terug  begin  verderprepost
[p. 142]

Hoofdstuk IV
Gezamenlijke inspanningen

1. Vraagstukken

Op 4 dec. 1767 schreef Van Lelyveld aan Van Goens en eindigde zijn brief met deze ontboezeming: ‘De Maetschappij is tegenwoordig in zulk een staat, dat er noodzakelijk binnen korten enig leven in moet gebracht worden; want als er geen ambitie, geen lust in de leden is, als er niet gewerkt wordt, moet ze ras kwijnen en versterven. En als deze Maetschappij versterft, kan er nooit weer in ons Vaderland een Maetschappij van Letterkunde opgericht worden; want ze is nu opgerecht, en belangende de Wetten en de namen der leden in zeer goeden luister; het hangt nu maar alleen af van de werken, die er ingeleverd worden; - en ik begrijp dat ieder van zichzelven beginnen moet. In de vorige vergadering van Nov. hadden wij niets ter wereld te doen; - wij prateden over koeitjes en kalfjes, dat mij geweldig stootte. - Is dat een vergadering, dacht ik, van een Maetsch. der Letterkunde? Maer één kan niet alles doen.’ (Brieven aan Van Goens I, 236v.) Het zal in die eerste tijden niet altijd zo erg zijn geweest, maar voor de ijver van v. Lelyveld zat er zeker niet genoeg vaart in de werkzaamheden. Toch hebben de jaren '70 in vier en de jaren '80 in nog drie deftige quartodelen de uitgekozen voortbrengsels van die wat trage vruchtbaarheid aan het licht gebracht. In het vorige hoofdstuk hebben wij de mannen ontmoet en

[p. 143]

bezig gezien, die de Maatschappij, ieder naaf zijn eigen liefhebberij en talent, haar gezicht en haar adem hebben gegeven. Maar de zorg van de ongeduldige en geestdriftige ‘briefschrijver’ ging uit naar de grote plannen in de geest van een algemene beweging.

Men had problemen verzameld, die aan de orde moesten worden gesteld, al dan niet in de vorm van prijsvragen; en in de Handelingen van 1770 werden alle sedert 1766 ingekomen aanbevelingen nog eens in een lijst (blz. 19-22) bij elkaar geplaatst. Er waren ideeën bij van Kluit, v. Goens, Tydeman, v. Wijn, v. Assendelft, Fortman en enkele anderen. Gedeeltelijk waren het wetenschappelijke vraagstukken waarop een onderzoek antwoord zou dienen te geven, zoals v. Wijn's vraag naar de afleiding van de naam van het Gooi, of enige van de in het vorige hoofdstuk genoemde voorstellen van Kluit; gedeeltelijk waren het kwesties van bezinning en beleid op het gebied van dichtkunde en taalpraktijk. Wat is goed Nederlands? hoe kan men daarvoor juiste aanwijzingen krijgen en geven? hoe kan men tot eenheid van spelling komen? De bewoordingen van de vragen zijn soms kenmerkend voor de grondgedachten van de stellers. Zo vraagt Tydeman recht toe recht aan: Welke zijn de zekere en algemeene regels op de geslachten der Nederduitsche naemwoorden? En v. Goens breed en diepzinnig: Is het niet waerschijnelijk en natuurlijk, dat de wyze van denken, veroorzaekt door den aard en gesteldheid van een volk, zo veel invloed hebbe op de wyze van schryven, dat elk volk, wanneer het natuurlijk denkt, een stijl aen zich zelven moet hebben? en zo ja, hoedanig zal dan de stijl der Hollanderen zijn? - Zowel Tydeman als Van Assendelft wijzen op ordening

[p. 144]

van de spelling; de laatste ook op de betekenis van het rijm; Fortman wil de taal herstellen en nieuwe luister bij zetten, en vraagt wat nut de sierstijl aan onze taal hebbe toegebracht.

En de Arnhemse dichter-predikant Ahasverus van den Berg (1732-1807), in 1768 lid van de Maatschappij geworden, had in een brief van 30 aug. 1769 opgewekt tot het samenstellen van een Nederlands woordenboek.

prepostterug  begin  verder