P.F.L. Helvetius van den Bergh, ‘[bespreking van] De gevangene op den Kaukasus, een Gedicht naar het Russisch van Alexander Puschkin. 's Gravenhage, bij W.P. van Stockum. 1840.’ In: De Gids, 4e jaargang (1841), deel II, pp. 640-645.
P.F.L. Helvetius van den Bergh (1799-1873) wordt door de immer villeine Stuiveling gekenschetst als ‘een haagse ambtenaar [...], die zich bij aanvallen van reumatiek wat afleiding verschafte door vrolijk te schrijven’ (Stuiveling 19825: 59).
De vertaler van De Gevangene op de Kaukasus is S.J. van den Bergh (zie hiervoor, Nr. 12.). Helvetius van den Bergh gispt Van den Bergh voor het gebruik van een Duitse tussenvertaling en voor het te slaafs navolgen hiervan.
[.../641...] Bij de lezing van dit voortbrengsel der Noordsche Muze, werd de Vertaler, - zoo als hij in zijne Voorrede zegt, - door het vele schoone, dat daarin voorkomt, opgewekt, om het in onze taal over te brengen. Het zou misschien onvoorzigtig zijn, te wenschen, dat het vele schoone hem hadde afgeschrikt, omdat het heir onzer vertolkers daarin aanmoediging zou kunnen vinden, om onzen litterarischen hemel met nog meer uitheemsche dwaallichten te verdonkeren. Evenwel moge wij hem de opmerking niet onthouden, dat een onderwerp, als dat van puschkin's dichtstuk, dat de navolging van eenen stijl, zoo als de karakterisatie van den straks aangehaalden beoordeelaar ons dien des Russischen Zangers doet onderstellen, oorspronkelijken gloed eischt, en voor slaafsche overbrenging ten eenemale ongeschikt is; of meent men, dat men alles zoo maar vertalen kan, wat in eene vreemde taal is geschreven? Waarom niet? Wel zeker!....... en dan maken zij, met een gebloemd jak en een' dimeten rok, van eene vurige Spaansche een Oudnederlandsch huismoedertje, en verstikken den hartstogt, dien zij gevoelen nog begrijpen, en dus ook niet
uitdrukken kunnen, onder het dekkleed der orthodoxe Oudnederlandsche zedelijkheid. Maar zij kunnen ook dolprettig zijn, wanneer hun toereikend talent het dekkleed niet behoeft, indien zij op de grove zinnelijkheden van het gepeupel den stempel hunner eigene geestigheid drukken, de Parijsche grisette van het keurslijf ontdoen, dat deze zelve nimmer aflegt, en er eene Hollandsche ligtekooi van maken....maar we zijn nu geheel van den Kaukasus afgedwaald. Onder het weder beklimmen, willen wij dit nog slechts aanmerken, dat er vrij wat toe behoort, om de poëzij van den hartstogt te vertalen. Voor wie genie bezit, is zulk vertalen nagevoelen; zóó iemand behoudt slechts de vormen van het oorspronkelijke kunststuk, om er een ander oorspronkelijk kunststuk in te gieten. De ongelukkige brekebeen zou verstandiger doen, den hartstogt met rust te laten, dan het talent, dat hem mogt gegeven zijn, tot eenen trechter te vernederen, zijn gevoel tot een kunstgevoel op te winden, en dan, als resultaat van zijn sukkelend werk, dat men ook met mooije woorden en brommende volzinnen beuzelen kan.
/(642) De vertaler van den Gevangene op den Kaukasus heeft wel niet gebeuzeld, maar zich evenmin tot de hoogte van het onderwerp verheven. Hoe kon hij dit ook? Hij vertaalde naar eene Hoogduitsche vertaling, en wel met zoo veel angstvallige naauwgezetheid, dat hij, zoo als hij zeer naïf vermeent, bijna geene enkele maal van den Duitschen tekst is afgeweken. o Poëtische aandrift!
Nu en dan slaagde hij gelukkig in het bijwerk, in het versieren der lijst van het eigenlijke schilderstuk. Daarin was hij, het zij tot zijne eer gezegd, minder vertaler dan vrije navolger; maar toen het er op aankwam, puschkin's conceptie te begrijpen, den poëtischen toestand van den held en de heldin des verhaals levendig voor te stellen, den hartstogt te schilderen.....toen legde hij het penseel bedaard terzijde, nam het Wörterbuch in de eene, den trechter in de andere hand, en.....goot over!
[.../644...] Genoeg. Wij wenschen, dat ons min gunstig oordeel over des Vertalers arbeid hem den moed beneme om op het ingetredene pad voort te gaan, namelijk om meer dus te vertalen. Daarentegen zouden wij hem, indien wij ons daartoe eenige bevoegdheid konden toekennen, den raad geven, ons ‘uit zijne oorspronkelijke flesch in te schenken,’ want wij huldigen in hem eenen dichterlijken aanleg, waarvan zijn vertaling, hoe flaauw en gebrekkig ook, hier en daar onmiskenbare blijken geeft. [...]