In 1774 werd al een lange lijst medewerkers voorgelezen, met de teksten of onderwerpen waarvoor zij hun krachten beschikbaar stelden of waarover zij al werkstukken inleverden (Hand. blz. 13-15); alle prominente en vele minder bekende namen komen erop voor. Zo zal Ds. Nozeman, de vermaarde vogelverzamelaar, zorgen voor de woorden die ‘in de Natuurlyke Historie gebruikt’ worden; ook Van Iperen doet mee, met excerpten en dialectwoorden. In de volgende jaren geven de Handelingen telkens nieuwe berichten van bereidverklaringen en ook van binnenkomende inzendingen. Behalve het verzamelen van stof blijken er drukke besprekingen te zijn over allerlei vragen die de wijze van bewerking betreffen; men stuit op vele oude en nieuwe onzekerheden, waarin een keuze zal moeten worden gedaan. Reeds in 1774 had
men ingezien dat over de spelling en over de ‘grammatikale gebruiken’ nadere besluiten nodig zijn, en dezelfde heren die het uiteindelijk Ontwerp hebben geleverd, werden aangewezen om de inzichten van de leden bijeen te brengen, en gecommitteerd tot het opstellen van een Lijst van Nederduitsche Taelgebruiken. Toen die lijst eenmaal was verspreid bleef het debat en de briefwisseling over die Taalkundige Vragen nog jaren doorgaan. In de Handel. van 1776 staat een lange reeks op- en aanmerkingen van Alewijn afgedrukt (blz. 6-8). Deze jaarvergadering benoemt opnieuw dezelfde gecommitteerden, v. Lelyveld, Hinlópen, v.d. Berg, Kluit, Fortman, Kreet, v.d. Bosch, vermeerderd met Tydeman en Tollius.
Tegelijk bracht v. Lelyveld in een uitvoerige brief enkele ideeën ter tafel, die hij al in de maandvergadering had ingediend en waardoor hij enige voortgang en orde in de werkzaamheden hoopte te brengen. Hij had twee voorstellen. Het eerste is dit: ‘Om alle onze Leden, welke allerlei soort van Nederduitsche Schryvers lezen, daartoe te brengen, dat zy, onder het lezen, zouden afschryven de Voorbeelden van zoodanige Woorden, als hun aanteekenens waardig voorkomen, is, naar myne gedachten, iets, dat men by mogelijkheid niet verwachten kan’. Daar zou iets aan te verhelpen zijn ‘indien de Maatschappy eenen Afschryver had, die in staat was om de Voorbeelden af te schryven; dan hadden de Leden, onder het lezen, die Woorden, daar het om te doen is, slechts met een pen, of potloot, of den nagel, te onderschrappen’ of op andere wijze aan te duiden ‘en het boek afzijnde aan de Maatschappy te zenden, opdat de Afschryver de Voorbeelden dier aangeteekende Woorden op halve
quarto blaadtjes zou brengen.’ Op den duur zullen ‘een of meer gepensioneerden’ nodig zijn, ‘welke al dien arbeid verrichten, waartoe de Leden geen tijd kunnen vinden’, en intussen zou het al een goed begin zijn, ‘indien de Maatschappy eenen Afschryver had, welke tot dit soort van werk eenigszins bekwaam is, en door oefening hoe langer hoe bekwamer te maken zou wezen’. De moeilijkheid zal zijn om ‘zulke lieden’ te vinden. Toch wil hij meteen meedelen dat hij in Leiden al een geschikte persoon weet, die in zijn studietijd voldoende aan Latijn en Grieks heeft gedaan en ‘in de Nederlandsche taal geen vreemdeling is’ en die door zijn omstandigheden genoodzaakt is voor zich en zijn gezin naar bijverdienste uit te zien. Hij heeft al met deze man gesproken en hem ook al een klein proefstuk laten uitwerken, wat naar zijn mening ‘voor een eerste werk van dien aart, zeer wel gedaan’ is. En als de man niet opgejaagd wordt en het mag doen in ‘zoo veele en zoo weinige uuren daags ... als met zyne andere bezigheden gevoeglijkst’ uitkomt, zal het geen overmatige kosten meebrengen en zeker het geld waard zijn. Hierbij sloot Van Lelyveld's tweede idee aan. Hij zelf had een boek over de walvisvangst onder handen gehad, en de aangestreepte voorbeelden daaruit had hij door zijn candidaat-schrijver laten uitwerken. Nu wil hij voorstellen om als een verdere proefneming eerst eens ‘een enkelen tak van ons Woordenboek te laten in orde brengen’ en daartoe bij voorbeeld de Scheeps- en zeetermen te kiezen. Als men hiermee instemt ‘zoude ik my vleijen, dat de Maatschappy binnen zes of acht jaren, al na dat die gepensioneerde veel of weinig werkt, en dus ook veel of weinig aan de Maatschappy kost, een
Zeemans Woordenboek zou verkrygen, zoo als wy nog in onze Taal niet hebben; het welk dan by die Leden onzer Maatschappy, welke in dit gedeelte onzer Taal het sterkste zijn, zoude kunnen rond gaan om te worden nagezien, en, zoo de Maatschappy zulks goeddacht, als een Voorlooper op het groote Werk uitgegeven, of bewaard, om naderhand in het zelve te worden ingesmolten’. De jaarvergadering heeft ‘dit Voorstel van den Heere van Lelyveld, met zonderlinge dankbetuiging voor zijn betoonden ijver, over 't algemeen goedgekeurd: en de Maendelijksche Vergadering gelast hetzelve nader te overwegen, en de uitvoering daer van te verzorgen’. (Hand. 1776 blz. 9-13). In het volgende jaarverslag blijkt dan dat men ‘enen Bladschryver te werk gesteld’ heeft, die begonnen is met Melis Stoke en intussen verschillende ingezonden uittreksels ‘heeft in orde gebragt’. (Hand. '77 blz. 12); ook later blijkt dat de Bladschryver geregeld aan het werk blijft met het overbrengen van ingekomen excerpten ‘op Octavo Blaadtjens’. En de handschriften-catalogus van de Maatschappij (1877) vermeldt op blz. 5: F. van Lelyveld's Zeemans woordenboek, 90 bladen folio, temidden van talrijke andere woordenlijsten en aantekeningen, die tot de bijdragen voor het woordenboek uit deze jaren behoren.