terug  begin  verderprepost

6. Zorgen over het Woordenboek

Sedert 1773 heeft het werk aan het woordenboek een belangrijke plaats in de belangstellingen van de Maatschappij. Ernstig en uitvoerig hield men zich bezig met de wetenschappelijke beginselen en met de eisen, waaraan dit zou moeten voldoen. En tevens dacht men de stof te kunnen verzamelen door alle hiertoe bereid gevonden leden naar eigen keuze te laten meewerken aan het bijeenzoeken van citaten. Van Lelyveld had door enkele praktische aanbevelingen wel enige orde in deze onregelmatige toevoer bevorderd. Maar na een tiental jaren blijkt voor

[p. 159]

en na duidelijker, dat met deze opzet toch geen goed geheel kan worden verkregen. In 1783 wordt een kleine commissie gevormd, waarin naast Van Lelyveld optreden de nieuwe Leidse leden J.A. Clignett en J. Steenwinkel, twee juristen die de uitgave van Maerlant's Spiegel Historiael voorbereidden en daarvoor inzage hadden gevraagd van het materiaal voor het woordenboek (Hand. 1783, blz. 6 en 18). Pas na v. Lelyveld's dood kwam deze commissie tot een rapport over de stand van het verzamelde: een uitvoerig naar 7 tijdperken gerangschikt overzicht van de geëxcerpeerde teksten, gevolgd door een opgave van de woordenlijsten van een aantal vaktalen en streektalen (als Bylagen gedrukt bij de Hand. 1786). In hun verslag van 1785 hadden zij verklaard ‘dat de voorraad van Excerpten by de Maatschappy berustende, nog zo onvoltallig en ten opzichte van het geheel, zo gering was’ dat het gecommitteerden onmogelijk scheen om nu reeds een ‘specimen’ van de uitwerking op te stellen, ‘om langs dien weg een begin te maaken, en als het ware de fondamenten van het gebouw te leggen’; zij bevelen dan ook alleen aan, de leden nog eens tot groter ijver op te wekken (Hand. 1785, blz. 7).

In het uitvoerige Bericht van 1786, met de reeds genoemde Bylagen, meenden gecommitteerden dat er nu ter bevordering van de geestdrift een voorlopige alfabetische woordenlijst van al het voorhandene kon worden gedrukt en aan de medewerkende leden worden toegezonden. Zij weten dan voortaan steeds wat er al bekend is en kunnen daarbij aantekenen wat zij aan afwijkende betekenissen of aan merkwaardige vindplaatsen hebben ontmoet. Die aanvullingen zouden dan te zijner tijd als

[p. 160]

een ‘Aanhangsel op de Alphabetische Lijst’ worden gedrukt ‘tot dat de voorraad zoo volkomen gerekend wierd, dat wy eindelijk eens aan het werk zelve konden beginnen.’ Dit zal nog een ‘vry lastige arbeid’ zijn, maar als het ‘onder opzicht van eenige Leden... door onzen Bladschryver verricht wierd, zoude het vry spoedig kunnen voortgaan’ en niet kostbaarder zijn dan ‘het afschryven der Excerpten, zoo als tot heden heeft moeten geschieden’. En dit alles... ‘op dat eindelijk eens deze groote onderneming onzer Maatschappye met een gewenschte uitkomst mogt bekroond worden’ (Hand. 1786, blz. 6-10). Men nam nu dit werk met spoed ter hand, maar kon toch aan de volgende jaarvergadering niet meer dan zes afgedrukte vellen voorleggen en bleef in de letter H steken. Nu lag het vooral aan ‘de kommerlyke omstandigheden, waar in het dierbaar Vaderland, zedert eenigen tijd, en wel voornamentlijk geduurende eenige maanden zich bevonden heeft’, wat de Gecommitteerden, door andere zorgen en plichten had belet ‘om het drukken van die Woordenlijst met alle ernst voort te zetten’ (Hand. 1787 blz. 3). Wel hadden enkele medewerkers intussen nog nieuwe bouwstoffen aangebracht. Zo gaat het op de oude wijze door.

In zijn sombere toespraak voor de jaarvergadering van 1789 wijdde voorzitter Schultens bijzondere aandacht aan de ontwikkeling bij het woordenboek en hij noemde nu ook duidelijk het punt waarop het aankwam: onze voorraad is al van belang en groeit wel aan, maar kan het werk dan niet ook beginnen? en zo ja: ‘welk richtsnoer zal men volgen? En welke bekwaame werklieden zal men tot dien arbeid aan den dienst der Maatschappy

[p. 161]

kunnen verbinden? Deze laatste zwaarigheid is misschien geene der minsten’... (Hand. '89, blz. 3). Hij zelf weet voorshands geen oplossing en wenst dat hierover opnieuw een commissie haar gedachten zal laten gaan. Er worden nog eens zeven deskundige leden aangewezen, waaronder Hinlópen, die als rapporteur zal optreden. Als in 1791 dit rapport gereed is, blijkt men toch niet verder te zijn gekomen dan tot voortgaan met pogingen om het materiaal te ordenen, in afwachting van de mogelijkheid dat iemand zich aan het eigenlijke werk zal kunnen wijden: ‘Een voorganger is oneindig veel waerdig’ (Rapport van Hinlópen blz. 9). In volgende jaren wordt nog over afschrijfwerkzaamheden gesproken, waarop Kluit toezicht houdt (Hand. 1793, blz. 11 en '94, 5). Maar feitelijk is het woordenboek in al deze voorbereidingen en lapmiddelen blijven steken, en het grote trotse hoofdwerk van de Maatschappij is niet tot stand gekomen.

Wel kwam er een kleine troost. In 1796 bericht de heer Weiland aan de jaarvergadering ‘dat hij voornemens is een taalkundig Nederduitsch Woordenboek zamen te stellen en in het licht te geven’, dat zal beantwoorden aan ‘eenigen der vereischten’, in het beredeneerd plan van de Maatschappij opgegeven, ‘in zo verre dezelven alleen de regte spelling der woorden betreffen’; hij levert een kleine proef van bewerking in en ‘verzoekt de vrijheid te erlangen’ gebruik te mogen maken van het door de Maatschappij verzamelde materiaal. Deze Pieter Weiland (1754-1842) was remonstrants predikant in Rotterdam van 1785 tot 1828, en werd in 1789 tot lid van de Maatschappij benoemd. De vergadering dankt hem voor zijn mededeling en ‘verklaart zich ten volle genegen, hem ter

[p. 162]

volvoering der ontworpene moeilijke take alle mogelijke hulpmiddelen te verleenen’ (Hand. 1796, blz. 8). Zijn Nederduitsch taalkundig woordenboek verscheen in elf delen tussen 1799 en 1812.

Wat er daarna in en buiten de Maatschappij is gedaan om het wetenschappelijker oorspronkelijke plan levendig te houden is beschreven door M. de Vries in zijn historische Inleiding bij het gereed komen van deel I van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (1882). Toen hij en L.A. te Winkel in het midden van de 19e eeuw hun geheel nieuwe voorbereidingen begonnen, zorgden zij dat er van de aanvang af een centrale verantwoordelijke leiding en redactie zou zijn.

prepostterug  begin  verder