titel van lector en in 1776 van professor, om tenslotte in 1779 aan de Leidse universiteit als eerste de leerstoel in de oudheidkunde en geschiedenis van Nederland te bekleden. Toen in 1759 de Leidse en Utrechtse studenten tot de stichting van Minima en Dulces kwamen had hij dus de academie bijna verlaten, hoewel hij aan beide gezelschappen deelnam. Hij trad in 1759 reeds in het openbaar op als taalkundige door zijn bewerking van de 5e druk van David van Hoogstraten's Lijst der gebruikelijkste zelfstandige naemwoorden. Al in 1755 was hij hiermee bezig voor de Amsterdamse uitgever Pieter Meijer en hij schreef hierover enige brieven aan Huydecoper (bij Ett, Verjaard briefgeheim, blz. 110, 113, 115, 117, en nog een over de

[p. 102]

afkomst van het Hollandse gravenhuis 120). Kluit beriep zich erop dat D.v. Hoogstraten zijn oudoom was (inderdaad was deze getrouwd met Maria van Nispen, een zuster van Henrica v.N., de vrouw van Johannes Kluit en Adriaans grootmoeder; hij heeft trouwens zijn oudoom niet zelf gekend daar deze al in 1724 gestorven was). Met Pieter Meijer stond Kluit ook in betrekking als medewerker aan het Mengelwerk der Algemeene Oefenschole, waarvoor hij vertaalde verzen leverde, o.a. fabelen van Gellert (zie over de Oefenschole onder Pieter van den Bosch). In de eerste reeks Bydragen besprak Kreet reeds in juli '59 Kluits herdruk van Van Hoogstraten. De Bydragen van mei en juni '60 zijn geheel gevuld door Kluits eigen verzen Heilige bespiegeling ener geloovige ziele bij 's Heilants Hemelvaart, een langademig strofisch gedicht in 505 genummerde regels, gevolgd door een uitgebreide taal- en dichtkundige commentaar ‘van den maker’ zelf. In het tweede deel van de eerste Bydragen gaf Kluit o.a. nog enige langere stukken met op- en aanmerkingen over de verhouding van Hoogduits en Nederlands (in nr. 29) en over zekere door Macquet gemaakte taalaantekeningen (nr. 33). Met de luit. col. F. Burman had hij het al eerder aan de stok gehad. Zo nam Kluit ijverig en strijdvaardig deel aan het voortdurende woordkunde-debat van de vriendenkring. Op het gebied van Hollandse geschiedenis en antiquiteiten liep hij in 1761 onmiddellijk te wapen tegen een paar pas in Hoorn verschenen boeken van de Westfriese oudheidminnaar Jan Bent, en hij gaf ook zijn Wederlegging in boekvorm uit. In zijn zelfverzekerd maatschappelijk en wetenschappelijk optreden was Kluit de iets jongere studiegenoten enkele jaren voor.

[p. 103]

Eerste Vertoog over de tegenwoordige spelling der Nederduitsche taal, vergeleken met de spelling der ouden, en uit dezelve ene soort van evenredigheit opgemaakt. NB. I, 283-352.

Deze bijdrage is gedateerd 'sHage, den 23. Mei 1763; zij behandelt de spelling van de vijf klinkers. Pas in 1777 verscheen het vervolg in deel III van de Werken.

Vertoog over de tegenwoordige spelling der Nederduitsche taal, vergeleken ... (enz.). W. III, 1-42.

In de By-dragen van november 1759 had Kreet op blz. 205-233 een Verhandeling en onderzoek over de rechte Nederlandsche letterspellinge laten verschijnen, waarin hij de spelregels die de vrienden hadden aangenomen uiteenzette en aanprees. Het was een typisch redeneerstuk, waarin allerlei meningen van 17e en 18e-eeuwse taalleraars tegenover elkaar waren gesteld om daaruit tot een redelijke keuze te komen. Kluit had in zijn uitgave van Van Hoogstraten op sommige punten een ander inzicht laten blijken en Kreet trad daarover met hem in debat. In zijn Vertoog stelde Kluit daar nu een zakelijke historische beschouwing tegenover van de ontwikkeling uit de middelnederlandse taaltoestanden naar de latere, geheel in de geest van Huydecopers methode. Natuurlijk volgde daar evenmin uit dat er een enig juiste manier van spellen kon bestaan. Toen Kluit zeven jaar later zijn vervolgstuk over de medeklinkers en de tweeklanken bij de Maatschappij had ingeleverd (Handel. 1770), schreef Kreet een brief om aan de jaarvergadering voor te stellen dit stuk niet uit te geven, en ook geen andere stukken over de spelling, maar aan alle leden een afdruk te sturen om hun opmerkingen erover te maken en die in een bijzondere spellingcommissie te laten behandelen (Handel. 1771). Dit is niet zo gebeurd, en in 1773 besloot de jaarvergadering Kluits Vertoog in het
[p. 104]
eerstvolgend 3e deel van de Werken op te nemen. Toen later in 1804 de door Siegenbeek in opdracht van Van der Palm ontworpen spelling werd ingevoerd, heeft ook de Maatschappij op advies van de daartoe aangewezen oude leden M. Tydeman en A. Kluit deze regeling voor haar uitgaven aanvaard (Handel. 1804, blz. 13).

