Willem de Clercq, ‘Verhandeling ter beantwoording van de vraag: welken invloed heeft de vreemde letterkunde, inzonderheid de Italiaansche, Spaansche, Fransche en Duitsche, gehad op de Nederlandsche taal- en letterkunde, sinds het begin der 15e eeuw tot op onze dagen?’ In: Verhandelingen der tweede klasse van het Koninklijk-Nederlandsche Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten te Amsterdam; dl. 3. Amsterdam: Pieper en Ipenbuur, 1824.
Willem de Clerq (1759-1844), afstammeling van Franse uitgewekenen, was werkzaam als secretaris van de Nederlandsche Handelsmaatschappij. Hij was betrokken bij de beweging van het protestantse reveil van Da Costa en als zodanig redacteur van Nederlandsche Stemmen. Zijn ‘verhandeling’, met goud bekroond als (enige) inzending voor een prijsvraag, wordt over het algemeen gezien als het eerste werkelijke werk van vergelijkende literatuurwetenschap ter wereld. Hoewel historisch van opzet, laat De Clerq ook zijn licht schijnen over de contemporaine situatie en over de rol van vertalingen daarin, zoals onderstaand fragment getuigt.
[.../311...] Thans geloof ik echter, hier nog een oogenblik te moeten stilstaan bij den invloed der Hoogduitschen Letterkunde, wier huldiging, volgens sommigen zoo verderfelijk voor onze Taal en Letteren ge- /(312) weest is [...].
[313 ...] Ondertusschen was het juist deze10 hoogere litteratuur, die het minst bij ons verspreid is geworden, en dit uit hoofde eener zeer natuurlijke oorzaak: die namelijk, dat derzelver overbrenging meer kennis vereischt zoude hebben, dan onze gewone vertalers ooit/ (314) bezaten, wien het dus veel gemakkelijker viel, de bijna ontelbare toneelspelen van kotzebue of de romans van lafontaine, terstond na derzelven verschijning, met een zoogenoemd Nederduitsch gewaad te omkleeden, dan hunne zwakke krachten aan die werken te beproeven, die inderdaad den
stempel van verdienste of oorspronkelijkheid droegen. Wij liepen dus, in dit opzigt, weinig gevaar, te veel van deze Letterkunde over te nemen [...].
[...315/...] Doch, zal men ons hier misschien te gemoet voeren, er wordt niet zoo zeer over den invloed van Duitschland op onze Letteren, als wel op onze Taal geklaagd; en hieromtrent vinden wij ons genoopt te bekennen, dat deze aanmerking veel waarheid bevat, vooral indien men onze taal niet slechts in de werken van eersten rang beschouwt, maar vooral in die geschriften, die, onder de naam van vertalingen uit het Hoogduitsch, hunnen loopkring bij de talrijke Leesgezelschappen, door onze Noordelijke Provincien verspreid, volbrengen, om, eindelijk, in de vergetelheid te verzinken, en in een volgend jaar door soortgelijke gewrochten weder opgevolgd te worden. Moge dan/ (316) ook müller eenen van kampen, jean paul eenen weiland, schillers Willem Tell een doyer vinden11, dergelijke voorbeelden zijn zeldzaam, en diegene onder de Duitsche Schrijvers, die het ongeluk hebben, om in handen der gewone vertalers te vallen, moeten op de grofste mishandelingen staat maken. Niets is er toch gewoner, dan zich door de schijnbare gemakkelijkheid, welke eene dergelijke vertaling aanbiedt, te laten wegslepen; doch de ware Taalkenner weet, welk het onderscheid tussen beide Talen is, en dat geene overzetting misschien moeijelijker is, dan die van zuiver Hoog- in zuiver Nederduitsch. Beide, uit éénen stam gesproten, moeten echter als tweelingen beschouwd worden, waarvan ieder, gelijk als het vertelsel der Drie Ringen van bocacio, dat pand gelooft te bezitten, dat hem het onvervreemdbaar regt op vaderlijk erfgoed geven moet. In dit opzigt kan er geen verdrag gesloten worden, en, zoo als wij vroeger opmerkten, is bij vele hunner Geleerden een nationale haat tegen het Nederduitsch merkbaar. Zoo lang zij voorwaar met dier hunner landgenooten instemmen, die den stijl van van der palm nog eenigzins kon dulden, doch zich echter beklaagde, dat de Taal zo plat klonk, moete ieder binnen zijne eigene gevoelens verschanst blijven, en treurig ware het, indien wij onze zuivere moedertaal, door den invloed eener Taal lieten besmetten, wier geheele woordvoeging en zamenstelling hemelsbreed van de onze verschilt. Gemakkelijk ware het, uit het groot getal van dagelijks uitkomende boeken, menigvuldige voorbeelden bij te brengen van dat ellendige woordelijke vertalen uit het Hoogduitsch, en de menigvuldige wanstaltigheden op te merken, die daaruit ontstaan. Men behoeft slechts/ (317) daartoe dergelij-
ke boeken op te slaan, om terstond deswege overtuigd te worden. Ja, in dit opzigt is de invloed van Duitschland verderfelijk geweest; doch het ontbreekt ons aan geene schitterende voorbeelden in onze Letterkunde, om dier wansmaak te weren, en, Gode zij dank, dat de belangstelling in onze Taal- en Letterkunde sedert eenige jaren te veel is toegenomen, dan dat wij vrezen zouden, in dit opzigt, door eenen uitheemschen invloed overheerscht te worden [...]. [...]