Mr. J. van Lennep, ‘Aan de lezer’, in: Romeo en Julia. Treurspel in vijf bedrijven, naar het Engelsch van William Shakspere. Amsterdam: P. Meijer Warnars, 1852, pp. iii-v.
Jacob van Lennep (1802-1868) was net als zijn vader (de classicus David Jacob van Lennep) schrijver en politicus. Na zijn studie in Leiden werd Van Lennep in 1929 tot rijksadvocaat benoemd, wat hij tot zijn dood bleef. Van 1853 tot 1856 was hij lid van de Tweede Kamer.
Hoewel wij hem tegenwoordig vooral kennen als wandelaar, was zijn rol in de Nederlandse letterkunde van de negentiende eeuw niet gering. Zijn grootste bekendheid verwierf hij met zijn historische romans De Lotgevallen van Ferdinand Huyck en De Roos van Dekama en met zijn uitgaven van een corrupte eerste druk van Multatuli's Max Havelaar.
Zijn bibliografie wordt gesierd door een flink aantal vertalingen, met name van Britse romantici (Byron, Burns, Bulwer Lytton), maar ook van (naar het Frans) De veertig voorschriften van het Whistspel, in twee-re-ge-lige versjes vervat en van toelichtingen voorzien. Van Shakespeare vertaalde hij naast Romeo and Juliet ook Othello (1854).
Van enige aansluiting bij het bescheidenheidstopos is in dit voorwoord geen sprake. Leek noemt Van Lenneps ‘Aan de lezer’ ronduit ‘pedant’ (Leek 1988: 63).
Van Lennep breekt enerzijds de staf over achttiende- en negentiende-eeuwse Britse adapteringen van Shakespeare, waarin allerlei wordt weggelaten en aangepast om vervolgens eigen soortgelijke aanpassingen te verdedigen.
Wie een der meesterstukken van shakspere - want zoo schijnt het thands beslist, dat de naam gespeld moet worden - vertaald [sic], en zich
by die vertaling wijzigingen veroorloofd heeft, ligt onder de verplichting de stoutheid zijner handelwijze te verontschuldigen, althands te verklaren.
Reeds van mijn eerste kindsheid af, had ik een vurig verlangen gekoesterd, om eens den Romeo en Julia te zien opvoeren. Tot heden toe was my dat genoegen ontzegd geweest.
Ik had, wel is waar, den Romeo en Julia van weisse gezien; - 't was niets meer dan een flaauwe weêrschijn van het Engelsche stuk, een kadaver zonder gloed en leven.
Ik had den Romeo van la Signora cessi gehoord: - zy zong zeer fraai in haar tijd; - maar dat was al.
Ik had later, by verschillende gelegenheden, Miss smithson, Miss kelly en Miss davenport, telke reize in gezelschap van eenige Toneelisten, of die er zich voor uitgaven, een stuk zien vertoonen, dat voor het echte stuk van shakspere door moest gaan: het spel van de genoemde Dames had my telkereize groot genoegen verschaft, en toch was ik telke reize ontevreden naar huis gewandeld: ik had nooit het stuk van shakspere gezien.
Niet dat ik my beklaagd zoû hebben over het weglaten van enkele tooneelen; - maar ik beklaagde my, dat men my noodzakelijke tooneelen van shakspere onthouden had, om er my daar-en-tegen andere te geven, waar shakspere nooit van gedroomd had.
Ik zeg ‘andere tooneelen’: want men moet weten, dat de Engelschen, in weêrwil van hun vergoding des grooten treurspeldichters, het stilzwijgend gedoogen, dat men/ (v) 's mans onsterflijke werken veranderd - en als vanzelf spreekt verknoeid - ten toneele voert.
En had men nog de eerlijkheid dat verhanselen van het werk des Meesters te erkennen; maar neen: op de tytel van de zoogenaamde acting copya van het treurspel, waarover sprake is, staat onbeschaamd weg: romeo and juliet, a tragedy in five acts, by william shakespeare, zonder dat er is bijgevoegd, veranderd (of gewijzigd) door A. of B., zonder dat zelfs de voorrede den lezer waarschuwt, dat de uitgever zich eenige vrijheden met het oorspronkelijke stuk veroorloofd heeft.
ducius21 is ten minsten eerlijker geweest en heeft nooit zijn Hamlet, zijn Lear, zijn Othello, zijn MacBeth, voor stukken van shakspere willen doen doorgaan.
't Is waar, dat zy ook even veel op die van shakspere gelijken als de aschbelt by de Zaagmolenpoort op de Westerkerk.
Toen nu mijn vriend peters22 my in het laatst der maand Augustus uitnoodigde, den Romeo en Julia voor het Hollandsche tooneel te bewerken, nam ik die uitnoodiging gretig aan; - maar ik vormde tevens er het besluit by, om van mijn vertaling een gewetenszaak te maken, en een echten, geen verhanselden shakspere te leveren.
In sommige byzonderheden, dit gevoelde ik, moets ik my evenwel eenige vrijheden veroorloven.
De stukken van shakspere zijn vol van:
| 1. | min kiesche uitdrukkingen, die in zijn tijd niemand kwetsten (en het nu nog in Engeland niemand schijnen te doen, waarvan elders te zijner plaatse); maar die de ooren van ons publiek zouden stuiten: - deze moesten noodzakelijk weggelaten worden; |
| 2. | gezegden, woord- en toespelingen, die in zijnen tijd en in zijne taal, begrepen werden; maar die het onmogelijk wezen zoû, voor hedendaagsche toehoorders verstaanbaar te /(vi) vertolken; - ook deze vond ik my onbezwaard, weg te laten of op mijne wijze door andere te doen vervangen; |
| 3. | herhalingen, waarby nogmaals in 't breede verteld wordt, wat de toeschouwer reeds lang weet: - hier van begreep ik my ook te mogen ontslaan; |
| 4. | tooneelsveranderingen. - Ook deze hebben groot bezwaar, wanneer men geen schouwburgen heeft, die volkomen gemachineerd zijn. Ik achtte my daarom gerechtigd, die door zamensmelting of verschikking van enkele tooneelen, zoodanig in getal te verminderen, dat nu althands elk bedrijf kan afgespeeld worden, zonder dat het gordijn behoeft te vallen. |
Op deze wijze heb ik het oorspronkelijke in mijn vertaling vrij wat ingekort en my, hoop ik, niet eene wijziging veroorloofd, welke de schim van shakspere zoude kunnen vertoornen. De meest belangrijke dier veranderingen zal ik in de aanteekeningen vermelden, en aldaar tevens gelegenheid vinden om meer bepaald aan te wijzen, waarin de Engelsche arrangeur heeft misgetast en waarom ik zijn arbeid niet tot leidraad nemen kon.
Wat eindelijk den stijl van mijn vertaling betreft, ik heb ook hierin, zoo veel mogelijk, het oorspronkelijke nagevolgd: - in proza schrijvende,
waar de toon van het onderhoud tot het meest gemeenzame afdaalde, - en voor 't overige, naar de luim het medebracht, my nu eens van rijmelooze, dan eens van rijmende vijfvoetige jamben bedienende. Slechts enkele malen heb ik, ter afwisseling, lyrische maten gebezigd. Ik vlei my, dat het ongewone in den vorm, 't welk het stuk hierdoor voor ons Publiek bekomen heeft, niemand stuiten zal, die bedenkt, dat shakspere, ook in den vorm, shakspere blijven moest.
Moge ook zijn geest in mijn vertaling niet geheel verloren zijn gegaan.