Willem Bilderdijk, ‘Voorberigt’, in: Proeve eener navolging van Ovidius ‘Gedaanteverwisselingen’. Amsterdam: P. den Hengst en Zoon. 1829 (Ook in: Dichtwerken van Bilderdijk; [uitg. door Isaac da Costa, dl. XV. Haarlem: Kruseman, 1856-1859, pp. 248-249)
Willem Bilderdijk (1756-1831), boegbeeld van de vroege romantiek in de Nederlandse letterkunde, heeft tijdens zijn leven veel vertaald. Over hem wordt gezegd: ‘Bilderdijk is niet ook-nog-eens-vertaler. Het gevoel als wezen van de poëzie uit hij evenzeer in oorspronkelijk werk als in vertalingen. (...) Hij legt zijn eigen persoonlijkheid ook in zijn vertalingen’ (De Jong 1976: 516). Het zwaartepunt van zijn vertaalproductie valt in de periode voor 1820 (zie Korpel 1993, Nrs. 15, 20 en 22). Het algemene beeld van Bilderdijk als vertaler is dat hij ‘vrij’ vertaalde en adapterend en verfraaiend te werk ging. In onderstaand ‘Voorberigt’, verschenen twee jaar voor zijn dood, probeert hij de termen ‘navolging’ en ‘vertaling’ van elkaar te onderscheiden.
Het woord van Navolging is zeer onbestemd en zou even wel van een werk in den smaak van het nagevolgde, schoon in voorwerpen, stoffe, onderwerp, en bedoeling of oogmerk geheel onderscheiden, gezegd kunnen worden, als van een in alles daarmeê overéén komenden arbeid. Doch sedert reeds eenige leeftijden is die naam wel inzonderheid op Vertalingen in Dichtmatige vorme toegepast. Zekere naauwgezetheid omtrent een volkomen getrouwheid, in woorden en uitdrukkingen zoo wel als in 't algemeene van stijl en van vorm, heeft dit ingevoerd, als welke tot eene eigenlijke Vertaling behoorde. Men onderscheidt dus deze twee benamingen als meer soortmakende dan die van getrouwe en losse, naauwkeurige en vrije Vertaling; doch het is deze laatste welke met hetgeen men in 't Dichterlijke meestal Navolging heet, alhoewel met een zekere ruimte, overéénkomt. Dusdanige, mijne Lezers, is dan ook deze die u hier voorgelegd of (begeert men het dus) aan wordt geboden, den Latijnschen
Voorganger op den voet volgende, edoch zonder juist altijd en alom in elken byzonderen voetstap te treden. Voorgelegd, zeg ik, of aangeboden, doch blootelijk en alleen in een Proeve, de vrucht en vervulling van eenige ledige uren, tot niets anders aan te wenden; maar die ik my voorstelde dat (eenmaal bestaande,) ook by anderen welkom konde zijn tot eene ontspanning van geest als ik er in vond.
Indien een der Latijnen Dichter is, het is ongetwijfeld Ovidius, aan wiens losse natuurlijkheid, rijkdom, en juistheid van schilderen, en wat den geboren Dichter van den bloot door de kunst gevormden onderscheidt, ik geen gelijk vinde. Zonder de allersteilste vlucht, die de oogen verbijstert, zweeft hy nu hooger dan lager, waar 't oog hem begeerig en zonder vermoeienis volgt, en daalt af tot het daaglijksche zonder vernedering. Elk waarachtig Poëet drukt zichzelven uit, in hetgeen hy gevoelt; en het is de onderscheiden wijs van gevoelen, die den een van den anderen Dichter verschillen doet. Hy beheerscht zijne stof, en wordt er niet van beheerscht; maar deze beheersching is meer overweldigend en als uit de hoogte, of meer meegaande en toegeeflijk. Met Vergilius zich alles te onderwerpen is meer dan met Ovidius alles te omzweven; doch ook dit heeft zijne waarde niet slechts, maar het is by eene stilheid-ademende gesteltenis, en dus ook by den aan rust hechtenden ouderdom, ruim zoo welkom. En het is ook hierdoor dat hy, met wien ik in een bruischende jeugd niet veel op had, my allengs van meer waarde geworden is.
Op deze wijs dan, want een Dichter te lezen en hem te gevoelen, en zoo ook, hem te gevoelen en uit te drukken, hangt aan één, stortte zich dezer dagen een gedeelte van zijne Metamorphoses in mijn pen, die ongaarne ledig ligt.