Hendrik Tollens, ‘Voorberigt’, in: Dichtbloemen bij den naburen geplukt, Leeuwarden: G.T.N. Suringar, 1839, pp. iii-vi.
Hendrik Tollens (1780-1856): een van de boegbeelden van het soort zelfgenoegzaamheid dat zo kenmerkend wordt geacht voor de Nederlandse letterkunde tijdens het tweede en derde kwart van de negentiende eeuw. Onder de hoogtepunten van zijn vaderlandslievende werk behoren ‘Wien Neerlandsch bloed’ (zie hiervoor, Nr. 10) en het historische narratieve gedicht De overwintering der Hollanders op Nova Zembla in de jaren 1596 en 1597. Knuvelder sluit zijn behandeling van Tollens als volgt af: ‘Verder heeft Tollens een deugdzaam, letterlievend leven geleid, zorgvuldig voortwandelend op de eens ingeslagen weg, braaf vertalend, o.a. de Liedjes van Matthias Claudius (1832), en andere Dichtbloemen bij de naburen geplukt (1839) in tuiltjes schikkend, zodat hij ten voorbeeld strekken kon aan de vele navolgers, waarvan de meeste zich met succes beijverd hebben, nóg tevredener, nóg deugdzamer en nóg zelfvoldaner te zijn dan hun grote voorganger’ (19807: 267).
Toen ik, in den aanvang van mijne poëtische loopbaan, niet wijzer dan vele jeugdige dichters van vroegeren en lateren tijd, mij eene eereplaats in den tempel van den Roem door overmaat van geschriften en gedichten dacht te kunnen verwerven, behoorde tot het veelvuldige door mij uitgegeven boekjes en blaadjes, een verzameling van uit het Fransch vertaalde gedichten, die ik, onder eenen nog bloemrijker titel dan dien van den tegenwoordigen bundel, in het licht zond. Dat boekje, ofschoon niet minder gebrekkig en verwerpelijk dan alle andere onrijpe lettervruchten mijner onervarene en onbestuurde jeugd, bleef nogtans, tot mijn leedwezen, langer in aanzijn dan/ (iv) vele andere mijner mislukte dichtproeven, en menig goedwillig en inschikkelijk boekverzamelaar liet het naast mijne latere bundels eene onverdiende plaats beslaan. Ik heb voor deze onderscheiding geene andere reden kunnen opsporen, dan dat er, ondanks al mijne
onhandigheid, hier en daar, als bij toeval, nog ietwat van den geest van enkele in 't oorspronkelijke fraaije stukjes in overgebleven zal zijn. Maar wat er dan ook de reden van wezen moge, genoeg, ik werd ernstig voor 't gevaar beducht, dat er eene tweede uitgave van dat onhebbelijk en lang door mij afgekeurd boekje zou kunnen verschijnen; en alleen om dat gevaar te ontgaan, besloot ik tot het rangschikken en ter perse leggen van eene andere verzameling van sedert door mij overgezette of nagevolgde stukjes, waarbij ik tevens zou kunnen opnemen of inlasschen zoodanige gedichtjes uit den ouden bundel, die zich niet al te slordig of afzigtelijk mogten voordoen om, als ter sluik, eenige weinige bladzijden in den nieuwen te beslaan. Ik meende door dat middel het vorige boekje te onderdrukken/ (v) en te verdringen en het oude sinds lang verwelkte tuiltje van zoogenoemde dichtbloemen voor eenen nieuwen ruiker te doen verwerpen.
Met deze bedoeling dan, en ter bereiking van dat oogmerk-alleen, is deze bundel ter perse gegeven. Ik verzoek diensvolgens den beleefden en belangstellenden verzamelaar mijner dichtwerken, het oude boekje, waarvan al het bruikbare in dit nieuweren wordt teruggevonden, als van geene verdere waarde hoegenaamd, te willen uitschieten en er dit betrekkelijk betere voor in de plaats te stellen. -
Hoezeer al de hier verzamelde stukjes aan de dichters, wier namen er bij vermeld staan, zijn ontleend, zoo bevinden er zich echter vele onder, waarvan men den oorsprong niet uit de navolging zou herkennen, en die door verandering van versmaat en vorm - somtijds door toevoeging - dikwijls door uitlating - veeltijds door den Hollandschen tooi en tint aanmerkelijk van het voorbeeld afwijken, zoodanig dat ik vele derzelve met minder gevaar en meerder regt voor mijn/ (vi) eigendom zou kunnen doen doorgaan, dan menig hedendaagsch poëet zijn zoo genoemd oorspronkelijk werk voor den zijnen. (...)