Anonymus, ‘De sprookjes van Perrault’, in: De Nederlandsche Spectator, 28 februari 1863, pp. 66-7.
In de negentiende eeuw nemen ook de uitgaven van kinderboeken een hoge vlucht (zie Brantas et. al. 1989). Een belangrijk genre, ook toen al, was het (vertaalde) sprookje - van de drie grote sprookjesverzamelingen (Perrault, de gebroeders Grimm en Andersen) verschenen vele vertalingen en bewerkingen. In deze bespreking van Arnold Isings (1824-1898; schreef vele boeken voor de jeugd) bewerking van de door Charles Perrault verzamelde volksverhalen wordt de wijze van vertaling in verband gebracht met het doelpubliek. Aan een publiek van volwassenen mag de achttiende-eeuwse ruwheid onversneden worden voorgezet, men moet in dat geval de tekst van Perrault recht doen. Voor de negentiende-eeuwse kinderziel gelden echter andere normen.
De toovergeest van de sprookjes van Moeder de Gans, de achttiende eeuw overleefd hebbende, schijnt het ook de negentiende eeuw te zullen doen. Zijn invloed bleek zelfs niet enkel op 't kindergemoed maar ook op de volwassenen van kracht te zijn. De mannelijke hand die Dante's visionaire reizen in de onderwereld in beeld bracht, die zooveel duizenden illustraties in 't leven riep, maar bij wiens laatste werken wij helaas wel eens met een zucht uitroepen Doré, Doré, maar meest ook sur branche, die zelfde hand heeft ook Perraults Sprookjes geïllustreerd.
Wij hebben op 't oogenblik die teekeningen niet te toetsen aan al de eischen der kunst. Zooveel is zeker dat zij bij zachter of strenger waardering, steeds genoeg goeds zullen overhouden om het zeer toe te juichen dat zij thands voor onze kinderwereld zijn toegankelijk gemaakt. De heeren van Es doen een goed werk nu zij de door hen aangekochte cliché's bezigen tot illustratie van eene Nederlandsche uitgave der Sprookjes. Die Sprookjes zelve zijn in onze kinderwereld welkom en dienstig, en het is
zeer juist ingezien dat men den kinderen iets wezenlijk fraai's moet geven en hun smaak niet reeds vroegtijdig door prulprenten van den weg helpen. Wij begroeten alzoo deze uitgave en de bewerking van den heer Ising met genoegen.
Het sprak van zelve dat een nieuwe vertolking van deze Sprookjes tot eenige wijzigingen aanleiding moest geven. Waar die wijzigingen, in den smaak, den geest van onzen tijd, de betrekking tot onze kinderen, haar grens moeten vinden, ziedaar eene vraag die tot verschillende antwoorden aanleiding kan geven.
Er doet zich bij de eerste aflevering die het licht zag, het Sprookje van de schoone slaapster, al dadelijk eene vraag voor, die te minder onbesproken mag blijven omdat zij in het Januarijnommer van de Gids25 reeds is ter sprake gebracht, en zij werkelijk voor deze vertolking eene levensvraag mag heeten.
Zij is deze, was hij die Perraults Sproken voor Nederlandsche kinderen uit de negentiende eeuw bewerkte en vertolkte, gerechtigd sommige bijzonderheden weg te laten als niet meer tot onze tijd behoorende? Neen, zegt Busken Huet hij heeft daardoor te kort gedaan aan Perrault, aan de eischen van de verbeelding onzer kleinen, aan de fee die haar maaltijd derft.
Na wikken en wegen, moet ik ja zeggen.
Voor alles zij vastgesteld, wat ook Huet vordert, wat ook Ising in zijne voorrede heeft getoond te begeeren, dat de geest der kinderen recht heeft op een zeker hoeveelheid wonderlijks, waarvan volstrekt niet hoeft worden uitgesloten te worden het verschrikkelijke, eene der heerlijkste prikkelen voor het kindergemoed, gelijk het een factor van het tragische genot is voor den grooten mensch; dat hunne fantasie, die haar bestaan en haar werken dagelijksch van den ochtend tot den avond dikwijls zoo verrassend verkondigt, eischen doet gelden die men heeft te ontzien, te waarderen zelfs. Te waarderen, omdat deze de vorm is waarin zich de kinderlijke poëzie uit. De kinderen, zij leven in een door hen gemaakte of in eene herschepping van de werkelijke wereld. Zij praten tegen onzichtbare wezens, bouwen voor ons oog onkenbare voorwerpen, herscheppen de zaken der werkelijkheid in voorwerpen hunner fantasie.