In zijn Middelburgse jaren was Kluit zich vooral gaan toeleggen op zijn eigen studiegebied, het verzamelen van oorkonden en het onderzoek van de geschiedenis van de Nederlandse staatsinstellingen. Reeds in 1769 formuleerde hij zijn problemen als volgt in twee suggesties voor prijsvragen die hij bij de Maatschappij inzond (Handel. 1770 blz. 21-22). De eerste vraag luidde:

Welke en hoedanig zijn de trappen en voortgangen, langs welken alle de thans standhebbende Raedsvergaderingen, sedert de vroeger regeering der Frankische Koningen, en voorts der Duitsche of Germaensche Keizers en derzelver herwaerds Afgezondene, en van tijd tot tijd in magt geklommene Graven, door alle de Zeven Provincien, maer byzonderlijk in de Provincie van Holland, allengs zijn opgereezen, in aenzien gestegen, en den sedert byna twee Eeuwen gevestigden Regeeringsvorm gemaekt hebben?
Deze Vrage kan gevoeglijk in vier afzonderlyke Vragen of Voorstellen verdeeld worden:
Io. Welke is de magt, die de Frankische Koningen, en na hem de Germaensche Keizers, zoo op zich zelven, als door hunne Graven, voor dat de laetsten aen de Erfopvolging, in de tiende Eeuw geraekten, geoefend hebben?
IIo. Welke is gevolgelijk de magt, die de Graven hier te Lande sedert zy hun Graefschap erfelijk bezaten, geoefend hebben?
IIIo. Op hoedanige wyze hebben de Graven, door 't misbruiken dier magt, zich zelf meer en meer zoo wel
[p. 105]
van de Frankische als Duitsche Vorsten onafhanglijk gemaekt, 's Lands Inwoneren, door Privilegien en Voorrechten in de ruimte te schenken, op hunne zyde gewonnen, en ten langen laetsten gedwongen en overheerd, tot dat die Inwoners eindelijk, door nood geperst, zich van hun juk ontslagen hebben?
IVo. Waeruit voortvloeit het onderzoek, hoe en wanneer de thans standgrypende Raedsvergaderingen al of niet hebben kunnen ontstaen, en wanneer zy duidelijk ontstaen en bevestigd zijn.
Welk alles betoogd en bewezen moet worden, niet uit Verklaringen, Gezegden, Schriften, en Statuten, sedert eeuwen, vooral by 't vestigen van de Unie, gewisseld, (die in dezen niets bewyzen) maer uit gelijktydige Historieschryvers, oorspronglyke Bewijsstukken, en andere diergelyke Getuigenissen.

En de tweede vraag luidde:

Een Prijs voor dien genen, die het beste, in eene geschakelde orde, en teffens op de kortste en bondigste wyze, uit het Werk van de Heer Van Loon over de Leenroerigheid van 't Graefschap van Holland, die zelfde Leenroerigheid ten genoege zal voldongen hebben. Dit Werk, by velen niet voor voldingende gehouden, bevat vele Documenten, welke ter dier zake dienen.

Uit de gehele kring van de stichters van de Maatschappij is Kluit een van de weinige waarlijk zelfstandige geleerden, die door oorspronkelijk werk de Nederlandse wetenschap op nieuwe wegen hebben geleid. In 1795 is hij in verband met zijn politieke inzichten als hoogleraar afgezet, tezamen met enkele anderen; in 1802 werd hij in zijn ambt hersteld. Op 12 jan. 1807 kwam hij om het leven bij de ontploffing van het kruitschip, die zijn huis deed instorten.

[p. 106]

Bestuursfuncties in de Maatschappij heeft Kluit niet beldeed. Wel was hij herhaaldelijk lid van beoordelingscommissies: voor taalkunde 1768, '69, '71, '73, voor dichtkunst 1775, voor historie en oudheidkunde 1770, '73, '75; en voor de prijsvragen, taalkunde 1774, '78, '83, '93, 1803, historie '79 en 1804. Hij was geen trouw bezoeker van de jaarvergaderingen; aanwezig 1773, '75, '78, '79, '90, '92.

Zie o.a. zijn Levensschets van de hand van Siegenbeek in Leydens ramp door W. Bilderdijk en M. Siegenbeek, 1808; H. Brugmans in NNBW. III, 696-698 en de daar genoemde literatuur.

Kops , Willem (1724-1776), koopman en fabrikant te Haarlem, in 1768 als tael- dicht- en oudheidkenner tot lid van de Maatschappij gekozen; was ook bestuurslid van de Hollandsche maatschappij van wetenschappen in Haarlem. Hij was bevriend met Pieter Langendijk (1683-1756) en bezorgde waarschijnlijk het vierde deel van diens gedichten en zijn levensbericht (1760). O