Tot die fantasie heeft alzoo de schrijver te spreken. Overprikkelen echter, daartoe is evenmin reden als tot te groote kieskeurigheid en onthouding.
Maar de fantasie der 19e eeuw is bij kinderen gelijk bij groote menschen, eene andere dan die der 18e of 17e. De smaak, het schoonheidsgevoel zelfs, zij wisselen of worden althans gewijzigd.
Wat eens de verbeelding kon opwekken,/ (67) zal het nu wellicht niet langer vermogen.
Ziedaar redenen om wel degelijk toe te zien wat men thands de jonge verbeelding ten voedsel geeft. Tegen de feeën, den honderdjarigen slaap, de pompoen met de prachtige koets, het muiltje van glas, heeft de jeugdige fantasie geen bezwaar. Maar het opeten eener prinses door een tooverheks, daaraan heeft zij niets; en daarenboven ben ik overtuigd dat zij er niet aan gelooft.
Zij het met of zonder het onmiddellijk toedoen der opvoeding, onze kleinen zijn nu eenmaal met wat meer rede en natuurkennis toegerust dan vroeger en hun smaak is veranderd. Dat zit in de atmosfeer der 19e eeuw, en gij woudt dat de kleinen het niet zouden ingeademd hebben? Dat een mensch - want een fee is toch ook een mensch, zóó redeneert hun anthropomorfisme - dat een mensch een ander mensch opeet, - och kom dat gebeurt immers niet, daar gelooven zij niets van; en de indruk van uw verhaal is door deze sceptische stoornis verhinderd. Daarenboven vinden zij het opeten van een prinses viesch en niet prettig.
Met het weglaten van dat dessert is de maaltijd niet verslimmerd.
Ik acht alzoo den heer Ising in zijn recht waar hij dit kanibaalsch gerecht heeft weggelaten, en heb hier nog slechts ééne opmerking bij te voegen. Men moet namelijk wel toezien dat men onze eischen, de eischen van een volwassen mensch, onze letterkundige behoeften niet verwarre met wat onze kinderen aanspraak hebben te verlangen.
Beschouwt men eene vertaling van Perrault uit het standpunt van ons, groote menschen, dan zeker mag uit dit letterkundig product niets worden weggelaten. Wij willen het dan kennen, geheel en in de geest waarin het geschreven is. Evenzoo willen wij uit Homerus de ruwheden niet missen, al komen zij met ons modern gevoel niet overeen. Ik hoef er wel verder niet op aan te dringen dat ten opzichte van kinderen het geval geheel anders is.
Zeker zullen zich bij de verdere bewerking van Perraults verhalen, nog vele dergelijke gevallen aan den vertolker voordoen.
Voor de daarin te volgen methode regels te geven achten wij, indien men de aanmatiging vergeven wilde, niet uitvoerbaar. Ik geloof dat de
bewerker zich slechts naar het moderne begrip, den modernen smaak onzer kinderen te voegen heeft. Wat hierin al dan niet past, hierover moeten eigen oordeel en smaak passen. Al te grote kieskeurigheid mag het karakteristieke, als is het soms wat ruw, niet verdringen; het verschrikkelijke, als element van tragisch genot voor de kleinen mag volstrekt niet worden weggelaten. Doch die deze sprookjes voor onze kinderen thands vertolkt, zal zich toch van eenige bloederigheden te onthouden hebben, en b.v. liefst niet in bijzonderheden verhalen hoe 't groote zwaard van den reus diens eigen zeven kindertjes onthoofde.
Alleen op die wijze zijn deze sproken nog voor onze kinderen geschikt te maken. In 't voorbijgaan, en daar ons onderwerp de kinderliteratuur raakt, zij de vraag geopperd, waarom voor haar nog zoo weinig gebruik is gemaakt van de Duizend en ééne nacht? Mits met oordeel kiezende, zal men in deze een schat van fantasievolle verhalen kunnen vinden, die men met gerustheid in onze kinderwereld kan overbrengen.